Strafrecht overig
Bewezenverklaring medeplegen poging veroorzaken ontploffing en brand. Wisselende verklaringen afgelegd door…
ECLI:NL:GHAMS:2026:2066 · Gerechtshof Amsterdam · 16 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2066
Zaakgegevens
Op 16 juli 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 16 juli 2026
- Datum publicatie
- 28 juli 2026
- Zaaknummer
- 23-002282-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2066
Samenvatting
Bewezenverklaring medeplegen poging veroorzaken ontploffing en brand. Wisselende verklaringen afgelegd door de (mede)verdachte(n) en de verklaring van de verdachte wordt dan ook ongeloofwaardig geacht. Het hof gaat er vanuit dat het van meet af aan de bedoeling was dat een ontploffing en brandstichting zou worden veroorzaakt en dat dit plan onderweg naar de plaats delict niet is gewijzigd. Anders dan de rechtbank oordeelt het hof dat wel sprake is van een begin van uitvoering. Dat de lonten van de vuurwerk-brandstof-combinaties nog niet waren aangestoken en dat niet is vastgesteld dat de medeverdachte een aansteker of andere vuurbron bij zich had, doet hier niet aan af. Overweging m.b.t. medeplegen. Oplegging deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Geen taakstraf i.v.m. art. 63 Sr. Vordering bp afgewezen, wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag.
Procesgang
Rechtbank Noord-Holland · 23 september 2025
ECLI:NL:RBNHO:2025:10892Gerechtshof Amsterdam · 16 juli 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHAMS:2026:2066
Overig
Uitspraak
Inhoudsopgave
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002282-25
datum uitspraak: 16 juli 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 23 september 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-051055-24 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 2005,
adres: [adres 1] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 4 februari 2024 te Alkmaar, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing te weeg te brengen en/of brand te stichten, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand gelegen aan de [adres 2] en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen en/of,
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in voornoemde panden en/of (een) passant(en) en/of hulpverleners te duchten was met dat opzet
- met een of meer anderen met een auto naar Alkmaar is gereden en/of (vervolgens)
- een of meerdere zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie(s), te weten (een fles met) snel ontbrandende vloeistof en/of een (daar aan vastgemaakt) explosief (een cobra 6) mee heeft genomen en/of (vervolgens)
- naar de woning aan de [adres 2] is gelopen en/of (vervolgens)
- deze vuurwerk-brandstof-combinatie(s) voor de deur van voornoemd pand heeft neergezet,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
een of meer anderen op of omstreeks 4 februari 2024 te Alkmaar, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing te weeg te brengen en/of brand te stichten, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand gelegen aan de [adres 2] en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen en/of,
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in voornoemde panden en/of (een) passant(en) en/of hulpverleners te duchten was met dat opzet
- met een of meer anderen met een auto naar Alkmaar is gereden en/of (vervolgens)
- een of meerdere zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie(s), te weten (een fles met) snel ontbrandende vloeistof en/of een (daar aan vastgemaakt) explosief (een cobra 6) mee heeft genomen en/of (vervolgens)
- naar de woning aan de [adres 2] is gelopen en/of (vervolgens)
- deze vuurwerk-brandstof-combinatie voor de voordeur van voornoemd pand neergezet, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
bij het plegen van welk voorgenomen misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door
- het plan van aanpak en/of de wijze van communicatie (mede) te bepalen/af te stemmen/te coördineren en/of het doorgeven van informatie/instructies en/of
- een of meer personen te zoeken/benaderen voor de uitvoering van de voornoemde (poging tot) brandstichting en/of het teweegbrengen van de ontploffing en/of
- op zoek te gaan naar en/of het (al dan niet door tussenkomst van anderen) verstrekken van cobra's/explosieven ten behoeve van de voornoemde (poging tot) brandstichting en/of het teweegbrengen van de ontploffing.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.
Bewijsoverweging en bespreking van de verweren
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig haar requisitoir – gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig zijn pleitnotities – primair op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een begin van een uitvoering van het teweegbrengen van een ontploffing of brandstichting. Daartoe heeft hij – kort gezegd – aangevoerd dat de medeverdachten het aanvankelijke plan om een ontploffing of brandstichting te veroorzaken voor aankomst bij de betreffende woning hadden gewijzigd en beperkt tot het neerzetten van de voorwerpen en het maken van bewijs daarvan (in het kader van een bedreiging). Dit wordt ondersteund door meerdere objectieve omstandigheden. Daarnaast kunnen de handelingen van de verdachte niet als die van een medepleger en ook niet als die van een medeplichtige worden aangemerkt. De verdachte was slechts een tussenpersoon en zijn bijdrage bestond uitsluitend uit het doorgeven van informatie, aldus de raadsman. De verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het primaire en subsidiaire feit.
De raadsman heeft vervolgens in geval van een bewezenverklaring van een poging zich ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde (de medeplichtigheid) gerefereerd aan het oordeel van het hof. Tot slot heeft de raadsman betoogd dat uit het dossier niet volgt dat in het geval van een ontploffing sprake zou zijn geweest van levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en), zodat de verdachte van dat deel van de tenlastelegging partieel moet worden vrijgesproken.
Feiten en omstandigheden
Het hof stelt op grond van de inhoud van het dossier en wat ter zitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.
De verdachte heeft op 2 februari 2024 aan [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) de opdracht gegeven om tegen betaling vuurwerk-brandstof-combinaties (hierna: VBC’s) bij een woning in Alkmaar te plaatsen. [medeverdachte 1] heeft deze opdracht aanvaard en heeft daarop [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) ingeschakeld als uitvoerder. [medeverdachte 2] heeft zich tegen betaling bereid verklaard de VBC’s voor de woning te plaatsen. [medeverdachte 1] heeft met [medeverdachte 2] via Snapchat gecommuniceerd over het verkrijgen van materialen voor de VBC’s. De verdachte heeft [medeverdachte 1] via Snapchat laten weten waar hij cobra’s kon ophalen.
Op 4 februari 2024 heeft [medeverdachte 1] de cobra’s vervolgens opgehaald in Amsterdam waarna hij eigenhandig twee cobra’s aan twee flessen wasbenzine heeft vastgeplakt. Diezelfde avond heeft [medeverdachte 1] met zijn auto [medeverdachte 2] opgehaald in Utrecht. De VBC’s bevonden zich in een plastic tas in de auto. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn vervolgens samen naar Alkmaar gereden. Bij aankomst is [medeverdachte 2] met een tas met daarin de VBC’s naar de voordeur van de [adres 2] gelopen. Hij heeft vervolgens de twee VBC’s voor de voordeur neergezet. Op dat moment reed de politie de straat in. [medeverdachte 2] zag de politie en rende weg.
Verklaringen van de verdachten
[medeverdachte 2] verklaarde bij zijn eerste politieverhoor dat het de bedoeling was om de VBC’s neer te leggen en niet om deze tot een ontploffing te brengen.
[medeverdachte 1] verklaarde als getuige in de zaak van [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris (hierna: [medeverdachte 2] ) dat hij iemand moest afzetten om brandstichting te veroorzaken. Hij heeft het van tevoren met die andere jongen (het hof begrijpt: [medeverdachte 2]) erover gehad wat er precies moest gebeuren, dat van hen verwacht werd dat ze brand zouden stichten. Ze hadden een tas met spullen. Die moesten ze bij de voordeur zetten en dan de lont van de Cobra aansteken. Bij aankomst hadden zij ieder hun eigen plan getrokken. Hij verklaarde ook dat [medeverdachte 2] van gedachten was veranderd.
De verdachte verklaarde bij zijn tweede politieverhoor dat zij een explosief zouden plaatsen. Bij zijn derde politieverhoor verklaarde hij dat het de bedoeling was om een ontploffing teweeg te brengen, waarbij [medeverdachte 1] als chauffeur zou fungeren en [medeverdachte 2] de VBC’s zou aansteken. Ook ter terechtzitting in eerste aanleg verklaarde hij dat het de bedoeling was om een ontploffing teweeg te brengen. Hij verklaarde voorts dat hij met [medeverdachte 1] in de auto had gezeten en dat ze toen op het idee kwamen om de VBC’s niet aan te steken en een foto te maken zodra ze bij het betreffende adres geplaatst waren.
Het hof merkt op dat de verdachte in de loop der tijd wisselende en (onderling) tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd over het aanvankelijke plan en de wijziging van dat plan. Dit draagt niet bij aan de betrouwbaarheid van die verklaringen.
Daarnaast heeft de verdachte pas over een wijziging van het plan gesproken, nadat hij kennis droeg van de verklaringen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Het hof acht het aannemelijk dat de verdachte zijn verklaring heeft geprobeerd af te stemmen op die van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Hierbij betrekt het hof in het bijzonder de inhoud van de chatgesprekken die de verdachten over en weer met elkaar hebben gevoerd die avond. Daaruit blijkt geenszins van het wijzigen van het plan (of op een opdracht tot het plaatsen van VBC’s, zonder die aan te steken), integendeel. Het hof acht de verklaringen van de verdachten, namelijk dat zij op voorhand hadden besloten de VBC’s alleen voor de woning te plaatsen, dan ook ongeloofwaardig en schuift deze terzijde.
Uit het voorgaande leidt het hof af dat het van meet af aan de bedoeling was dat een ontploffing en brandstichting zou plaatsvinden en dat dit plan onderweg naar de plaats delict niet is gewijzigd.
Begin van uitvoering
Voor een strafbare poging tot het plegen van een misdrijf is vereist dat het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Volgens de Hoge Raad is sprake van een begin van uitvoering indien de door de verdachte verrichte gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate waren gericht op de voltooiing van het misdrijf. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is geweest van een begin van uitvoering, komt het aan op de feiten en omstandigheden van het concreet voorliggende geval. Een belangrijke beoordelingsfactor daarbij is hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. Verder kan het bij een poging gaan om een samenstel van gedragingen, met inbegrip van die van eventuele andere deelnemers. De aard van het misdrijf kan van belang zijn, maar niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld.
Het hof komt – anders dan de rechtbank – tot het oordeel dat sprake is geweest van een begin van uitvoering en overweegt daartoe als volgt.
In een chatgesprek dat de verdachte op 4 februari om 19:53 uur met [medeverdachte 1] voerde, is te zien dat de verdachte hem een screenshot stuurde met de tekst: “ [adres 3] achternaam [persoon] moeten ze zoeken en daar laaien”. De verdachte heeft verklaard dat met ‘laaien’ werd bedoeld: uitvoeren, tot ontploffing brengen.
[medeverdachte 1] heeft – vier dagen na het plegen van het tenlastegelegde – bij de rechter-commissaris verklaard dat hij “wel wist dat er iets in de fik gestoken zou worden”. De verdachte heeft kort daarna tegenover de politie verklaard dat [medeverdachte 1] de “driver zou zijn” en [medeverdachte 2] “zou het aansteken”. Deze verklaringen sluiten onmiskenbaar aan bij de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden. Uit het dossier blijkt ook dat de opdracht in eerste instantie voor een woning aan de [adres 3] gold, dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] daar in de buurt een tijd hebben staan wachten en dat zij vervolgens de opdracht kregen naar de [adres 2] te gaan. Zoals hierboven is overwogen, gaat het hof voorbij aan de verklaring van de verdachte en die van zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dat zij de bedoeling hadden om de VBC’s enkel neer te leggen. Het hof gaat ervan uit dat zij de VBC’s voor de woning aan de [adres 2] wilden plaatsen en deze tot ontploffing wilden brengen. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn met dit doel met de auto en de plastic tas met de geprepareerde VBC’s naar Alkmaar afgereisd. [medeverdachte 2] is met de tas met de VBC’s naar de woning aan de [adres 2] toegelopen. Al lopend pakte hij met zijn linkerhand iets uit de tas, bukte hij voor de deur en zette hij daar iets neer. Vervolgens zette hij nog iets neer en pakte hij, nog steeds gebukt, opnieuw de tas, zette deze tussen zijn benen en keek toen achter zich. Op dat moment reed de politie de straat in. [medeverdachte 2] hoorde een auto, zag de politie en rende weg. Deze handelingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate gericht op de voltooiing van het misdrijf. De gedragingen van [medeverdachte 2] lagen in tijd en plaats heel dicht bij de voltooiing van het misdrijf en [medeverdachte 2] zou het misdrijf hebben voltooid als hij niet was gestoord door de politie. Dat de lonten van de VBC’s nog niet waren aangestoken en dat niet is vastgesteld dat [medeverdachte 2] een aansteker of andere vuurbron bij zich had, doet hier niet aan af.
Medeplegen
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Uit het dossier leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het primair tenlastegelegde het volgende af.
Op de telefoon van [medeverdachte 1] is te zien dat hij een chatgesprek voerde met “ [verdachte] ”, zijnde het Snapchataccount van de verdachte. In dit chatgesprek worden diverse (scherm)afbeeldingen met elkaar gedeeld. Op 2 februari 2024 stuurt de verdachte twee afbeeldingen (hierna: afbeelding 2 en afbeelding 3) naar [medeverdachte 1] . Op afbeelding 2 is een deel van een blanke hand zichtbaar die meerdere stapels 50 euro bankbiljetten vasthoudt. Op afbeelding 3 is een grotendeels zwartkleurig vlak zichtbaar, met daarin de tekst “2 ossos Alkmaar c6 met benzine bomme”.
Op de telefoon van [medeverdachte 1] worden op 4 februari 2024 rond 16:36 uur berichten ontvangen van een account met de naam “ [medeverdachte 1] . De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg bekend dat hij “ [medeverdachte 1] is. De verdachte stuurt [medeverdachte 1] berichten zoals “Ey je moet niet te laat gaan zegt hij. Rond 21:00 euro die shit doen En download Signal!”. Om 00:41:09 uur schrijft de verdachte aan [medeverdachte 1] dat ze op de sms moeten praten. Vervolgens wordt een screenshot gemaakt op de telefoon van de verdachte met daarop drie berichten van [medeverdachte 1] waarop te lezen is: “Off die berichten kan van te voren een proces. Maar die p moet omhoog Stel ik kan het regelen kan het door gaan”. Om 01:56 uur wordt een screenshot gemaakt op de telefoon van de verdachte van een chatbericht van “ [medeverdachte 1] ” dat gaat over een cobra en een flesje benzine tegen de deur.
Om 01:58 uur wordt een screenshot gemaakt op de telefoon van de verdachte van een chatbericht van “ [medeverdachte 1] ” waarin “ [medeverdachte 1] ” zegt dat als er vanavond een filmpje is gemaakt, gelijk de “pap” (geld) opgehaald kan worden.
Om 02:06 uur zegt de verdachte tegen [medeverdachte 1] dat hij het hem morgen laat weten, dat hij het adres heeft en dat hij het naar [medeverdachte 1] “send”. De verdachte zegt vervolgens ook dat [medeverdachte 1] alle berichten op sms moet verwijderen. Om 14:17 uur zegt de verdachte tegen [medeverdachte 1] dat het “momenteel niet de shit is waar je (het hof begrijpt: [medeverdachte 1]) zich druk om moet maken en hij vraagt hem of hij die cobra heeft kunnen regelen.
Om 19:53 uur verstuurt de verdachte een afbeelding door aan [medeverdachte 1] . Op deze afbeelding staat de volgende tekst: “ [adres 3] achternaam [persoon] moeten ze zoeken en dan daar laaien”. Om 20:34 uur zegt de verdachte tegen [medeverdachte 1] “Neem jullie tijd en wees op je hoede b Succes (hart emoticons)”. Ongeveer twee uur later, om 22:39:30 uur verstuurt de verdachte een afbeelding naar [medeverdachte 1] waarop “ [medeverdachte 1] ” instructies lijkt te geven. Op de afbeelding staat “Gwn waggie voor deur zetten beste dan plakken op raam driver filmt gassen erop en naar de buurt”.
Tot slot heeft de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij [medeverdachte 1] heeft benaderd en hem de opdracht (het hof begrijpt: de opdracht tot het plaatsen van de VBC’s en die tot ontploffing laten brengen) heeft gegeven. De fles met wasbenzine en de tas waarin de VBC’s zaten heeft hij ook in handen gehad. Ook heeft hij verklaard dat hij medeverantwoordelijk is geweest.
Uit het voorgaande blijkt dat de verdachte een sturende en essentiële rol heeft gespeeld in de uitvoering van de poging tot ontploffing en brandstichting. Hij wist van het plan en heeft bij [medeverdachte 1] de opdracht uitgezet, stuurde instructies en informatie van “ [medeverdachte 1] ” door en gaf zelf ook instructies, zoals het verwijderen van sms- berichten en het downloaden van Signal, en onderhield continu contact met [medeverdachte 1] enerzijds en “ [medeverdachte 1] ” anderzijds. Hij was daarmee een essentiële schakel voor de uitvoering van de opdracht. Gelet op deze feiten en omstandigheden is sprake van een dusdanige nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten dat sprake is van medeplegen.
Gevaarzetting
Het hof is van oordeel dat in het geval van ontploffing van de VBC’s bij de woning aan de [adres 2] sprake zou zijn geweest van gemeen gevaar voor goederen, namelijk materiële schade aan die woning en/of aangrenzende woningen.
Het hof acht niet bewezen dat ook sprake zou zijn geweest van gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar. De woning aan de [adres 2] was immers reeds door de burgemeester gesloten en in de nacht van 3 op 4 februari 2024 was dan ook niemand in de woning aanwezig. Uit het dossier wordt verder niet duidelijk of de bewoners van nabijgelegen woningen thuis waren en, zo ja, waar zij zich bevonden op het moment van plaatsen van de VCB’s bij de woning aan de [adres 2] . Evenmin volgt uit het dossier of zich nog andere personen in de (directe) omgeving van de woning bevonden.
De verdachte zal daarom van dit onderdeel van het primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.
Conclusie
Al het voorgaande brengt het hof tot de slotsom dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
primair
hij op 4 februari 2024 te Alkmaar, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing te weeg te brengen en brand te stichten, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand gelegen aan de [adres 2] en aangrenzende panden en de in voornoemde panden aanwezige goederen te duchten was met dat opzet
- met anderen met een auto naar Alkmaar is gereden en vervolgens
- meerdere zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinaties, te weten een fles met snel ontbrandende vloeistof en een daaraan vastgemaakt explosief (een cobra 6) mee heeft genomen en vervolgens
- naar de woning aan de [adres 2] is gelopen en vervolgens
- deze vuurwerk-brandstof-combinaties voor de deur van voornoemd pand heeft neergezet,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van poging tot opzettelijk brandstichten en een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
Strafbaarheid van de verdachte
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte ten aanzien van het primair en subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 365 dagen, waarvan 319 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaren. Zij heeft daarbij ook de oplegging van de door de rechtbank opgelegde bijzondere voorwaarden gevorderd.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep in geval van een bewezenverklaring verzocht om het jeugdstrafrecht toe te passen en rekening te houden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De raadsman heeft bepleit dat de verdachte niet opnieuw gedetineerd moet raken. Het is van belang dat de verdachte door kan gaan met zijn school en de hem in een andere strafzaak opgelegde bijzondere voorwaarden.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich als medepleger schuldig gemaakt aan een poging om een ontploffing en brand te veroorzaken bij een woning in Alkmaar. De verdachte en de medeverdachten zouden twee VBC’s bij een woning neerleggen en deze tot een ontploffing laten brengen. De verdachte heeft hierbij een aansturende rol gehad. Het is aan waakzaam en alert optreden van de politie te danken dat het niet daadwerkelijk tot een explosie is gekomen. Dit feit is begaan in een periode waarin bij meerdere woningen in Alkmaar ontploffingen plaatsvonden. Dergelijke incidenten hebben een enorme impact op de direct betrokkenen en omwonenden, maar ook meer in het algemeen op de stad Alkmaar en haar inwoners. Onder andere tijdens bewonersbijeenkomsten is gebleken dat veel inwoners erg bang zijn. Dit soort feiten leiden tot ernstige gevoelens van onrust en onveiligheid en maken een grote inbreuk op de rechtsorde. Als gevolg van de ontploffingen en pogingen daartoe zijn meerdere locaties in Alkmaar aangewezen als veiligheidsrisicogebied en is ingezet op permanent cameratoezicht op en observatie van de betreffende woningen. Dit gold ook voor de woning aan de [adres 2]. Alle daarmee samenhangende hoge kosten komen voor rekening van de samenleving. De verdachte heeft met zijn gedrag aan deze gevoelens van onveiligheid een bijdrage geleverd. Daarbij heeft hij zich laten leiden door geldelijk gewin, met grove veronachtzaming van de voor de hand liggende belangen en gevoelens van de bewoners van de betreffende woning, omwonenden en overige inwoners van Alkmaar.
Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft het hof kennisgenomen van het rapport van de reclassering van 3 september 2025, een e-mail van de reclassering van 16 juni 2026 en van wat de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht.
Het hof ziet geen aanleiding af te wijken van het advies van de reclassering om het volwassenenstrafrecht toe te passen en ziet in (hetgeen door de raadsman is gesteld over) de persoonlijkheid van de verdachte evenmin aanleiding voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Ook de omstandigheden waaronder het feit is begaan geven daartoe geen aanleiding. Het hof zal daarom anders dan door de raadsman en advocaat-generaal verzocht geen toepassing geven aan artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht en dus het reguliere volwassenenstrafrecht toepassen.
Gelet op de ernst van het feit acht het hof de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend en geboden. Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Dat sprake is geweest van een poging, waarbij enkel gevaar voor goederen is ontstaan, betrekt het hof in strafmatigende zin mee.
Alles afwegende acht het hof een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Het hof houdt ook rekening met het bepaalde in artikel 63 Sr en zal om die reden daarnaast geen taakstraf opleggen, wat gelet op de ernst van het feit in beginsel wel in de rede lag. Voor het opleggen van een contactverbod met de medeverdachten en een gebiedsverbod voor heel Alkmaar ziet het hof, mede gelet op het tijdsverloop sinds het bewezenverklaarde, onvoldoende aanleiding.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.000,00, bestaande uit immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep eveneens verzocht om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
Het hof overweegt als volgt, waarbij het zich grotendeels aansluit bij de overweging van de rechtbank.
De wet geeft slechts in bepaalde gevallen recht op vergoeding van immateriële schade, zoals geregeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Als – voor zover hier van belang – bij een benadeelde partij geen sprake is van lichamelijk letsel of van schade in zijn eer of goede naam, dient de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in zijn persoon te zijn aangetast, wil zij aanspraak kunnen maken op vergoeding van immateriële schade. Van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Voor het aannemen van een persoonsaantasting is niet voldoende dat sprake is geweest van meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Nu bij de benadeelde partij geen sprake is van lichamelijk letsel of van aantasting in zijn eer of goede naam, dient voor toewijzing van de vordering vastgesteld te worden dat de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast.
In het onderhavige geval heeft de benadeelde partij geen objectieve gegevens overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van geestelijk letsel als gevolg van het bewezenverklaarde feit. Om die reden moet het hof kijken naar de aard en ernst van de normschending én de aard en de ernst van de gevolgen.
Hoewel goed invoelbaar is dat het bewezenverklaarde feit gevoelens van angst en onveiligheid heeft veroorzaakt bij de benadeelde partij, kan niet worden vastgesteld dat de aard van de normschending door de verdachte (een poging tot het teweegbrengen van een ontploffing bij een woning van de benadeelde partij) in het licht van de concrete omstandigheden van deze zaak (waarbij in ieder geval ook relevant is dat die woning reeds eerder was gesloten in verband met vergelijkbare incidenten) meebrengt dat psychisch letsel of andere schade als gevolg van het handelen door de verdachte zozeer voor de hand ligt dat schade in de vorm van een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Voor zover dus al sprake is van schade in de vorm van aantasting in de persoon op andere wijze, staat niet vast die schade in zijn gehele omvang het gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij heeft noch in eerste aanleg noch in hoger beroep concrete stukken overgelegd of nadere toelichting gegeven waaruit blijkt dat hij schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde. Dit had ter ondersteuning van zijn – summier onderbouwde en bovendien in beide instanties betwiste – stelling, wel op zijn weg gelegen.
Dat betekent dat er in deze zaak voor toewijzing van hetgeen is gevorderd geen wettelijke grondslag is. De vordering zal dan ook worden afgewezen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 47, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 100 (honderd) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 54 (vierenvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot schadevergoeding af.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.A.E. van Noort, mr. C.J. van der Wilt en mr. S.C.C. Hes-Bakkeren, in tegenwoordigheid van mr. C.E. Dongelmans, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 juli 2026.
De oudste en jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.