Strafrecht overig
Algehele vrijspraak van verkrachtiging (middels (bedreiging met) geweld) van aangeefster (die verkeerde in…
ECLI:NL:GHAMS:2025:3866 · Gerechtshof Amsterdam · 23 december 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2025-3866
Zaakgegevens
Op 23 december 2025 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 23 december 2025
- Datum publicatie
- 30 juni 2026
- Zaaknummer
- 23-001682-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3866
Samenvatting
Algehele vrijspraak van verkrachtiging (middels (bedreiging met) geweld) van aangeefster (die verkeerde in een staat van verminderd bewustzijn). Bewijsminimum. Er is onvoldoende bewijs voor de verklaring van de aangeefster dat de verdachte haar tijdens haar slaap heeft gepenetreerd.
Uitspraak
Inhoudsopgave
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001682-23
datum uitspraak: 23 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 mei 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-004042-21 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 april 2024 en 9 december 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, tenlastegelegd dat:
1. primair
hij in of omstreeks de periode van 16 juli 2020 tot en met 17 juli 2020 te Amsterdam door geweld of een andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en bestaande dat geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat hij, verdachte, - terwijl die [slachtoffer] sliep, althans in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde, haar(onder) broek opzij heeft getrokken/gedaan en/of - ( vervolgens) onverhoeds en terwijl die [slachtoffer] sliep, althans in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde, zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] heeft geduwd/gebracht/bewogen, en hij, verdachte, (aldus) voornoemde handelingen (onverhoeds) heeft verricht zonder dat die [slachtoffer] dit kon verhinderen en/of hier tegen verzet kon bieden;
1. subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 16 juli 2020 tot en met 17 juli 2020 te Amsterdam met [slachtoffer] , van wie verdachte wist dat zij verkeerde in een staat van verminderd bewustzijn (te weten een slaap- of sluimertoestand), één of meer handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] ;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.
Vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde
Met de advocaat-generaal, de raadsvrouw en de rechtbank is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair is tenlastegelegd, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.
Vrijspraak van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde. De verklaringen van de aangeefster, te weten de aangifte en het informatief gesprek met de politie, zijn consistent en gedetailleerd. Getuige [getuige 1] heeft verklaard over de emoties die aangeefster heeft getoond in een gesprek na het incident. De aangifte is daarmee betrouwbaar en vindt bovendien voldoende steun in de verklaring van getuige [getuige 2] en de Instagramgesprekken van 17 juli 2020 tussen de aangeefster en de verdachte.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken voor het onder 1 subsidiair tenlastegelegde. Het seksuele contact met de aangeefster heeft met wederzijdse instemming plaatsgevonden en terwijl aangeefster volledig bij bewustzijn was, aldus de raadsvrouw. De verklaring van aangeefster is onvoldoende betrouwbaar en vindt onvoldoende steun in andere bewijsmiddelen, waardoor voor dit subsidiaire feit onvoldoende wettig bewijs voorhanden is. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat, indien het hof mocht concluderen dat wel sprake is van wettig bewijs, uit dat bewijs niet de overtuiging kan worden geput die noodzakelijk is voor een bewezenverklaring.
Oordeel van het hof
Op 25 september 2020 heeft mevrouw [slachtoffer] (hierna: de aangeefster) aangifte gedaan. Zij heeft verklaard op 16 juli 2020 aanwezig te zijn geweest op een borrel, en dat zij na afloop van de borrel naar de afterparty in de woning van de verdachte is gegaan. Zij kreeg aan het begin van de afterparty een cocktail van de verdachte en na die cocktail is het vaag. Ook heeft zij nog een snuif cocaïne van iemand gekregen. Zij heeft aan de verdachte gevraagd of zij mocht blijven slapen. Zij is toen op het bed van de verdachte gaan liggen en was eigenlijk gelijk weg. Op 17 juli 2020 rond 07.00 uur werd zij wakker, omdat de verdachte met zijn handen aan haar borsten zat, aldus nog steeds de aangeefster. Hij heeft ook haar billen, buik en heupen betast. De verdachte lag naakt naast haar. Zij heeft toen tegen de verdachte gezegd dat zij daar alleen lag om te slapen en dat zij niet wilde dat de verdachte haar aanraakte. Toen zij vervolgens weer wakker werd, rond 11.30 uur, voelde zij dat de verdachte met zijn penis in haar vagina zat. Zij heeft een dag later contact gehad met de verdachte op [bedrijf] .
De verdachte ontkent niet dat sprake is geweest van seksuele handelingen met de aangeefster, maar deze hebben volgens hem met wederzijdse instemming plaatsgevonden. De verdachte heeft ook ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij uit de bewegingen en de geluiden die de aangeefster heeft gemaakt kort voor en tijdens de penetratie, heeft afgeleid dat zij op dat moment wakker was en dat zij op dat moment ook seks met hem wilde hebben.
Het juridisch kader
Met betrekking tot de vraag of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de beschuldiging, geldt het volgende. Volgens de wet kan een beschuldiging niet alleen op grond van de verklaring van één getuige (in dit geval de verklaring van alleen de aangeefster) worden bewezen. Ook niet als het hof deze verklaring betrouwbaar vindt. Deze bepaling staat in de wet om er voor te zorgen dat een deugdelijke bewijsbeslissing wordt genomen. Er moet altijd ander bewijs (steunbewijs) in het dossier zitten. Of sprake is van voldoende steunbewijs is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Volgens de Hoge Raad moet deze bewijsminimumregel in zedenzaken niet zo uitgelegd worden dat vereist is dat de handelingen die op de beschuldiging staan als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal, maar is het voldoende wanneer de verklaring van de aangeefster op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen. Die andere bewijsmiddelen moeten afkomstig zijn van een andere bron dan de aangeefster.
Het bewijsminimum mag dus niet worden verward met een oordeel over de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster. Dat staat hier los van. Het oordeel over de betrouwbaarheid zegt alleen iets over het waarheidsgehalte van die verklaring zelf, terwijl er ook steunbewijs moet zijn om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.
Omdat de lezing van de gebeurtenissen die door de verdachte is gegeven ten aanzien van het bewustzijn van de aangeefster afwijkt van de lezing van de aangeefster, zal de voldoende steun betrekking moeten hebben op de door verdachte betwiste staat van verminderd bewustzijn (te weten een slaap- of sluimertoestand).
Anders dan de rechtbank vindt het hof in de verklaringen van de getuige [getuige 2] geen steun voor de aangifte, omdat uit zijn verklaringen niet meer kan worden afgeleid dan dat hij de aangeefster rond 03.00 uur die nacht – toen zij al in het bed van de verdachte lag – wakker heeft gemaakt en heeft gevraagd of zij daar zou blijven of naar huis zou gaan, en dat zij toen antwoordde dat zij daar bleef. Bovendien heeft het seksueel contact volgens de aangeefster pas uren later plaatsgevonden, waardoor hetgeen de getuige [getuige 2] heeft verklaard over de toestand van de aangeefster, gezien dit tijdsverloop, ook om die reden geen steun biedt aan aangeefsters verklaring.
Daarnaast bevindt zich in het dossier een aantal [bedrijf] -berichten tussen de verdachte en de aangeefster, welke de rechtbank redengevend heeft gevonden voor het bewijs. Het hof stelt echter vast dat de inhoud van de berichten niet méér ondersteuning geeft voor de verklaring van de aangeefster, dan voor die van de verdachte. Hetgeen de aangeefster heeft bericht op [bedrijf] komt uit dezelfde bron als de aangifte, terwijl uit hetgeen de verdachte heeft geschreven niet onmiskenbaar de conclusie kan worden getrokken dat hij zich bewust was van een verminderd bewustzijn bij de aangeefster. Daarom kan ook in deze [bedrijf] -berichten geen steunbewijs voor de aangifte worden gevonden.
Gelet op wat het hof hiervoor heeft overwogen, komt het hof tot de volgende conclusie over de beschuldiging. Er is onvoldoende bewijs voor de verklaring van de aangeefster dat de verdachte haar tijdens haar slaap heeft gepenetreerd. Het hof spreekt de verdachte daarom vrij.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- Apple Macbook Air ( [nummer 1] );
- Apple Iphone ( [nummer 2] ).
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. A.W.T. Klappe en mr. P.K. van Riemsdijk, in tegenwoordigheid van mr. C.E. Dongelmans, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 december 2025.
De jongste raadsheer en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.