Strafrecht overig

Bewezenverklaring aanranding, uitwerking bewijsmiddelen, oplegging gevangenisstraf van 3 maanden en 2 weken…

Zaakgegevens

Op 26 februari 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
26 februari 2026
Datum publicatie
20 juli 2026
Zaaknummer
23-000566-23
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:1972
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bewezenverklaring aanranding, uitwerking bewijsmiddelen, oplegging gevangenisstraf van 3 maanden en 2 weken en toewijzing vordering BP.

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000566-23

datum uitspraak: 26 februari 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 14 februari 2023 in de strafzaak onder parketnummer

13-140779-21 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1962,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 22 november 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten het onverhoeds (met kracht) vast pakken en/of tegen de muur duwen, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van één of meer ontuchtige handelingen, te weten

- het onverhoeds vastpakken van de borsten van die [slachtoffer] en/of

- het in knijpen in de borsten van die [slachtoffer] en/of

- het duwen/brengen van zijn tong in de mond van die [slachtoffer] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof deels tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde aanranding te komen. Hiertoe voert zij aan dat de aangeefster gedetailleerd, betrouwbaar en consistent verklaart en die verklaring wordt ondersteund door de verklaring van de vriendin. Voorts is er een blauwe plek op de borst van aangeefster zichtbaar en is er DNA van de verdachte aangetroffen op de mouw van aangeefster.

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Hiertoe voert hij aan dat er onvoldoende steunbewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het dossier volgt dat de verdachte en aangeefster elkaar hebben leren kennen via Tinder en zij enige tijd later, op 22 november 2020, hebben afgesproken om elkaar te ontmoeten. Ze zijn naar woning van de verdachte gegaan om daar koffie te drinken.

De aangeefster verklaart in haar aangifte bij de politie dat de verdachte op enig moment plots haar borsten met beide handen vast greep en haar met kracht tegen de muur aanduwde. Hierdoor voelde zij pijn aan de borsten. Vervolgens duwde de verdachte zijn tong in haar mond. Aangeefster wilde de verdachte weg duwen, maar dat dit ging lastig omdat hij dicht op haar stond. Vervolgens kneep de verdachte nogmaals hard in haar borsten en duwde hij haar hard tegen de muur. De verbalisant benoemt tijdens de aangifte een blauwe plek op de borst van aangeefster. Bij de aangifte is onder meer gevoegd een foto van de linkerborst van aangeefster, waarop een rood/blauwe verkleuring valt waar te nemen. Hierover bevraagd ter zitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard daar geen verklaring voor te hebben.

Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen is, naast deze verklaring van aangeefster voldoende steunbewijs nodig, zo volgt uit artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof overweegt dat de verklaring van aangeefster allereerst steun vindt in haar aangifte bij de politie van de vriendin [naam] . Zij verklaart dat aangeefster haar belde met de mededeling dat ze net was aangerand tijdens een date, waarna zij en aangeefster nog diezelfde dag met elkaar hebben afgesproken en waarbij aangeefster aan haar heeft verteld wat haar was overkomen. [naam] geeft dus weer wat aangeefster haar net na het incident heeft verteld en dit komt tot op detailniveau overeen met genoemde aangifte van aangeefster later bij de politie.

Hier tegenover staan de verklaringen van de verdachte. Bij de politie verklaart hij dat hij op 22 november 2020 een date had met een vrouw van Tinder en verklaart tot tweemaal toe haar niet te hebben aangeraakt; hij zou dat aanraken bewust hebben vermeden in verband met de toenmalige corona-situatie. Als de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep wordt voorgehouden dat zijn DNA is aangetroffen op de mouw van aangeefster, verklaart hij dat hij haar wel heeft aangeraakt, maar dat hij niet meer precies weet waar.

Het hof is van oordeel dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar is en voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal, tegenover de verklaringen van de verdachte, die wisselend van aard zijn.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de aanranding.

Voorwaardelijk verzoek

De raadsman heeft verzocht om, in geval het hof van oordeel is dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde en daarbij de NFI-rapportage wordt gebruikt als steunbewijs, een NRGD-deskundige op het gebied van DNA-onderzoek op activiteitenniveau te benoemen.

Het hof beoordeelt het onderhavige verzoek aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium. In de afweging of het doen van het DNA-onderzoek op activiteitenniveau noodzakelijk wordt geacht, heeft het hof het verzoek gewogen tegen de achtergrond van hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en in het licht van alle omstandigheden van het geval. Het hof gaat tegen de achtergrond van de voorliggende feiten en omstandigheden uit van een andere selectie en waardering van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen dan de verdediging. In die andere lezing van de feiten acht het hof zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht en is de noodzakelijkheid van het gevraagde onderzoek niet gebleken, nog los van de vraag of een nader DNA-onderzoek op activiteitenniveau, gelet op de vaststellingen van het hof, in voldoende mate zou kunnen bijdragen aan de onderbouwing van het standpunt van de verdachte dat hij aangeefster niet heeft aangerand. Het hof overweegt nog in het bijzonder dat de door de raadsman aangevoerde scenario’s voor het aantreffen van verdachtes DNA op de trui van aangeefster niet worden ondersteund door de politieverklaring van de verdachte zelf. Dat de verdachte – desgevraagd – eerst in hoger beroep een paar mogelijke aanrakingsmomenten heeft benoemd, brengt niet de noodzaak met zich tot nader onderzoek.

Het hof wijst het voorwaardelijk verzoek af.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 22 november 2020 te Amsterdam, door geweld, te weten het onverhoeds met kracht vast pakken en tegen de muur duwen, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten

- het onverhoeds vastpakken van de borsten van die [slachtoffer] en

- het knijpen in de borsten van die [slachtoffer] en

- het duwen van zijn tong in de mond van die [slachtoffer] .

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

1. Een proces-verbaal van aangifte met [nummer 3], in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, doorgenummerde bladzijden 3 tot en met 14.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer]:

Wij hebben op 22 november 2020 afgesproken in de [straat] voor zijn woning.

Hij pakte plots met zijn beide handen mijn borsten en duwde me met kracht tegen de muur aan. Ik voelde pijn aan mijn borsten, want hij gebruikte beide handen om me tegen de muur aan te duwen. Ik heb nu nog pijn aan mijn borsten en er zit ook een blauwe plek op.

Ik knalde echt tegen de muur aan met mijn hoofd. Hij deed zijn tong in mijn mond en ik probeerde hem weg te duwen. Dit ging lastig omdat hij dicht op me stond, waardoor ik geen kracht kon zetten. Ik draaide mijn hoofd weg en zei: 'Dit gaan we niet doen!' Hij kneep toen weer hard in mijn borsten en duwde me hard tegen de muur. Toen kwam er wat ruimte tussen ons in waardoor ik hem weg kon duwen. Hij pakte me toen stevig vast bij mijn bovenarmen en bewoog me richting het bed.

V: Je hebt een blauwe plek op je borst, na het informatieve gesprek heb ik je gevraagd om naar de huisarts te gaan, toen hebben ze gezegd dat je niet naar de huisarts kan hiervoor.

A: Ja, dat klopt.

Bijlage pagina 14: foto rood/blauwe verkleuring op linkerborst aangeefster.

2. Een proces-verbaal van getuigenverhoor met [nummer 1] , in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde bladzijden 25 tot en met 27.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [naam]:

[slachtoffer] belde me tweemaal. Ik nam op en toen zei ze: 'Oké want ik ben net aangerand tijdens de date.' Ze klonk heel kalm toen ze dit zei, dat viel me wel op. Ik schrok heel erg van wat ze zei. Ik dacht dat ze nog in shock was. Ik vroeg hoe het met haar ging, ze zei toen: 'Ja gaat wel, ik ben nu buiten, maar ik heb wel zere borsten.'

We hebben afgesproken. Ik vroeg of het ging, ze zei ja het gaat wel maar ik ben wel heel erg geschrokken. Ze vertelde dat ze een date had met een man en dat ze voor zijn woning hadden afgesproken, ze zouden buiten gaan wandelen. Toen ze er was vroeg hij of ze eerst koffie wilde drinken bij hem in de woning. Ze is toen mee naar binnen gegaan.

Hij duwde haar toen tegen de muur en heeft haar toen overal aangerand. Hij heeft heel hard in haar borsten geknepen en zijn tong in haar mond geduwd. Toen zei ze: 'Maar dat gaan we niet doen!'. Ze heeft toen stennis geschopt en haar schoenen aangetrokken en is de deur uit gegaan.

3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met [nummer 2] , in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde bladzijden 28 tot en met 36.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

V: Kunt u zich de dag 22 november 2020 nog herinneren?

A: Ik heb bezoek gehad.

V: Wie had u op bezoek?

A: Het was een date.

V: Kunt u ons wat meer vertellen over de date?

A: Het was met een persoon die ik had ontmoet op Tinder.

Op Tinder heette de vrouw [slachtoffer] of zo iets.

4. Een ander geschrift, te weten een rapport DNA-onderzoek naar aanleiding van een aangifte van aanranding in Amsterdam op 22 november 2020, doorgenummerde bladzijden 41 tot en met 45.

Tabel 4 Resultaten, interpretatie en conclusie van het (vergelijkend) DNA-onderzoek

SIN (omschrijving)

DNA kan afkomstig zijn van

Bewijskracht

AAML8623NL#01

(trui slachtoffer linker

arm bovenzijde)

minimaal drie personen:

- slachtoffer [slachtoffer] (zie toelichting 2)

- verdachte [verdachte]

- minimaal één onbekende persoon

- meer dan 1 miljard

- niet van toepassing

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, te vervangen door 75 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de aanranding van het slachtoffer, dat hij op Tinder had leren kennen en dat had binnengelaten in zijn woning. Daar heeft hij het slachtoffer met kracht bij de borsten gegrepen, hardhandig tegen de muur geduwd en zijn tong in haar mond geduwd, tegen de wil van het slachtoffer. Met zijn handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Hier komt bij dat het slachtoffer zich in de woning van de verdachte bevond, waardoor zij min of meer overgeleverd was aan de verdachte en zij geen hulp kon inschakelen. Het enkele feit dat een Tinder-match ermee instemt om de ander in persoon te ontmoeten, geeft die ander uiteraard geen enkele vrijbrief om de persoonlijke grenzen van die persoon dusdanig te overschrijden. Het hof rekent de verdachte dit aan.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 29 januari 2026 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld voor geweldsdelicten.

Het hof acht in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden passend en geboden. Het hof stelt echter vast dat bij de behandeling van de zaak in hoger beroep de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens met ongeveer 12 maanden is overschreden. Daarbij zij opgemerkt dat de strafzaak had kunnen worden afgedaan op 10 oktober 2025 indien de verdediging ter zitting van 26 september 2025 niet om aanhouding had verzocht vanwege een vertrouwensbreuk tussen de verdachte en zijn toenmalige raadsvrouw. Een en ander geeft het hof aanleiding om de op te leggen gevangenisstraf te matigen naar 3 maanden en 2 weken.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.938,59, bestaande uit € 438,59 ter zake materiële schade en

€ 1.500,00 ter zake immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig dient te worden toegewezen.

De raadsman heeft het gevorderde bedrag aan materiële en immateriële schade niet betwist.

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks de door haar gestelde en door de verdachte niet betwiste materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 438,59. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering plus rente zal worden toegewezen.

Immateriële schade

Daarnaast is het hof uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft opgelopen, te weten lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek. Het hof acht gelet op het dossier aannemelijk dat zij dientengevolge de rood/blauwe verkleuring op haar linkerborst en bovendien de door haar gestelde - met een huisartsjournaal toegelichte - (verergerde) pijnklachten aan haar nek heeft opgelopen. De verdachte heeft dit niet (voldoende) betwist.

Gegeven deze aanspraak komt het hof toe aan de begroting van de omvang van de immateriële schade ter zake van genoemd meervoudig letsel. Daartoe sluit het hof aan bij de Rotterdamse Schaal, paragraaf 13 - licht lichamelijk letsel - sub c, in samenhang met de Aanbevelingen van de rechtspraak voor de begroting van smartengeld (rechtspraak.nl). Naast de pijn en het ongemak van het letsel, neemt het hof in ogenschouw de door de benadeelde concreet met bewijsstukken toegelichte emotionele gevolgen en de noodzakelijke (o.a. EMDR) behandelingen die zij heeft moeten ondergaan als gevolg van de impact van de aanranding op haar welzijn, hetgeen de verdachte niet heeft betwist. Daarbij betrekt het hof de ernst van de verwijtbaarheid van de verdachte, die volgt uit de bewijsmiddelen.

Concluderend acht het hof, alles afwegend, de door de rechtbank toegewezen en ook in hoger beroep gevorderde € 1.500,00 aan smartengeld in de gegeven omstandigheden billijk. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering plus rente zal worden toegewezen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 63 en 246 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden en 2 (twee) weken.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.938,59 (duizend negenhonderdachtendertig euro en negenenvijftig cent), bestaande uit € 438,59 (vierhonderdachtendertig euro en negenenvijftig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.938,59 (duizend negenhonderdachtendertig euro en negenenvijftig cent), bestaande uit € 438,59 (vierhonderdachtendertig euro en negenenvijftig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 19 (negentien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 22 november 2020.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.J. van Eekeren, mr. H.A. van Eijk en mr. P.A.M. Mevis, in tegenwoordigheid van mr. S.K. van Eck, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 februari 2026.

Mr. Mevis is buiten staat het arrest te ondertekenen.

=========================================================================

proces-verbaal uitspraak

_______________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000566-23

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 26 februari 2026.

Tegenwoordig zijn:

mr. H.A. van Eijk, raadsheer,

B. Batman, griffier.

Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. M.M. Steinmetz, advocaat-generaal.

De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.

De verdachte is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

Raadsman/raadsvrouw is wel / niet aanwezig.

(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:

Tolk is wel / niet aanwezig. (zo ja:) naam tolk en taal:

De raadsheer spreekt het arrest uit.

De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld. (indien de VTE is verschenen)

De verdachte heeft wel / geen afstand gedaan van het recht aanwezig te zijn bij de uitspraak. (indien VTE in deze zaak is gedetineerd)

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.