Strafrecht overig

Invoer van ongeveer 26 kg cocaïne. Vrijspraak (voorwaardelijk) opzet. Het hof heeft niet de overtuiging…

Zaakgegevens

Op 30 september 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
30 september 2026
Datum publicatie
1 oktober 2026
Zaaknummer
22-000760-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:2981
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Invoer van ongeveer 26 kg cocaïne. Vrijspraak (voorwaardelijk) opzet. Het hof heeft niet de overtuiging gekregen dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij een bijdrage zou leveren aan de invoer en/of het verdere vervoer van de aangetroffen cocaïne. Wel veroordeling voor culpoze invoer. Geen afwezigheid van alle schuld. Overschrijding redelijke termijn. Hechtenis voor de duur van 120 dagen waarvan 41 dagen voorwaardelijk.

Procesgang

  1. Rechtbank Rotterdam · 26 februari 2024

    ECLI:NL:RBROT:2024:2073
  2. Gerechtshof Den Haag · 30 september 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHDHA:2026:2981

Uitspraak

Inhoudsopgave

Rolnummer: 22-000760-24

Parketnummer: 10-083339-21

Datum uitspraak: 30 september 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 februari 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 720 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 642 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar. Voorts is aan de verdachte een taakstraf opgelegd voor de duur van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 maart 2021 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, heeft gebracht ongeveer 25,97 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 maart 2021 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 25,97 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden;

een of meer anderen in de periode van 22 maart 2021 tot en met 23 maart 2021 te Rotterdam, althans in Nederland,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland hebben gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, althans opzettelijk hebben vervoerd en/of opzettelijk aanwezig hebben gehad een hoeveelheid van in totaal 25,97 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende, cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op lijst I van de Opiumwet,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 22 en/of 23 maart 2021 te Rotterdam en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door

  • met zijn auto aanwezig te zijn in de onmiddellijke nabijheid van de plaats waar de cocaïne door een ander aan land werd gebracht en/of

  • de omgeving in de gaten te houden voorafgaand aan het aan land brengen van de cocaïne en/of

  • door contact te onderhouden met een of meer andere betrokkenen bij de invoer van voornoemde hoeveelheid cocaïne, in persoon en middels een aan hem verdachte verstrekte crypto-telefoon en/of

  • zijn auto, althans het door hem bestuurde voertuig, ter beschikking te stellen voor het verdere vervoer van de aan land gebrachte cocaïne en/of

  • door als afhaler op te treden van de aan land gebracht cocaïne en/of

  • voornoemde hoeveelheid cocaïne in de kofferbak van zijn auto te plaatsen, althans toe te staan dat een pakket bevattende voornoemde hoeveelheid cocaïne in de kofferbak van zijn auto werd geplaatst, teneinde deze verder in te voeren of te vervoeren.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 720 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 642 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig de overlegde pleitnotities – op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal vrijgesproken dient te worden van het tenlastegelegde. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de (verlengde) invoer van cocaïne, noch (voorwaardelijk) opzet op het afleveren/verstrekken/ vervoeren, dan wel het aanwezig hebben van cocaïne. Op basis van de stukken en de verklaring van de verdachte kan immers niet worden vastgesteld dat hij wetenschap had van de aanwezigheid van de cocaïne in de kofferbak van zijn auto.

Het hof overweegt hierover als volgt.

Aan de verdachte is primair, impliciet primair, ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk invoeren in Nederland van cocaïne. Primair, impliciet subsidiair, is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het invoeren in Nederland van cocaïne in de overtredingsvariant, oftewel de culpoze invoer.

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat het gelet op de omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, niet anders kan zijn dan dat de verdachte opzet heeft gehad op de (verlengde) invoer van cocaïne. De advocaat-generaal heeft daarbij gewezen op de volgende omstandigheden:

  • de verdachte kreeg van een kennis, [de kennis] , een versleutelde PGP-telefoon;

  • dat het de verdachte duidelijk moet zijn geweest dat het een zogenaamde PGP-telefoon betrof;

  • dat er met de PGP-telefoon door de verdachte via een chat [naam chat] berichten over en weer worden verzonden;

  • dat de verdachte zich gedurende de avond en nacht in de omgeving van de plaats waar de cocaïne aan land is gebracht heeft opgehouden;

  • dat uit de inhoud van de berichten lijkt te kunnen worden afgeleid dat de verdachte zich heeft verstopt of heimelijk heeft opgehouden;

  • dat kort voordat het pakket cocaïne aan land wordt gebracht contact werd gezocht met de verdachte via de PGP-telefoon;

  • dat de verdachte een voor hem onbekend persoon moest vervoeren en pas op een later moment, via [de kennis] en via de versleutelde PGP-telefoon, te horen zou krijgen waarheen die persoon vervoerd moest worden;

  • dat het een kostbare partij cocaïne betreft, die niet zomaar aan een onwetend iemand wordt meegegeven;

  • dat het pakket, dat afwijkend is in omvang en vorm, in het bijzijn van de verdachte in zijn kofferbak is gelegd en de verdachte vervolgens de kofferbak heeft dichtgedaan en is weggelopen van de auto met die voor hem onbekende persoon.

De verdachte heeft verklaard dat hij geen wetenschap had van de aanwezigheid van de cocaïne in zijn kofferbak. Hij had [de kennis] die dag van Amsterdam naar Rotterdam gebracht en [de kennis] vroeg hem om diezelfde avond een snorderklus voor een vriend van hem uit te voeren. [de kennis] overhandigde de verdachte hiervoor een telefoon en op die telefoon zou hij een bericht krijgen als de vriend van [de kennis] was aangekomen. Omdat het in coronatijd was en de avondklok op dat moment gold, besloot de verdachte in zijn auto in Rotterdam te overnachten totdat hij het bericht zou krijgen, in plaats van terug te rijden naar Amsterdam. De verdachte werd wakker door getik op zijn autoruit en zag toen dat de persoon die hij moest ophalen met een pakket bij de kofferbak stond en daar dat pakket inlegde. De verdachte heeft de kofferbak vervolgens dichtgedaan.

Het hof acht de door de verdachte geschetste gang van zaken zoals hiervoor weergegeven op zichzelf beschouwd niet zonder meer dermate onaannemelijk dat die verklaring als ongeloofwaardig terzijde kan worden geschoven. De gang van zaken zoals geschetst door de verdediging vindt overigens deels bevestiging in overige stukken van het dossier, en wordt evenmin weersproken door de inhoud van dat dossier.

Bij die stand van zaken is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk wist dat zijn vracht bestond uit verdovende middelen, hetgeen leidt tot de slotsom dat de ten laste gelegde opzet in de betekenis van willens en wetens handelen niet voor bewezenverklaring in aanmerking komt.

Het hof dient vervolgens de vraag te beantwoorden of voormelde feiten en omstandigheden (al dan niet in combinatie met andere de verdachte belastende feiten en omstandigheden) toereikend zijn om te kunnen concluderen dat de verdachte wel het voorwaardelijk opzet op de (verlengde) invoer en/of het vervoer dan wel het aanwezig hebben van verdovende middelen heeft gehad. Het hof overweegt daarover als volgt.

Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte de aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zou intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

Hoewel in het bijzonder de verstrekking van de PGP-telefoon en de wijze waarop daarmee door en aan de verdachte berichten zijn verstuurd te denken geeft en een aanknopingspunt bieden voor het aannemen van voorwaardelijk opzet, heeft het hof op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet de overtuiging gekregen dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij een bijdrage zou leveren aan de invoer en/of het verdere vervoer van de aangetroffen cocaïne en/of dat hij voorwaardelijk opzet had op het aanwezig hebben van die cocaïne. Van het ten laste gelegde opzet wordt de verdachte dan ook vrijgesproken.

Het ontbreken van voldoende bewijs voor opzet van de verdachte staat er echter niet aan in de weg dat sprake kan zijn van de overtredingsvariant. Hiervoor is niet vereist dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de verdovende middelen, nu de bewijsbaarheid en de strafbaarheid van deze variant niet afhankelijk is gesteld van opzet.

Het gaat er voor de vraag of gekomen kan worden tot een bewezenverklaring van de primair impliciet subsidiair ten laste gelegde overtredingsvariant van het binnen het grondgebied van Nederland brengen om dat - naast de genoemde beschikkingsmacht - kan worden vastgesteld dat de verdachte betrokkenheid heeft gehad bij de invoer van de cocaïne die beschouwd kan worden als een op het verdere vervoer, de opslag, de aflevering, ontvangst of overdracht gerichte handeling, met betrekking tot die cocaïne, die binnen het grondgebied van Nederland was gebracht, of met betrekking tot de voorwerpen of goederen, waarin die middelen verpakt of geborgen waren. Dat alles kan in dit geval worden vastgesteld.

Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat het pakket met daarin de cocaïne in de kofferbak van de auto van de verdachte is geplaatst. Dit pakket was kort daarvoor vanaf een uit Brazilië afkomstig schip door anderen aan land gebracht. De verdachte heeft vervolgens de kofferbak gesloten. Op het moment waarop de verdachte de kofferbak dichtdeed had hij beschikkingsmacht over de cocaïne.

Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair, impliciet subsidiair, tenlastegelegde: de (verlengde) invoer van cocaïne (in de overtredingsvariant).

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair impliciet subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 23 maart 2021 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, heeft gebracht ongeveer 25,97 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met een in artikel 2 van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

In dat verband overweegt het hof nog - ten overvloede, aangezien van de zijde van de verdachte niet is betoogd dat sprake is van afwezigheid van alle schuld - dat de verdachte er gelet op de bedenkelijke omstandigheden waaronder hij stond te wachten op een voor hem onbekende persoon (’s nachts, terwijl de avondklok gold, in de buurt van de kade van een Rotterdamse haven, wachtend op een hem onbekende passagier en dat allemaal op verzoek van iemand die hij alleen kent onder de naam [de kennis] , die nota bene zelf in de buurt bleef wachten) en de wijze waarop hij in dat verband op de hoogte zou worden gehouden (via een PGP-telefoon), op bedacht had moeten zijn dat hij mogelijk werd ingeschakeld in verband met de invoer van verdovende middelen, in die zin dat in de gegeven omstandigheden in ieder geval niet gezegd kan worden dat hem van zijn betrokkenheid daarbij geen enkel verwijt kan worden gemaakt.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de invoer van bijna 26 kilogram cocaïne. Opzet op die invoer heeft het hof niet bewezen verklaard, maar op zijn minst enig verwijt valt de verdachte in dit verband zeker wel te maken. Hij heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit in binnen- en buitenland en bijbehorende vormen van criminaliteit, direct en indirect. Verdovende middelen vormen verder een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 september 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Voorts heeft het hof acht geslagen op het ten behoeve van de verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van 26 september 2025. Hieruit volgt – kort weergegeven – dat de reclassering risicofactoren signaleert op de leefgebieden dagbesteding, financiën, sociaal netwerk en psychosociaal functioneren. Daarnaast kampt de verdachte met de chronische ziekte Multiple Sclerose (MS). Deze aandoening brengt zowel lichamelijke als psychische beperkingen met zich mee en beperkt de verdachte in zijn mogelijkheden om op actieve wijze deel te nemen aan de maatschappij, zoals de verdachte ook ter terechtzitting heeft toegelicht.

De reclassering heeft voorts in haar advies gewezen op de mogelijke gevolgen van detentie voor het behoud van de aangepaste woning van de verdachte. Daarnaast bestaat volgens de reclassering de vraag of binnen detentie de voor de verdachte benodigde gespecialiseerde zorg kan worden geboden. Ten slotte acht de reclassering het, gelet op de fysieke gesteldheid van de verdachte en de gevolgen van zijn ziekte, moeilijk voor hem om een taakstraf uit te voeren. Ook de verdediging acht hem daartoe niet in staat.

Het hof constateert dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in eerste aanleg is overschreden, nu de berechting in eerste aanleg niet heeft plaatsgevonden binnen de in dit geval geldende termijn, gelet op het feit dat de bedoelde termijn is aangevangen op 23 maart 2021 en het vonnis pas op 26 februari 2024 is gewezen. De redelijke termijn is daarmee in eerste aanleg met ruim 11 maanden overschreden. Voorts constateert het hof dat de behandeling van de zaak in hoger beroep evenmin binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep is afgerond met een eindarrest, gelet op het feit dat de bedoelde termijn is aangevangen op 29 februari 2024 en het eindarrest op 30 september 2026 is gewezen. De redelijke termijn is in hoger beroep met ruim 7 maanden overschreden.

Gelet op het vorenstaande zal het hof de genoemde overschrijdingen verdisconteren in de strafmaat, in die zin dat het hof de in beginsel passend en geboden geachte geheel onvoorwaardelijke hechtenis voor de duur van 120 dagen deels voorwaardelijk zal opleggen.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke hechtenis van na te melden duur - waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest van 79 dagen (23 maart 2021 tot en met 9 juni 2021) - een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair, impliciet primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair, impliciet subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een hechtenis voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de hechtenis, groot 41 (eenenveertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde hechtenis in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. N.S.M. Lubbe, mr. B.P. de Boer en mr. E.A. Poppe-Gielesen, in bijzijn van de griffier mr. J. Toorens.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 september 2026.