Strafrecht overig

Winkeldiefstal, overtreden verblijfverbod en binnentreden supermarkt terwijl hem een winkelontzegging was…

Zaakgegevens

Op 6 maart 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
6 maart 2026
Datum publicatie
28 juli 2026
Zaaknummer
23-001109-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2091
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Winkeldiefstal, overtreden verblijfverbod en binnentreden supermarkt terwijl hem een winkelontzegging was opgelegd en uitgereikt. Bevestiging vonnis, nadere overweging t.a.v. oplegging ISD maatregel.

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001109-25

datum uitspraak: 6 maart 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 mei 2025 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-014001-25 (hierna: zaak A), 13-195953-24 (hierna: zaak B) en 13-407717-24 (hierna: zaak C), alsmede 13-293077-23 (TUL), 13-287565-23 (TUL), 13-249722-23 (TUL), 13-195012-24 (TUL) en 13-088828-23 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,

thans gedetineerd in [gevangenis].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof het vonnis aanvult met een nadere overweging ten aanzien van het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel).

Aanvullende overweging ten aanzien van het opleggen van de ISD-maatregel

De raadsman heeft, overeenkomstig zijn pleitnotities, ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de ISD-maatregel niet op te leggen en heeft verzocht te kiezen voor een strafmodaliteit waarbij de verdachte onder toezicht kan werken aan een structurele vestiging in Limburg, eventueel in combinatie met een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden. Deze strafoplegging doet meer recht aan zowel de proportionaliteit als subsidiariteit dan voortzetting van een langdurige vrijheidsbeneming, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de oplegging van de ISD-maatregel aan de verdachte geboden is. Aan de voorwaarden voor oplegging van een ISD-maatregel is voldaan. In hoger beroep is op 2 februari 2026 een aanvullend reclasseringsadvies opgesteld. In het advies staat dat de verdachte zich in detentie niet heeft ingezet om stabiliteit in de leefomstandigheden te creëren. Hij neemt zijn middelenproblematiek niet serieus: hij blijft de regels overtreden door verdovende middelen te gebruiken en bagatelliseert de ernst daarvan. De verdachte heeft de afgelopen anderhalf jaar ook geen toenadering gezocht richting enige vorm van hulpverlening. De reclassering spreekt over een onveranderde situatie en ziet onvoldoende redenen om aan te nemen dat de verdachte zich in het vervolg gaat conformeren aan een reclasseringstoezicht. Zowel in het reclasseringsadvies van 4 april 2025 als het voormelde aanvullende advies wordt geadviseerd om aan de verdachte de ISD-maatregel op te leggen. Mede gelet op deze laatste stand van zaken, ziet het hof in hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht geen aanleiding een andere straf of maatregel dan de ISD-maatregel op te leggen.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.E. Kwak, mr. M. Iedema en mr. A.C. Bijlsma, in tegenwoordigheid van mr. R.M. ter Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 maart 2026.