Strafrecht overig

Vrijspraak poging tot moord, bewezenverklaring poging tot doodslag. Oplegging gevangenisstraf 68 maanden…

Zaakgegevens

Op 9 juli 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
9 juli 2026
Datum publicatie
20 juli 2026
Zaaknummer
23-002201-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:1968
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Vrijspraak poging tot moord, bewezenverklaring poging tot doodslag. Oplegging gevangenisstraf 68 maanden m.a., GVM en een contactverbod met het slachtoffer voor de duur van 5 jaar. Toewijzing vordering tot schadevergoeding.

Procesgang

  1. Rechtbank Amsterdam · 20 september 2024

    ECLI:NL:RBAMS:2024:8881
  2. Gerechtshof Amsterdam · 9 juli 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHAMS:2026:1968

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002201-24

datum uitspraak: 9 juli 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam, gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 september 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-274238-23 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 2] ( [land] ) in het jaar 1938,

thans gedetineerd in [gevangenis] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

primair
hij op of omstreeks 17 oktober 2023 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, meermaals, althans eenmaal met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de buikstreek, althans in het (boven)lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair
hij op of omstreeks 17 oktober 2023 te Amsterdam aan [slachtoffer] , zijn (verdachtes) echtgenoot/levensgezel, opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten een geperforeerde darm, althans (hevig) buikletsel, heeft toegebracht door meermaals, althans eenmaal met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de buikstreek, althans in het (boven)lichaam van die [slachtoffer] te steken en/of snijden;

meer subsidiair
hij op of omstreeks 17 oktober 2023 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] , zijn (verdachtes) echtgenoot/levensgezel, opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermaals, althans eenmaal met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de buikstreek, althans in het (boven)lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewijsoverwegingen

Vrijspraak poging tot moord

De raadslieden hebben bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van poging tot moord. Hiertoe hebben zij aangevoerd dat geen sprake is geweest van voorbedachten rade op het van het leven beroven van het slachtoffer. De verdachte bezocht de woning van zijn zoon de desbetreffende dag, omdat hij zich wilde verzoenen met aangeefster (zijn toenmalige vrouw). Zelfs als wordt aangenomen dat de verdachte het mes tijdens dat bezoek heeft meegebracht, dan zegt dat nog niet dat het niet anders kan zijn dan dat hij aangeefster met voorbedachten rade van het leven wilde beroven. Op basis van het dossier kan niet uitgesloten worden dat de verdachte in een plotse gemoedsopwelling heeft gehandeld.

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat sprake is geweest van voorbedachten rade en vordert de bewezenverklaring van poging tot moord. Hiertoe voert zij aan dat uit het dossier volgt dat aangeefster en haar zoon reeds het vermoeden hadden dat de eer van de verdachte was geschaad toen aangeefster zonder hem [land] verliet. Er waren relatieproblemen tussen aangeefster en de verdachte; daarom verbleef zij sinds haar terugkomst in Nederland al enige tijd in het huis van haar zoon. Daarnaast was de verdachte vaker gewelddadig naar aangeefster en de kinderen geweest. Op de betreffende dag bezocht hij aangeefster in het huis van hun zoon. Eerst zat hij geruime tijd met zijn jas aan in de kamer. Toen de zoon de kamer verliet om te douchen is de verdachte naar aangeefster gelopen en heeft hij vanuit het niets haar diep in de buik gestoken met een mes dat volgens politieonderzoek afkomstig moet zijn geweest uit zijn eigen huis en dus door hem was meegenomen naar het huis van hun zoon. De verdachte heeft daarom gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad en heeft deze desondanks uitgevoerd.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van voorberdachten rade vast moet komen te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachten rade gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachten rade pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar hoeft de rechter er niet van te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

Het hof ziet aanknopingspunten om aan te nemen dat sprake is geweest van een vooropgezet plan om aangeefster om het leven te brengen. Uit het dossier volgt dat de verdachte en aangeefster relationele problemen hadden, zodanig dat aangeefster al enige tijd niet in de echtelijke woning, maar bij haar zoon verbleef. Daarnaast is het hof van oordeel dat de verklaring van de verdachte dat hij het mes waarmee hij zijn vrouw heeft gestoken aantrof op het keukenblad in het huis van zijn zoon, niet aannemelijk is. De zoon ontkent immers dat het mes aan hem toebehoort en in zijn huis lag, terwijl uit het politieonderzoek volgt dat messen uit dezelfde serie in de keuken van de verdachte zijn aangetroffen. Het hof gaat er dan ook van uit dat de verdachte het mes heeft meegenomen uit zijn eigen woning.

Desalniettemin is het hof van oordeel dat niet met een voor een bewezenverklaring vereiste voldoende mate van zekerheid vast is komen te staan dat de verdachte dit mes heeft meegenomen om aangeefster ook daadwerkelijk van het leven te beroven. Het dossier bevat daarvoor onvoldoende bewijs. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van poging tot moord.

Poging tot doodslag

De raadslieden hebben zich op het standpunt gesteld dat bij het ontbreken van voorbedachten rade het bestaan van vol opzet niet kan worden aangenomen. Ook van voorwaardelijk opzet is naar hun mening geen sprake. Daartoe hebben zij aangevoerd dat een aanmerkelijke kans op de dood niet kan worden aangenomen omdat te weinig bekend is over de specifieke toedracht van het steken en bijgevolg over de daaruit voortvloeiende kans dat de dood zou intreden. Het enkele feit dat het een steekwond in een lichaamsdeel met vitale organen betreft maakt nog niet dat er zonder meer een aanmerkelijke kans op de dood was. En zelfs als die aanmerkelijke kans wel wordt aangenomen dan kan evenmin uit de aanwezige bewijsmiddelen worden afgeleid dat die kans welbewust is aanvaard.

De advocaat-generaal heeft zich, daarbij verwijzend naar de overwegingen van de rechtbank, op het standpunt gesteld dat de verdachte vol opzet had op het doden van aangeefster, door haar met kracht met een mes te steken in de buik waar zich vitale organen bevinden.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof is van oordeel dat de verdachte vol opzet heeft gehad op het met een mes in de buik van aangeefster steken. Daarbij gaat het hof uit van het volgende. Verdachte is (nadat zijn zoon is gaan douchen) vanuit de kamer naar aangeefster toegelopen, die zich op dat moment in de keuken bevond. Hij is naast haar gaan staan en heeft het door hem meegenomen mes plots zonder een daarvoor kenbare aanleiding in haar buik gestoken.

Voorts is het hof van oordeel dat de verdachte daarbij minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van aangeefster. Het is een feit van algemene bekendheid dat de buik vele vitale organen bevat en de kans dat een persoon door ernstige schade aan die organen of aan inwendige bloedingen als gevolg van een diepe messteek – zoals de onderhavige – in de buik komt te overlijden is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk. De verdachte heeft deze kans aanvaard door aangeefster opzettelijk in de buik te steken daarom. Met zijn messteek heeft de verdachte de dikke darm van aangeefster op twee plaatsen geperforeerd, waardoor zowel bloed als ontlasting uit de wond liep en medisch ingrijpen via een spoedoperatie noodzakelijk was. Daarbij is een deel van de darm verwijderd. Het hof is van oordeel dat de verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair impliciet subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 17 oktober 2023 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes in de buikstreek van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest, en met oplegging van de vrijheidsbeperkende (en gedragsbeïnvloedende) maatregelen ex artikel 38v en 38z Sr.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor de primair tenlastegelegde poging tot moord zal worden veroordeeld -daarbij rekening houdende met de overschrijding van de redelijke termijn- tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaar en 6 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft zij gevorderd dat aan de verdachte een contactverbod wordt opgelegd met aangeefster en vier van haar kinderen, in de vorm van een dadelijk uitvoerbaar te verklaren 38v Sr maatregel, en dat het hof in overweging neemt over te gaan tot de ambtshalve oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr.

De verdediging heeft bepleit dat als het hof tot bewezenverklaring van hooguit een poging doodslag komt, gelet op de leeftijd van de verdachte en zijn medische en mentale toestand, een gevangenisstraf van maximaal 4 jaar passend is.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op zijn toenmalige echtgenote, door haar, in de woning van hun zoon, met een mes in de buik te steken. Het slachtoffer verbleef bij de zoon uit angst voor haar man en ter voorkoming dat hij haar iets zou kunnen aandoen. De verdachte is op de betreffende dag naar de woning van de zoon gegaan, waar hij zich gedroeg alsof er niks aan de hand was. Hij had een mes bij zich, dat hij had meegenomen uit zijn eigen woning. Toen de zoon de kamer verliet om te gaan douchen heeft de verdachte het slachtoffer in de buik gestoken. Hierbij heeft het slachtoffer zeer ernstig letsel opgelopen, waaraan zij geopereerd moest worden (een deel van haar darm moest worden verwijderd) en waarvan zij tot op heden last ondervindt.

Met zijn handelen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer zeer ernstig geschonden. Haar gevoel van veiligheid is blijvend aangetast. Ook voor directe familieleden is het feit bijzonder ingrijpend geweest. Hoewel aangeefster en haar kinderen een specifiek motief vermoeden, heeft het hof dat niet kunnen vaststellen.

Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 juni 2026 is de verdachte niet eerder veroordeeld voor geweldsdelicten.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de Mens in hoger beroep met 5 maanden is overschreden. Immers, het hoger beroep is op 1 oktober 2024 ingesteld en het hof wijst pas nu arrest. Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de duur van de op te leggen gevangenisstraf, door daarop 4 maanden in mindering te brengen.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 68 maanden passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM)

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op zijn toenmalige echtgenote. Volgens het bepaalde in het wetsartikel 287 van het Wetboek van Strafrecht staat op dit misdrijf een maximale gevangenisstraf voor de duur van meer dan vier jaren. Aan de verdachte wordt ter zake van dit strafbare feit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd, wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. Hiermee is aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking, in de zin van artikel 38z, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht voldaan.

Het hof is van oordeel dat de oplegging van de maatregel in het belang is van de bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen. Uit een reclasseringsadvies van 10 oktober 2025 volgt dat bij de verdachte sprake is van antisociale persoonlijkheidskenmerken. Ook spreekt de reclassering van een verhoogd risico op recidive wegens het ontbreken van probleembesef en de aanwezigheid van wraakgevoelens richting het slachtoffer.

Het hof is van oordeel dat voornoemde risico’s onvoldoende kunnen worden ingeperkt met de oplegging van bijzondere voorwaarden. Het hof zal daarom ambtshalve tot de oplegging van de maatregel overgaan.

Oplegging van een contactverbod

Het hof ziet aanleiding om een vrijheidsbeperkende maatregel, zoals bedoel in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, in de vorm van een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedag] 1942 te [plaats] ( [land] ), op te leggen voor de duur van 5 jaren. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat er nog steeds heel veel onmin is tussen de verdachte en het slachtoffer en dat het slachtoffer angstig is voor de verdachte.

Het hof ziet onvoldoende aanleiding om deze maatregel ook op te leggen ten behoeve van 4 kinderen van aangeefster en de verdachte.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Het hof zal de dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel bevelen, omdat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een feit dat gericht is tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. Gelet op de aard van de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte is het hof van oordeel dat er ernstig rekening moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van het slachtoffer of dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens het slachtoffer.

Nu deze dadelijk uitvoerbaar verklaarde maatregel (opnieuw) in hoger beroep wordt opgelegd voor hetzelfde feitencomplex, en wederom voor de maximale duur, zal het hof bevelen dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 46.380,00, waarvan € 12.380,00 ter zake van materiële schade en

€ 34.000,00 ter zake van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 23.146,00. Voor het overige deel is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd, waarbij het gevorderde bedrag aan immateriële schade gelijk is gebleven en het gevorderde bedrag aan materiële schade met € 770,00 (eigen risico 2024 en 2025) is verlaagd naar € 11.610,00.

De advocaat van de benadeelde partij heeft verzocht de vordering geheel toe te wijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en toekenning van de wettelijke rente vanaf 17 oktober 2023.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde € 34.000,00 aan immateriële schade toewijsbaar is. Ook zijn de materiële posten kleding, daggeldvergoeding en huishoudelijke hulp voor toewijzing vatbaar. Ten aanzien van de gevorderde verhuiskostenvergoeding refereert de advocaat-generaal zich aan het oordeel van het hof.

De raadslieden hebben de vordering (zowel het materiële als immateriële deel) van de benadeelde partij niet of onvoldoende betwist.

Het hof overweegt als volgt.

Materiële schadevergoeding

Het hof is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezenverklaarde poging tot doodslag materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 11.610,00. Dit bedrag is opgebouwd uit € 250,00 kledingschade, € 280,00 daggeldvergoeding voor ziekenhuisopname, € 7.156,00 verhuiskostenvergoeding en € 3.924,00 huishoudelijke hulp. Nu de raadslieden deze posten niet, althans onvoldoende hebben betwist en deze het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen, zal de vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

Immateriële schadevergoeding

Voorts brengt artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) mee dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële als zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar persoonlijke levenssfeer en er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar lichamelijke integriteit.

De benadeelde heeft als gevolg van de messteek in haar buik ernstig letsel aan haar darmen en buikwand opgelopen. Hiervoor heeft zij een operatie moeten ondergaan, waarbij een deel van haar darm verwijderd is. Zij heeft 8 dagen in het ziekenhuis gelegen en heeft sinds het incident last van incontinentieproblemen. Aan de buitenzijde is een groot litteken op de buik zichtbaar, dat nooit helemaal zal verdwijnen en haar de rest van haar leven zal herinneren aan het gruwelijke geweld dat haar ex-echtgenoot op haar uitoefende. Ook heeft de benadeelde een enorme psychische klap gehad van het gebeurde en leeft zij tot op heden op een onbekend adres en in angst.

Bij het naar billijkheid vaststellen van de omvang van de immateriële schade heeft het hof gelet op de aard en ernst van de normschending en het letsel, de verwachting van het herstel en bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Voor de begroting van het toe te kennen bedrag aan immateriële schade heeft het hof de Rotterdamse Schaal als uitgangspunt genomen. Alles afwegend begroot het hof de omvang van de immateriële schade op € 34.000,00.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Beslag

Er zijn een heft en een lemmet in beslag genomen. De rechtbank heeft beslist dat deze dienen te worden verbeurd verklaard.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het in beslag genomen heft en lemmet verbeurd worden verklaard.

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggeven heft en lemmet dienen te worden verbeurd verklaard. Het bewezenverklaarde is begaan met behulp van deze goederen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 38v, 38w, 38z, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair impliciet subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 68 (achtenzestig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (GVM).

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag] 1942 te [plaats] ( [land] ).

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Beveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt daarnaast dat de tijd dat de vervangende hechtenis eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij de tenuitvoerlegging in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 STK heft ( [nummer 1] );

- 1 STK lemmet ( [nummer 2] ).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 45.610,00 (vijfenveertigduizend zeshonderdtien euro) bestaande uit € 11.610,00 (elfduizend zeshonderdtien euro) materiële schade en € 34.000,00 (vierendertigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 45.610,00 (vijfenveertigduizend zeshonderdtien euro) bestaande uit € 11.610,00 (elfduizend zeshonderdtien euro) materiële schade en € 34.000,00 (vierendertigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 210 (tweehonderdtien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 17 oktober 2023.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N. van der Wijngaart, mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen en mr. D.A.C. Koster, in tegenwoordigheid van mr. S.K. van Eck, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 juli 2026.

=========================================================================

proces-verbaal uitspraak

_______________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002201-24

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 9 juli 2026.

Tegenwoordig zijn:

mr. P.J. van Eekeren, raadsheer,

B.F.A. van Drie, griffier.

Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. E. Lodder, advocaat-generaal.

De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

Raadsman/raadsvrouw is wel / niet aanwezig.

(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:

Tolk is niet aanwezig.

De raadsheer spreekt het arrest uit.

De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld. (indien de VTE is verschenen)

De verdachte heeft wel afstand gedaan van het recht aanwezig te zijn bij de uitspraak. (indien VTE in deze zaak is gedetineerd)

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.