Strafrecht overig

Vrijspraak poging zware mishandeling. Bewijsoverweging mishandeling. Verwerping noodweerverweer.

Zaakgegevens

Op 19 februari 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
19 februari 2026
Datum publicatie
28 mei 2026
Zaaknummer
23-000996-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:1431
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Vrijspraak poging zware mishandeling. Bewijsoverweging mishandeling. Verwerping noodweerverweer.

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000996-25

datum uitspraak: 19 februari 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 18 april 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-024965-25 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1965,

adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 februari 2026 en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw en de vertegenwoordiger van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

primair
hij op of omstreeks 18 juli 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan de heer [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet (met gebalde vuist) een of meerdere keren heeft geslagen en/of gestompt in het gezicht, althans op het lichaam, van die [benadeelde partij] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair
hij op of omstreeks 18 juli 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, de heer [benadeelde partij] , heeft mishandeld door (met gebalde vuist) een of meerdere keren te slaan en/of te stompen in het gezicht, althans op het lichaam, van die [benadeelde partij] , terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een terugkerende bloedneus voor een langere periode ten gevolge heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewijsoverwegingen

De raadsvrouw heeft overeenkomstig haar pleitnotitie vrijspraak bepleit ten aanzien van het primair tenlastegelegde, omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Verder heeft de raadsvrouw betwist dat sprake is geweest van zwaar lichamelijk letsel. Tot slot heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, zodat de verdachte van de subsidiair tenlastegelegde mishandeling moet worden vrijgesproken.

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde en tot verwerping van het noodweerverweer.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof is van oordeel dat (enkel) wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte aangever [benadeelde partij] heeft mishandeld door hem één klap in het gezicht te geven. Dat die klap is gegeven, blijkt uit de verklaring van de verdachte, zoals hij die heeft afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep én uit de verklaringen van de buurvrouwen [persoon 1] en [persoon 2] , zoals hierna opgenomen in de bewijsmiddelen.

De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of dit slaan dient te worden gekwalificeerd als een poging zware mishandeling dan wel als een mishandeling, al dan niet zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend. Het hof overweegt daarover het volgende.

Uit de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting blijkt niet dat verdachte de bedoeling had om de aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Nu er geen sprake is van vol opzet, rijst de vraag of er sprake is geweest van voorwaardelijk opzet.

Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier zwaar lichamelijk letsel - aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Vrijspraak primair tenlastegelegde

Op basis van de voorhanden zijnde stukken en hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen, kan het hof niet vaststellen dat de verdachte het slachtoffer met dusdanige kracht en gerichtheid heeft geslagen dat op basis van de uiterlijke verschijningsvorm van dat slaan voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel kan worden aangenomen. Het hof zal de verdachte daarom van de primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling vrijspreken.

Subsidiair tenlastegelegde, zwaar lichamelijk letsel tot gevolg hebbend?

Zoals hiervoor overwogen heeft het hof vastgesteld dat de verdachte aangever heeft geslagen. Uit de stukken in het dossier blijkt dat aangever hierdoor letsel heeft opgelopen (onder meer) een over een langere periode terugkerende bloedneus. Het hof is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat dit letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, nu de aard van het letsel en het medisch ingrijpen dat in dat kader heeft plaatsgevonden ontoereikend zijn om dat letsel als zodanig aan te merken. De verdachte zal daarom van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Noodweer

De verdachte heeft tot slot aangevoerd dat aangever hem eerst naar achteren heeft geduwd, waarna hij aangever ter verdediging in het gezicht heeft geslagen.

Het hof overweegt dat het handelen van verdachte, voor zover de door de verdachte geschetste gang van zaken al aannemelijk zou zijn, geen beroep op noodweer rechtvaardigt.

De verdachte heeft aanvankelijk zelf de confrontatie opgezocht met de bovenburen van aangever, door bij hen aan te bellen met - naar zijn zeggen - de bedoeling om hen wakker te maken. Het hof kan dit niet anders begrijpen dan dat dit was uit wraak, omdat hij eerder zelf overlast van hen had ervaren.

Dit leidde tot een confrontatie door het raam met die bovenburen en ook de aangever raakte bij die discussie betrokken. Op enig moment stonden zowel de verdachte als de aangever op de stoep voor de deur van de woning van aangever. Aangever heeft de verdachte vervolgens meermalen gemaand weg te gaan bij de deur van zijn woning. De verdachte weigerde dit en antwoordde dat hij op een openbare plek stond. Volgens verdachte heeft aangever hem vervolgens naar achteren geduwd, waarop de verdachte hem in het gezicht heeft geslagen.

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de situatie niet zodanig is geweest dat het voor de verdachte noodzakelijk was om zich door middel van het geven van een klap tegen aangever te verdedigen. Dat verdedigingsmiddel staat in onredelijke verhouding tot de ernst van de aanranding. Immers, de verdachte heeft aangever op dusdanige wijze geslagen dat daardoor letsel is ontstaan, terwijl redelijkerwijs een andere of minder ingrijpende reactie mogelijk was. Dit klemt te meer nu één en ander zich afspeelde voor de woning van het slachtoffer en de verdachte zich eenvoudig uit de situatie had kunnen onttrekken door weg te gaan, hetgeen hem ook meerdere malen (tevergeefs) was verzocht.

Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.

Voorwaardelijk verzoek

De raadsvrouw heeft verzocht om de aangever en getuige [getuige] te horen, indien het hof op basis van die verklaringen tot een bewezenverklaring komt. Dit verzoek behoeft geen bespreking, nu de voorwaarde niet is vervuld.

Bewijsmiddelen

1. Een proces-verbaal van bevindingen 18 juli 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [doorgenummerde pagina’s 32-34].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten (of één of meer van hen):

Op donderdag 18 juli kreeg de AD4307 de opdracht om naar de [adres 1] te gaan voor een mishandeling. Op het moment dat ik in gesprek wilde gaan met de melder [persoon 3] ging de centrale toegangsdeur van de flat [adres 2] open. Daar kwam een man naar buiten gelopen welke bleek te zijn [benadeelde partij] .

Ik vroeg aan beide personen of zij zojuist ruzie met elkaar hebben gehad. Ik hoorde hen beide 'ja' zeggen. Ik kan de verwondingen van [benadeelde partij] als volgt omschrijven:

- dikke rode jeukbeen;

- bebloed lip/mond.

2. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 5 februari 2026.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik heb [benadeelde partij] één keer in zijn gezicht geslagen op 18 juli 2024.

3. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 18 juli 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [doorgenummerde pagina’s 41-42].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 18 juli 2024

tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [persoon 1]:

Ik zag dat mijn buurman van [adres 2] (het hof begrijpt: [benadeelde partij] ) buiten op straat stond. Ik hoorde dat er een discussie was ontstaan tussen mijn buurman van [adres 2] en de buurman van [adres 1] (het hof begrijpt: verdachte). Ik zag dat de buurman van [adres 1] mijn onderbuurman in zijn gezicht sloeg.

4. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 18 juli 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [doorgenummerde pagina’s 44-45].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 18 juli 2024 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [persoon 2]:

Op 18 juli 2024 liep ik op straat, de [flat] in Amsterdam. Ik ben daar zelf woonachtig op [adres 3] hoog. Ik zag dat de buurman van [adres 1] (het hof begrijpt: verdachte) de buurman van [adres 2] (het hof begrijpt: [benadeelde partij] ) sloeg.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 18 juli 2024 te Amsterdam de heer [benadeelde partij] heeft mishandeld door te slaan in het gezicht van die [benadeelde partij] .

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf en maatregel

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de uur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door zijn buurman in het gezicht te slaan. Het slachtoffer heeft daar een rode wang, bebloede lip en terugkerende bloedneuzen (epistaxis) aan overgehouden. Door zijn handelen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van zijn buurman geschonden.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 januari 2026 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. Nu sprake is van een al langer lopende burenruzie acht het hof, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden, teneinde een nieuw strafbaar feit te voorkomen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.208,83, bestaande uit € 208,83 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

Ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding is met de overgelegde stukken voldoende onderbouwd dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen en dat hij daarvoor kosten heeft moeten maken. Conform de overgelegde stukken waardeert het hof de materiële schade die de benadeelde partij als gevolg van het strafbare handelen van de verdachte heeft geleden op € 208,83.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade geldt dat artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek inhoudt dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Bij de begroting van de naar billijkheid vast te stellen vergoeding dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Hierbij moet de rechter rekening houden met de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

De benadeelde partij heeft als gevolg van de mishandeling lichamelijk letsel opgelopen, te weten (onder meer) een terugkerende bloedneus. Daarbij heeft de benadeelde partij – buurman van de verdachte – aangevoerd dat het voor hem nu nog steeds stressvol is om naar buiten te gaan omdat hij bang is dat hij de verdachte opnieuw tegenkomt. Gelet op de onderbouwing van de vordering en de verwijzing naar vergelijkbare gevallen stelt het hof de door de benadeelde partij geleden immateriële schade, naar billijkheid vast op een bedrag van € 1.000,00.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het impliciet meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het impliciet meer subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.208,83 (duizend tweehonderdacht euro en drieëntachtig cent) bestaande uit € 208,83 (tweehonderdacht euro en drieëntachtig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.208,83 (duizend tweehonderdacht euro en drieëntachtig cent) bestaande uit € 208,83 (tweehonderdacht euro en drieëntachtig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 12 (twaalf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 18 juli 2024.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.E. Dijkers, mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen en mr. B. van der Werf, in tegenwoordigheid van mr. S.M. Schouten en Q. Heerma, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 februari 2026.

Mr. B. van der Werf en mr. S.M. Schouten zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.