Strafrecht overig

Bevestiging vonnis waarvan beroep, met dien verstande dat het hof de bewijs- en strafmotivering van de…

Zaakgegevens

Op 30 januari 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
30 januari 2026
Datum publicatie
10 juli 2026
Zaaknummer
23-001738-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:1884
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bevestiging vonnis waarvan beroep, met dien verstande dat het hof de bewijs- en strafmotivering van de politierechter vervangt. Medeplegen van opzettelijke invoer van cocaïne.

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001738-25

datum uitspraak: 30 januari 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 3 juli 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-189498-25 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

16 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof:

  • de bewijsoverweging van de politierechter vervangt door de hieronder weergegeven bewijsoverweging;

  • de strafmotivering vervangt door de hiernavolgende strafmotivering;

  • de geschorste voorlopige hechtenis zal opheffen omdat het hof onvoldoende termen ziet om de schorsing op te heffen of de geschorste voorlopige hechtenis als zodanig te laten voortduren;

  • de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen vervangt door de bewijsmiddelen die na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat de onderhavige cocaïne niet is aangetroffen en uit het dossier onvoldoende blijkt dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte cocaïne in Nederland heeft ingevoerd.

De raadsman heeft zich ook op dit standpunt gesteld. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat de door de verdachte afgelegde verklaring over de inhoud en betekenis van de telefoonberichten niet zonder meer als ongeloofwaardig terzijde kan worden geschoven.

Anders dan de advocaat-generaal en de raadsman komt het hof tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde en overweegt daartoe als volgt.

De verdachte heeft bij de Koninklijke Marechaussee en op de terechtzittingen bij de rechtbank en het hof verklaard, kort samengevat, dat de telefoonberichten tussen hem en [naam] vóór zijn vertrek naar Nederland op 9 februari 2025 over het smokkelen van drugs gingen, maar dat hij op het laatste moment van dit plan heeft afgezien en dit persoonlijk met [naam] heeft besproken. Het hof acht het laatste deel van deze verklaring ongeloofwaardig. Uit het dossier blijkt immers dat de verdachte bij aankomst op Schiphol nog intensief contact had met [naam], waarbij expliciet werd gecommuniceerd over een Douanecontrole op Schiphol en [naam] aangaf hoe de verdachte zich moest gedragen. Dergelijke berichten laten zich niet verenigen met de stelling van de verdachte dat hij had besloten de smokkel niet door te laten gaan. Daarbij komt dat de verdachte op de dag van aankomst zijn verblijfslocatie aan [naam] heeft doorgestuurd. In het daaropvolgende berichtenverkeer wordt gesproken over geld dat de verdachte na zijn aankomst zou krijgen en over het ‘drogen’ van het ‘ding’. De door de verdachte gegeven uitleg dat deze berichten over het geld betrekking zouden hebben op elektrawerkzaamheden acht het hof, mede gelet op de context van het eerdere contact over drugssmokkel, niet aannemelijk. Uit de inhoud van de berichten volgt geen enkele aanwijzing dat zij zien op deze werkzaamheden. Bovendien heeft de verdachte geen verklaring kunnen geven voor de betekenis van de term ‘drogen’. De verdachte heeft daar slechts over verklaard dat hij niet begreep wat [naam] daarmee bedoelde, terwijl hij het bericht van [naam] over het ‘drogen’ van het ‘ding’ heeft beantwoord met ‘Ok’. Ander berichtenverkeer van [naam] over het drogen en ‘het ding’ gaat gepaard met een foto waarop de politie cocaïne in pastavorm herkent.

Gelet op het voorgaande en ook overigens blijkt uit het totale berichtenverkeer nergens dat de verdachte op enig moment daadwerkelijk afstand heeft genomen van zijn voornemen om drugs te smokkelen. Integendeel, de inhoud en het tijdstip van de communicatie wijzen erop dat het plan is uitgevoerd en dat na aankomst in Nederland werd gecommuniceerd over de verdere afhandeling daarvan. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat uit het dossier volgt dat er geen aanleiding is geweest voor een nadere controle van de ruimbagage van de verdachte. Dit laat de mogelijkheid open dat de koffer van de verdachte ongecontroleerd Nederland is binnengekomen.

Voor de veronderstelling dat een ander dan de verdachte verantwoordelijk zou zijn geweest voor de feitelijke smokkel van deze partij cocaïne, ziet het hof geen enkele aanleiding, nu daarvoor in het dossier concrete aanwijzingen ontbreken.


Gelet op het voorgaande acht het hof het wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de opzettelijke invoer van cocaïne.

Strafmotivering

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich, samen met één of meer anderen, schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van cocaïne.

In de berichten tussen de verdachte en [naam] wordt onder meer gesproken over ‘model 900’ en, in antwoord op de vraag ‘Hoeveel is het werk ongeveer?’, ‘Dat ding is ongeveer 1. En je krijgt je 4500 eu’. Het hof acht het, gelet op de kennis en ervaring van het onderzoeksteam dat de gebruikelijke beloning voor het smokkelen van circa één kilogram cocaïne rond de € 5.000,00 ligt, aannemelijk dat met deze uitlatingen wordt gedoeld op een hoeveelheid cocaïne van ongeveer 900 gram.

Het hof leidt hieruit af dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de invoer van ongeveer 900 gram cocaïne. Deze ingevoerde hoeveelheid is van dien aard dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding en handel in harddrugs en als afgeleide het gebruik ervan, betekenen een ernstige bedreiging van de volksgezondheid, brengen onrust voor de samenleving met zich en leiden veelal, direct en indirect, tot diverse vormen van criminaliteit. Het hof rekent de verdachte aan de drugshandel en voornoemde gevolgen daarvan te bevorderen.

Blijkens een strafblad van de verdachte van 5 januari 2026 is hij niet eerder veroordeeld.

Het hof heeft acht geslagen op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd aan koeriers die een hoeveelheid van 500 tot 1.000 gram aan harddrugs hebben ingevoerd. Deze hebben hun weerslag gevonden in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt een gevangenisstraf van 6 tot 8 maanden genoemd. Mede tegen deze achtergrond acht het hof, evenals de politierechter, de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden passend en geboden.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. H.A. van Eijk en mr. C. Beuze, in tegenwoordigheid van

mr. A.C. Vermeijden, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 januari 2026.