Strafrecht overig
Vrijspraak voor het niet voldoen aan een gebiedsverbod (feit 1). Veroordeling voor diefstal tot een…
ECLI:NL:GHAMS:2026:1954 · Gerechtshof Amsterdam · 16 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-1954
Zaakgegevens
Op 16 juli 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 16 juli 2026
- Datum publicatie
- 16 juli 2026
- Zaaknummer
- 23-001738-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:1954
Samenvatting
Vrijspraak voor het niet voldoen aan een gebiedsverbod (feit 1). Veroordeling voor diefstal tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 week, met aftrek. Overschrijding van de redelijke termijn.
Uitspraak
Inhoudsopgave
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001738-23
datum uitspraak: 16 juli 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 14 juni 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-143242-23 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
adres: [adres] .
De verdachte staat als man geregistreerd, dus het arrest is in de mannelijke vorm geschreven. De verdachte identificeert zich als vrouw onder de voornaam [verdachte] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juli 2026.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 12 juni 2023 te Edam, gemeente Edam-Volendam opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel te weten een gebiedsverbod, kenmerk Z23125141 krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172 lid 3 Gemeentewet, gedaan door of namens de burgemeester van Edam-Volendam, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij en/of zij, verdachte, zich in de periode gelegen 9 mei 2023 t/m 9 augustus 2023 niet mocht bevinden in/op de bebouwde kom van Edam en Volendam, door, zich op voornoemde datum om of omstreeks 21:12 uur in/op, althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden;
2.
hij op of omstreeks 12 juni 2023 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, meermalen, althans eenmaal, stroopwafels, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Vrijspraak feit 1
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal – moet worden vrijgesproken.
Het hof overweegt hierover als volgt.
Bij besluit van 9 mei 2023 is aan de verdachte een gebiedsontzegging opgelegd, inhoudende dat de verdachte in de periode van 9 mei 2023 tot en met 9 augustus 2023 niet in de bebouwde kom van de gemeente Edam-Volendam aanwezig mocht zijn. Bij besluit van 15 december 2023 heeft de burgemeester het bezwaar van de verdachte hiertegen ongegrond verklaard. De verdachte heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De rechtbank Noord-Holland heeft op 22 oktober 2025 het beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 december 2023 vernietigd en het besluit van 9 mei 2023 herroepen.
Hieruit volgt dat geen sprake is geweest van een bevel krachtens wettelijk voorschrift gedaan zoals tenlastegelegd, zodat de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.
In hoger beroep gevoerd verweer
Voor zover de raadsvrouw in hoger beroep verweer heeft gevoerd ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde, vindt dit zijn weerlegging in de door het hof gebezigde wettige bewijsmiddelen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
2.
hij op 12 juni 2023 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, stroopwafels, die aan [bedrijf] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Hetgeen onder 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: diefstal.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken, met aftrek van het voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 2 jaren.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Dergelijk handelen veroorzaakt overlast en vaak ook schade en ergernis. De verdachte heeft voor die gevolgen kennelijk geen oog gehad.
Uit het strafblad van de verdachte van 18 juni 2026 volgt dat hij eerder voor vermogensdelicten onherroepelijk is veroordeeld. Het hof weegt dit ten nadele van de verdachte mee bij het bepalen van de straf. Wel is verdachtes gedrag inmiddels zichtbaar in rustiger vaarwater gekomen.
Gelet op de ernst van het feit en de recidive volstaat geen andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Toepassing van artikel 9a Sr, zoals bepleit door de raadsvrouw, doet naar het oordeel van het hof geen recht aan de ernst van het feit en de eis van de advocaat-generaal evenmin.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Met een andere of lichtere straf dan een straf die deze vrijheidsbeneming met zich brengt kan niet worden volstaan. De verdachte heeft 3 weken in voorlopige hechtenis verbleven in deze zaak, dus zal met deze beslissing niet terug hoeven naar de gevangenis.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) in hoger beroep is overschreden met 13 maanden. Gelet op de hoogte van de op te leggen straf volstaat het hof met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en verbindt het aan deze overschrijding geen gevolgen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.A.A. Postma, mr. H.A. van Eijk en mr. D. Abels, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Kuvel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 juli 2026.
mr. H.A. van Eijk en mr. D. Abels zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]