Strafrecht overig

Op grond van de bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, tezamen en in…

Zaakgegevens

Op 18 februari 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
18 februari 2026
Datum publicatie
28 juli 2026
Zaaknummer
23-001817-23
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2092
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Op grond van de bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, tezamen en in vereniging met zijn broers, de aangever meermalen heeft geslagen, geschopt en knietjes heeft gegeven. Medeplegen poging zware mishandeling. Geen sprake van een noodweersituatie, dus beroep op noodweer(exces) wordt verworpen. Constatering redelijke termijn overschrijding. Oplegging GS gelijk aan duur voorarrest en taakstraf van 30 uren. Vordering bp.

Procesgang

  1. Rechtbank Noord-Holland · 13 juni 2023

    ECLI:NL:RBNHO:2023:6279
  2. Gerechtshof Amsterdam · 18 februari 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHAMS:2026:2092

    Overig

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001817-23

datum uitspraak: 18 februari 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 13 juni 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-254744-21 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1994,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

primair
hij op een of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks 20 september 2021 te Zaandam, gemeente Zaanstad, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (telkens) met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, naar die [slachtoffer] is/zijn toegelopen, waarna hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) die [slachtoffer] (telkens) een en/of meermalen (krachtig):

- heeft/hebben geslagen en/of gestompt in/tegen het gezicht en/of tegen het hoofd en/of elders tegen het lichaam en/of

- knietje(s) heeft/hebben gegeven tegen het hoofd en/of tegen de buik en/of elders tegen het lichaam en/of

- heeft/hebben geschopt tegen de buik en/of elders tegen het lichaam,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair
hij op een of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks 20 september 2021 te Zaandam, gemeente Zaanstad, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft mishandeld door voornoemde persoon (telkens) een en/of meermalen (krachtig):

- te slaan en/of te stompen in/tegen het gezicht en/of tegen het hoofd en/of elders tegen het lichaam en/of - knietje(s) te gegeven tegen het hoofd en/of tegen de buik en/of elders tegen het lichaam en/of

- te trappen en/of te schoppen tegen de buik en/of elders tegen het lichaam.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, nu het hof tot andere beslissingen komt.

Bewijsoverweging primaire feit

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair verzocht de verdachte van zowel het primaire als het subsidiaire tenlastegelegde feit vrij te spreken, wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Daarbij heeft de raadsman – kort gezegd – gewezen op de grote hoeveelheid verschillende getuigenverklaringen die zijn afgelegd en op de niet op voorhand onaannemelijke verklaring van de verdachte zelf. Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat in ieder geval geen sprake is van medeplegen.

Het hof overweegt als volgt, waarbij het grotendeels aansluit bij de overwegingen van de rechtbank.

Op grond van de bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, tezamen en in vereniging met zijn broers, de aangever meermalen heeft geslagen, geschopt en knietjes heeft gegeven. Deze geweldshandelingen zijn begonnen door de broers van de verdachte en de verdachte heeft

zich daar vervolgens in gemengd. Uit de bewijsmiddelen blijkt ook duidelijk dat de verdachte vanaf het eerste moment dat hij aankwam bij de vechtpartij tussen zijn twee broers en de aangever een actieve rol heeft gespeeld bij de mishandeling, door de aangever meteen te slaan. Het door de verdachte geschetste alternatieve scenario inhoudende dat hij naar de vechtpartij kwam gerend om de aangever te helpen, dat hij zou hebben ingegrepen, dat hij daarbij een klap van de aangever kreeg waarna hij hem één of twee klappen terug heeft gegeven, dat hij vervolgens zijn broers zou hebben weggeduwd en de aangever de flat in zou hebben begeleid, acht het hof niet aannemelijk.

Daarbij hecht het hof doorslaggevende waarde aan de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] , die alle drie verklaren over de actieve rol van de verdachte in de mishandeling. Uit die verklaringen kan worden afgeleid dat de verdachte en zijn broers in de uitvoering van de mishandeling volledig, nauw en bewust samenwerkten, waardoor sprake is van medeplegen.

Ten aanzien van de hiervoor genoemde gewelddadige handelingen tegen de aangever overweegt het hof dat de verdachte en zijn broers de aangever meermalen met kracht hebben geslagen en geschopt tegen het lichaam. De aangever is naar de grond gegaan en is korte tijd buiten bewustzijn geweest. Dat de verdachte en zijn broers de aangever heel hard moeten hebben geslagen wordt ondersteund door de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 3] , die hebben verklaard dat zij de vuistslagen vanaf een afstand zelfs konden horen. De verdachte en zijn broers hebben met zijn drieën veelvuldig gericht tegen het hoofd van de aangever geslagen en zijn hier langdurig mee door gegaan. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd (met de daarin gelegen hersenen en andere organen) kwetsbaar is en dat letsel daaraan al snel ernstig is en vergaande gevolgen voor het slachtoffer kan hebben. Gelet op het vastgestelde letsel bij de aangever, waaronder een fractuur aan de oogkas, een hersenschudding en een voorhoofdwond, gaat het hof ervan uit dat deze harde klappen onder meer op zijn hoofd zijn terechtgekomen. Het hof is van oordeel dat de verdachte door deze handelingen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij aangever zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen.

Het hof komt hiermee – met de rechtbank en de advocaat-generaal – tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair
hij op 20 september 2021 te Zaandam, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, naar die [slachtoffer] is toegelopen, waarna hij, verdachte en een of meer van zijn mededaders die [slachtoffer] meermalen (krachtig):

- hebben geslagen tegen het gezicht en tegen het hoofd en elders tegen het lichaam en

- knietjes hebben gegeven tegen het lichaam en

- hebben geschopt tegen het lichaam,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

Bespreking van het beroep op noodweer(exces)

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op noodweer(exces) toekomt. De verdachte werd geconfronteerd met een gevecht waarin zijn twee broers betrokken waren en aan welke situatie hij een einde wilde maken. De verdachte werd daarbij aangevallen door de aangever. Door de klap die hij van de aangever heeft gekregen was sprake

van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het eigen lijf of dat van een ander,

waartegen de verdachte zich noodzakelijkerwijs diende te verdedigen, aldus de raadsman.

Het hof overweegt, grotendeels evenals de rechtbank, als volgt.

Voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) is onder meer vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

Zoals hiervoor is beschreven blijkt uit de bewijsmiddelen dat het geweld begon bij de broers van de verdachte en dat de verdachte direct bij aankomst zich mengde in het gevecht en (mee) begon te slaan. Niet is gebleken dat de verdachte eerst een klap heeft ontvangen van de aangever. Er was naar het oordeel van het hof dan ook geen sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding jegens de verdachte en er bestond dan ook geen noodzaak tot verdediging. Aldus is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat voldaan is aan de voorwaarde voor aanvaarding van een beroep op noodweer, dat sprake was van een noodweersituatie. Het beroep op noodweer(exces) wordt dan ook verworpen.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Evenmin is een omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Kwalificatie

Het primair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie dagen, met aftrek van het voorarrest, en een taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie dagen, met aftrek van het voorarrest, en een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht in geval van een bewezenverklaring enkel een (voorwaardelijke) taakstraf aan de verdachte op te leggen. De raadsman heeft hierbij gewezen op de ouderdom van het feit, de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep en de consequenties die de verdachte als gevolg van deze zaak tot op heden heeft moeten dragen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft samen met zijn broers zeer gewelddadig gedrag vertoond, waarbij de aangever veelvuldig werd geslagen en geschopt, ook terwijl deze weerloos op de grond lag. De aangever heeft hierdoor fors letsel opgelopen, zoals een fractuur aan de oogkas, een longkneuzing, letsel aan een wervel en een hersenschudding. Daarmee hebben de verdachte en de medeverdachten een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangever. Uit de toelichting op de vordering van de aangever is gebleken dat de aangever lang moest herstellen en sinds het incident behoedzamer is geworden. Het feit heeft zich bovendien in het openbaar, nabij een flatgebouw, afgespeeld, in de aanwezigheid van buurtbewoners en andere omstanders. Dit moet indruk hebben gemaakt en hun gevoel van veiligheid hebben aangetast. Ook wakkeren dit soort delicten niet zelden gevoelens van onveiligheid, onrust en verontwaardiging aan in de samenleving. Daarbij past als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Blijkens het strafblad van de verdachte van 20 januari 2026 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld, en is hij nadien ook niet meer in aanraking gekomen met politie en justitie. Dit weegt het hof in het voordeel van de verdachte mee. Verder is het taakstrafverbod van toepassing.

Het hof heeft ook acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden zoals die door de raadsman en de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. Daaruit kan worden afgeleid dat de verdachte sinds het bewezenverklaarde een moeilijke periode doormaakt, waarbij zijn aanvraag voor de Nederlandse nationaliteit als gevolg en in afwachting van deze zaak is gepauzeerd. Ook heeft de verdachte te maken gehad met zakelijke tegenslagen, nu vanuit de Turkse gemeenschap samenwerkingen werden beëindigd en opdrachten niet meer binnen kwamen.

Alles afwegende – en in aanmerking genomen dat het om een ernstig maar inmiddels ook betrekkelijk oud feit gaat – zal het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van korte duur opleggen, die gelijk is aan het voorarrest. Daarnaast acht het hof een taakstraf voor de duur van 30 uur passend en geboden.

Het hof constateert met de raadsman dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Namens de verdachte is op 21 juni 2023 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof pas op 18 februari 2026 arrest wijst. De overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep bedraagt aldus ruim acht maanden. Gelet op de opgelegde straf, volstaat het hof met de enkele constatering van deze overschrijding.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.331,63, bestaande uit een bedrag van € 1.831,63 aan materiële schade en een bedrag van € 1.500,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 750,00 aan immateriële schade, waarbij het overige deel is afgewezen. Het bedrag aan materiële schade is niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en het gevorderde bedrag aan materiële schade gematigd, nu de schadepost “inkomstenderving” van € 900,00 is komen te vervallen. De vordering bedraagt daarmee in totaal € 2.431,63, bestaande uit een bedrag van € 931,63 aan materiële schade (reparatiekosten schade scooter) en een bedrag van € 1.500,00 aan immateriële schade.

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de vordering geheel dient te worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair verzocht om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren wegens de bepleite vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft hij verzocht het gevorderde bedrag aan materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren, nu het causale verband met het tenlastegelegde onvoldoende is onderbouwd. Ten aanzien van het gevorderde bedrag aan immateriële schade heeft de raadsman verzocht dit niet-ontvankelijk te verklaren en anders te matigen.

Het hof overweegt als volgt.

Ten aanzien van de gevorderde materiële schade is het hof van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vordering, aangezien deze onvoldoende is onderbouwd. De vordering kan daarom slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt het hof dat artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek meebrengt dat een benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Uit de toelichting op de vordering blijkt dat de benadeelde partij fors fysiek letsel heeft opgelopen, zoals een fractuur aan de oogkas, een longkneuzing, letsel aan een wervel en een hersenschudding.

Sinds het gebeuren is de benadeelde partij behoedzamer geworden en heeft hij enige tijd nodig gehad om te herstellen van het letsel. Het hof zal – met de rechtbank – de omvang van de immateriële schade op de voet van artikel 6:106 BW naar billijkheid schatten op € 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het overige deel van de gevorderde immateriële schade zal het hof afwijzen, omdat dit de grenzen van de billijkheid te buiten gaat.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel (hoofdelijk met de medeverdachten) opleggen op de hierna te noemen wijze, om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 45, 47 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) aan immateriële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 7 (zeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 20 september 2021.

Heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N. van der Wijngaart, mr. W.F. Groos en mr. E.J Hofstee, in tegenwoordigheid van mr. C.E. Dongelmans, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 februari 2026.