Strafrecht overig
Bewezenverklaring mishandeling levensgezel. Oplegging taakstraf 40 uren voorwaardelijk, subsidiair 20 dagen…
ECLI:NL:GHAMS:2026:1973 · Gerechtshof Amsterdam · 26 februari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-1973
Zaakgegevens
Op 26 februari 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 26 februari 2026
- Datum publicatie
- 20 juli 2026
- Zaaknummer
- 23-000093-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:1973
Samenvatting
Bewezenverklaring mishandeling levensgezel. Oplegging taakstraf 40 uren voorwaardelijk, subsidiair 20 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
Uitspraak
Inhoudsopgave
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000093-25
datum uitspraak: 26 februari 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 7 januari 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-335363-24 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 25 september 2024 te [plaats] zijn echtgenote, mw. [slachtoffer], heeft mishandeld door die [slachtoffer]
- meermaals in de nek te knijpen en/of te grijpen en/of vast te houden en/of
- haar kleding tegen en/of langs haar nek (aan) te trekken, en/of
- meermaals tegen meubels en/of voorwerpen te duwen, en/of
- een doek in en/of tegen de mond te drukken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat in hoger beroep de tenlastelegging is gewijzigd.
Bewijsoverweging
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de mishandeling. Hiertoe voert zij aan dat uit de eerste verklaring van de aangeefster volgt dat zij in de nek is gegrepen. Uit de letselfoto’s volgt dat de verwondingen aan beide zijkanten en de voorzijde van hals zitten. Dit lijkt niet te zijn veroorzaakt door het trekken aan een trui; hiervoor moet kracht zijn gebruikt.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde mishandeling. Hiertoe voert hij aan dat de verdachte geen opzet heeft gehad op het toebrengen van pijn of letsel aan zijn echtgenote, maar enkel heeft willen voorkomen dat zij blootsvoets de woning zou verlaten.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het dossier volgt dat op 25 september 2024 in een elektronische berichtenuitwisseling onenigheid ontstond tussen de verdachte en de aangeefster (zijn echtgenote), omdat de verdachte contact zou hebben met een andere vrouw. Toen de verdachte daarna thuiskwam, escaleerde de ruzie.
Uit de aangifte volgt dat de verdachte aangeefster tegen de eettafel duwde. Toen zij richting de keuken wilde lopen, duwde hij haar telkens weg, waardoor zij besloot om via een andere deur naar buiten te lopen. De verdachte duwde haar weer een aantal malen, waardoor de aangeefster achterover viel op een bank. Op enig moment pakte de verdachte de kleding van aangeefster vast ter hoogte van haar nek en trok haar hard naar de grond. Aangeefster is naar de woonkamer gegaan en moest daar huilen, waarna de verdachte een kleed of deken in haar mond stopte. In de slaapkamer werd de ruzie voortgezet en daar werd aangeefster hard bij de nek gegrepen en op het bed gegooid.
De verdachte verklaart bij de politie dat aangeefster naar buiten wilde rennen en dat hij haar probeerde tegen te houden, door haar bij de trui vast te pakken en die niet los te laten. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat door de wrijving van de trui in de hals/nek van aangeefster de plekken bij haar nek moeten zijn ontstaan. Hij ontkent de keel van aangeefster te hebben dichtgeknepen. Over het duwen heeft de verdachte verklaard dat hij aangeefster enkel tegen de schouder in een ‘fluffy’ stoel heeft geduwd, wat geen pijn kan hebben gedaan. Hij heeft een kleed of deken in of tegen haar mond gehouden omdat ze hard gilde; dat gillen wilde verdachte stoppen vanwege de op dat moment in de woning aanwezige kinderen.
Op basis van de aangifte en de foto’s van het letsel op aangeefsters heup, oog, arm en de hals/nek
acht het hof aangeefsters lezing veel waarschijnlijker dan de lezing van de verdachte. Het hof acht de kans verwaarloosbaar dat het letsel in de nek/hals is veroorzaakt door het enkel vasthouden van de trui van aangeefster. Uit de aangifte, waarvan het hof dan ook zal uitgaan, volgt dat de verdachte aangeefster hard bij de nek/hals heeft gegrepen en een aantal malen heeft geduwd, wat meebrengt dat de verdachte tijdens het incident minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het bij aangeefster toebrengen van pijn en/of letsel in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof acht dus wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van zijn levensgezel.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 25 september 2024 te [plaats] zijn echtgenote, mw. [slachtoffer], heeft mishandeld door die [slachtoffer]
- meermaals in de nek te grijpen en vast te houden en
- te duwen en
- een doek tegen de mond te drukken.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, waarvan 20 uren subsidiair 10 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, waarvan 20 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde dan wel dat hem een geheel voorwaardelijke straf wordt opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn echtgenote, door haar bij de nek te grijpen, te duwen en een doek tegen de mond te drukken. Er is sprake van een escalatie in de echtelijke woning. Met zijn handelen heeft de verdachte daarmee de lichamelijke integriteit en het gevoel van veiligheid van het slachtoffer, dat zij in haar woning en bij haar echtgenoot moet kunnen hebben, aangetast. Op het moment van de mishandeling bevonden zich bovendien de twee jonge kinderen van de verdachte en het slachtoffer in de woning.
Uit de reclasseringsrapportage van Fivoor van 17 december 2024 volgt dat het gezin op dat moment hulp ontving van de Blijf Groep, die nog enige tijd bij het gezin betrokken is geweest. Inmiddels heeft het gezin zelf (andere) hulpverlening ingeschakeld, waardoor de ouders beter met elkaar leren communiceren en problemen op een andere wijze worden opgelost. Deze hulpverlening zal nog enige tijd aan het gezin verbonden blijven.
Gelet op het feit dat er geen andere feiten op het strafblad van de verdachte staan, er zich sinds de onderhavige zaak geen incidenten in het gezin lijken te hebben voorgedaan en de verdachte en het slachtoffer zelf hulpverlening hebben ingeschakeld waarmee ze actief aan hun problemen werken, kan worden volstaan met een geheel voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur, als waarschuwend signaal aan de verdachte.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.J. van Eekeren, mr. H.A. van Eijk en mr. P.A.M. Mevis, in tegenwoordigheid van mr. S.K. van Eck, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 februari 2026.
Mr. Mevis is buiten staat het arrest te ondertekenen.