Strafrecht overig
Bewezenverklaring poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf…
ECLI:NL:GHAMS:2026:2093 · Gerechtshof Amsterdam · 18 februari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2093
Zaakgegevens
Op 18 februari 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 18 februari 2026
- Datum publicatie
- 28 juli 2026
- Zaaknummer
- 23-002814-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2093
Samenvatting
Bewezenverklaring poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak. Herkenning door verbalisanten betrouwbaar. Afwijzen voorwaardelijk verzoek. Art. 63 Sr. Oplegging GS 4 maanden, m.a.
Uitspraak
Inhoudsopgave
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002814-23
datum uitspraak: 18 februari 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 11 oktober 2023 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-182158-23 (hierna: zaak A) en 15-136793-23 (hierna: zaak B) tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
adres: [adres 1] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep ten aanzien van zaak B
De verdachte is door politierechter vrijgesproken van hetgeen aan hem in zaak B is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, tenlastegelegd dat:
Zaak A:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 juli 2023 tot en met 16 juli 2023 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten een woning op/aan de [adres 2] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, geld en/of goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen geld en/of goederen van zijn gading onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking, inklimming
- zich naar de woning van die [slachtoffer 1] heeft begeven en/of (vervolgens)
- de woning heeft verkend en/of (vervolgens)
- in de woning naar binnen heeft gekeken en/of (vervolgens)
- de beveiligingscamera heeft getracht onklaar te maken en/of (vervolgens)
- een steen en/of een hard voorwerp door/tegen het raam heeft gegooid,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Het hof komt verder tot dezelfde beslissingen als door de politierechter in eerste aanleg genomen.
Bewijsoverweging zaak A
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het in zaak A tenlastegelegde.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het in zaak A tenlastegelegde wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Daartoe heeft hij – kort gezegd – aangevoerd dat de stills in het dossier van onvoldoende kwaliteit zijn, waardoor op basis van die stills geen betrouwbare herkenning kon worden gemaakt. Er kan dus niet worden vastgesteld dat de verdachte betrokken is geweest bij het in zaak A tenlastegelegde. Tot slot heeft de raadsman het voorwaardelijk verzoek gedaan om de bewegende beelden te laten voegen in het dossier.
Het hof overweegt ten aanzien van het bewijs als volgt.
In de vroege ochtend van 16 juli 2023 hoorden de bewoonster van de woning aan de [adres 2] (de aangeefster) en haar echtgenoot (de getuige) een harde knal. Zij hoorden het slaapkamerraam breken en zagen een steen op de vloer liggen. Op de beelden van hun camera, die bij de voorkant van de woning hangt, zagen zij dat er vlak voor het ingooien van het raam een man voor de woning stond die probeerde de camera onklaar te maken. Op de beelden was ook te zien dat deze man van 15 op 16 juli 2023 drie keer daarvoor bij de woning was geweest. De politie concludeerde op basis van de (bewegende) beelden dat de man die vlak voor het ingooien van het raam te zien was, dezelfde was als de man die zich een paar uur eerder rondom de woning bevond. Die man was daar toen ook met een fiets. De politie heeft vervolgens intern verzocht tot herkenning van de man die in beeld was. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben de man op de beelden herkend als zijnde de verdachte. Beide verbalisanten hebben hun herkenning gebaseerd op zowel de stills als de bewegende beelden.
Verbalisant [verbalisant 1] heeft gerelateerd dat hij de verdachte onmiddellijk herkende op de beelden. Ook heeft hij gerelateerd aan welke specifieke kenmerken hij de verdachte herkende en dat hij de verdachte kent vanuit zijn werkzaamheden als politieambtenaar. Hij heeft een en ander bij de raadsheer-commissaris bevestigd. Verbalisant [verbalisant 2] heeft eveneens gerelateerd dat hij de verdachte direct herkende op de beelden en heeft omschreven op basis van welke specifieke kenmerken dit was. Bij de raadsheer-commissaris heeft verbalisant [verbalisant 2] verklaard dat hij de verdachte meerdere jaren kent en ook persoonlijk contact met hem heeft gehad. Beide verbalisanten spreken over onder meer het forse postuur, het bolle gezicht en de opvallende (zwarte) baard van de verdachte. Ook herkennen zij hem aan zijn kleding, omdat die overeenkomt met de kleding van de man op de (bewegende) beelden.
Tot slot heeft verbalisant [verbalisant 1] in de voortuin van de verdachte dezelfde (dames)fiets aangetroffen als die bij de man op de beelden zichtbaar was.
Het hof acht deze herkenningen voldoende betrouwbaar, temeer nu de verbalisanten de verdachte meermalen tijdens de uitoefening van hun werk hebben gezien. De herkenning door de verbalisanten berust op de gezichts- en postuurkenmerken van de verdachte, waarbij zij zowel de stills als de bewegende beelden hebben bekeken. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het in zaak A tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
Voorwaardelijk verzoek
De raadsman heeft ter terechtzitting verzocht, indien het hof de processen-verbaal van herkenning voor het bewijs gebruikt, om in dat geval te bepalen dat de bewegende camerabeelden gevoegd dienen te worden in het dossier.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het proces-verbaal van bevindingen op pagina 13 e.v. van het dossier volgt dat zowel de stills als de bewegende beelden zijn ontvangen en bekeken door de politie. Dit proces-verbaal maakte al onderdeel van het dossier uit ten tijde van de terechtzitting in eerste aanleg. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie expliciet benoemd dat er geen bewegende beelden in het dossier waren gevoegd. Bij het instellen van het hoger beroep heeft de verdediging een appelschriftuur ingediend, waarin niet is verzocht om de bewegende beelden te laten voegen. In hoger beroep hebben er vervolgens twee regiezittingen plaatsgevonden, waarna op verzoek en in bijzijn van de verdediging de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] bij de raadsheer-commissaris zijn gehoord over de herkenning van de verdachte. Tijdens die getuigenverhoren is eveneens benoemd dat er bewegende beelden beschikbaar waren en dat die ook door de betreffende verbalisanten zijn ingezien. Gelet op: het voorgaande, mede in het licht van hetgeen ten aanzien van het bewijs is weergegeven in bovenvermelde bewijsoverweging; de onderbouwing van de onderzoekswens; alsook het late moment waarop het verzoek is gedaan, ziet het hof de noodzaak niet om de bewegende beelden in het dossier te voegen. Het hof meent dat de procedure in haar geheel voldoet aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het voorwaardelijk verzoek van de raadsman wordt dan ook afgewezen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak A:
hij in de periode van 15 juli 2023 tot en met 16 juli 2023 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in een woning, te weten een woning op/aan de [adres 2] , enig goed dat aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik te brengen door middel van braak
- zich naar de woning van die [slachtoffer 1] heeft begeven en vervolgens
- de woning heeft verkend en vervolgens
- in de woning naar binnen heeft gekeken en vervolgens
- de beveiligingscamera heeft getracht onklaar te maken en vervolgens
- een steen door het raam heeft gegooid,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen in zaak A meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het in zaak A bewezenverklaarde levert op:
poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak A bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van het voorarrest.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep subsidiair verzocht om aan de verdachte een straf niet hoger dan die zoals opgelegd door de politierechter op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft gepoogd in te breken in een woning, waarbij hij een steen door een raam heeft gegooid om zich zo de toegang te kunnen verschaffen. De bewoners lagen op dat moment te slapen en schrokken wakker door het lawaai. Door het handelen van de verdachte is bij de bewoners niet alleen materiële schade en hinder veroorzaakt, maar zijn er daarnaast ook gevoelens van onbehagen en onveiligheid veroorzaakt. De verdachte heeft laten zien geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van anderen en er niet voor terug te deinzen om daar met het oog op eigen gewin inbreuk op te maken. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Blijkens het strafblad van de verdachte van 20 januari 2026 is hij eerder veelvuldig ter zake van soortgelijke strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld, hetgeen het hof in zijn nadeel weegt.
Gelet op de ernst van het feit en de recidive volstaat geen andere straf dan een gevangenisstraf van relatief lange duur. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft het hof acht geslagen op de straffen die in soortgelijke gevallen door rechters worden opgelegd. Deze straffen hebben hun weerslag gevonden in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Daarin wordt voor een inbraak in een woning in geval van veelvuldige recidive een gevangenisstraf van zeven maanden genoemd. In deze zaak is sprake van een poging. Het hof ziet daarin aanleiding om een iets lagere gevangenisstraf op te leggen, ook gelet op het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht dat van toepassing is, en zoekt daarbij aansluiting bij de door de politierechter opgelegde straf.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in zaak B tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in zaak A bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de straf.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N. van der Wijngaart, mr. W.F. Groos en mr. E.J Hofstee, in tegenwoordigheid van mr. C.E. Dongelmans, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 februari 2026.