Strafrecht overig

Bevestiging vonnis waarvan beroep, met aanvullende overweging ten aanzien van de op te leggen straf

Zaakgegevens

Op 30 januari 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
30 januari 2026
Datum publicatie
10 juli 2026
Zaaknummer
23-000815-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:1880
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bevestiging vonnis waarvan beroep, met aanvullende overweging ten aanzien van de op te leggen straf

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000815-25

datum uitspraak: 30 januari 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 april 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-387150-24 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,

thans gedetineerd in [detentieadres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

16 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit dan ook bevestigen met dien verstande dat het hof:

  • het in het vonnis onder 7.3 opgenomen oordeel van de rechtbank ten aanzien van de opgelegde straf aanvult met de hierna opgenomen overweging;

  • de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen vervangt door de bewijsmiddelen die na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Aanvullende overweging ten aanzien van de op te leggen straf

Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, heeft het hof niet tot andere beslissingen gebracht dan de rechtbank. Het hof heeft onvoldoende aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat de verdachte een wezenlijk andere rol heeft vervuld dan de medeverdachte. Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding om aan de verdachte een lagere straf op te leggen dan aan de medeverdachte is opgelegd en ook niet om af te wijken van de strafmaat die in soortgelijke gevallen ter zake van een vergelijkbare hoeveelheid verdovende middelen wordt gehanteerd.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C. Beuze, mr. H.A. van Eijk en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van

mr. A.C. Vermeijden, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 januari 2026.