Strafrecht overig

Bevestiging vonnis waarvan beroep, met uitzondering van de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de…

Zaakgegevens

Op 30 januari 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
30 januari 2026
Datum publicatie
10 juli 2026
Zaaknummer
23-000882-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:1883
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bevestiging vonnis waarvan beroep, met uitzondering van de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen.

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000882-25

datum uitspraak: 30 januari 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 april 2025 in de strafzaak onder de parketnummers 13-395525-24,

23-001624-22 (TUL) en 13-011005-23 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2006,

thans gedetineerd in [detentieadres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

16 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de gemachtigde van de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregelen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof is niet tot andere beslissingen gekomen dan de rechtbank. De onderbouwing van het standpunt van de verdediging in hoger beroep geeft onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door de rechtbank gegeven waardering van de bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van aangever [naam 1], en de daaruit getrokken conclusies. Ook met betrekking tot de opgelegde straf is het hof niet tot een ander oordeel gekomen. De leeftijd van de verdachte en zijn behoefte aan hulp bij onder meer het vinden van werk en een woning geven onvoldoende aanleiding voor het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. In zoverre zal het vonnis worden bevestigd.

Wel zal het hof artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht toevoegen aan de van toepassing zijnde wettelijke voorschriften en de overwegingen met betrekking tot de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen ten aanzien van de immateriële schade aanvullen met de navolgende overwegingen. Daarbij wordt tevens het aantal dagen gijzeling bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen aangepast overeenkomstig de gewijzigde oriëntatiepunten voor straftoemeting.

Dit laatste brengt het hof ertoe het vonnis toch te vernietigen ter zake van de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van beide benadeelde partijen en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen, zodat dit arrest de volledige en juiste beslissingen hieromtrent behelst.

Vorderingen van de benadeelde partijen

Voor vergoeding van immateriële schade is een wettelijke grondslag vereist, zoals opgenomen in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het eerste lid van dat artikel luidt, voor zover hier van belang:

Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:

(...)

b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Van een ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomende gevallen kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

Vordering van de benadeelde partij [naam 1] (vader)

Naar het oordeel van het hof is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade – in de vorm van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ – heeft geleden tot na te melden bedrag. Het hof komt tot dat oordeel, omdat de aard en ernst van de normschending (een woningoverval met geweld en met bedreiging met geweld tegen de benadeelde partij) meebrengen dat de in dit verband nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

Op grond van artikel 6:106 BW heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade. Gelet op de aard en ernst van het handelen van de verdachte en diens medeverdachten, de daaruit voortvloeiende psychische gevolgen genoemd in de toelichting op de vordering van de benadeelde partij van 23 januari 2025 en de in vergelijkbare zaken toegekende vergoedingen, acht het hof het gevorderde bedrag van € 1.750,00 billijk en toewijsbaar. De vordering zal derhalve tot dit bedrag worden toegewezen, waarbij eveneens de hoofdelijkheidsclausule van toepassing wordt geacht.

Schadevergoedingsmaatregel

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Gelet op de gewijzigde oriëntatiepunten voor straftoemeting met betrekking tot het aantal dagen gijzeling in het kader van de schadevergoedingsmaatregel, stelt het hof het aantal dagen gijzeling vast op 25 dagen.

Vordering van de benadeelde partij [naam 2] (zoon)

Naar het oordeel van het hof is ook voldoende komen vast te staan dat [naam 2] als direct gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte immateriële schade heeft geleden, ook in de vorm van een aantasting van de persoon “op andere wijze”, tot het hierna te vermelden bedrag. Het hof baseert zich op de aard en ernst van de normschending, die zodanig ingrijpend is dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde voor de hand liggen en een aantasting van de persoon kan worden aangenomen.

Uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij van 19 maart 2025 en uit zijn verklaringen bij de politie blijkt dat de woningoverval voor de benadeelde partij een zeer angstaanjagende ervaring was. Terwijl de benadeelde partij zich boven in zijn kamer bevond, hoorde hij dat zijn vader op de grond werd gegooid en om hulp schreeuwde. Hij wilde naar beneden rennen om zijn vader helpen, maar toen hij hoorde dat er meerdere overvallers waren, is hij onder zijn dekens gekropen en heeft hij 112 gebeld. Daarna hoorde hij dat (een aantal van de) overvallers naar de etage renden waar hij zich bevond. Het hof acht deze omstandigheden van dusdanige indringende en angstaanjagende aard dat het geen nadere motivering behoeft dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden.

Op grond van artikel 6:106 BW heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade. Gelet op de aard en ernst van het handelen van de verdachte en diens medeverdachten, de daaruit voortvloeiende psychische gevolgen en de in vergelijkbare zaken toegekende vergoedingen, acht het hof het gevorderde bedrag van € 780,00 billijk en toewijsbaar. De vordering zal derhalve tot dit bedrag worden toegewezen, waarbij eveneens de hoofdelijkheidsclausule van toepassing wordt geacht.

Schadevergoedingsmaatregel

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Gelet op de gewijzigde oriëntatiepunten voor straftoemeting met betrekking tot het aantal dagen gijzeling in het kader van de schadevergoedingsmaatregel, stelt het hof het aantal dagen gijzeling vast op 7 dagen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissingen over de vorderingen van de benadeelde partijen en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Vordering van de benadeelde partij [naam 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam 2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 780,00 (zevenhonderdtachtig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam 2], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 780,00 (zevenhonderdtachtig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 7 (zeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 11 december 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.510,98 (tweeduizend vijfhonderdtien euro en achtennegentig cent) bestaande uit € 760,98 (zevenhonderdzestig euro en achtennegentig cent) materiële schade en € 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam 1], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.510,98 (tweeduizend vijfhonderdtien euro en achtennegentig cent) bestaande uit € 760,98 (zevenhonderdzestig euro en achtennegentig cent) materiële schade en € 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 25 (vijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 11 december 2024.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. H.A. van Eijk en mr. C. Beuze, in tegenwoordigheid van

mr. A.C. Vermeijden, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 januari 2026.