Strafrecht overig

Verdachte is overleden. Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk is de vervolging.

Gerechtshof Amsterdam, 6 maart 2025

Zaakgegevens

Op 6 maart 2025 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
6 maart 2025
Datum publicatie
4 augustus 2025
Zaaknummer
23-003276-23
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2025:2060
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verdachte is overleden. Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk is de vervolging.

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003276-23

datum uitspraak: 6 maart 2025

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 november 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-078676-22 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1947,

adres: [adres].

Onderzoek ter terechtzitting

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 maart 2025.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wordt verklaard.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Blijkens een akte van overlijden van 17 december 2024, is de verdachte op 10 december 2024 overleden. Door de dood van de verdachte is het recht tot strafvordering op grond van het bepaalde bij artikel 69 van het Wetboek van Strafrecht komen te vervallen, zodat het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.J. van der Wilt, mr. J.W.H.G. Loyson en mr. L.I.M. van Bergen, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Fritsche, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
6 maart 2025.