Strafrecht overig
Bewezenverklaring zware mishandeling van echtgenote, mishandeling van echtgenote en vernieling. Overweging…
ECLI:NL:GHAMS:2026:2095 · Gerechtshof Amsterdam · 18 februari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2095
Zaakgegevens
Op 18 februari 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 18 februari 2026
- Datum publicatie
- 28 juli 2026
- Zaaknummer
- 23-001297-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2095
Samenvatting
Bewezenverklaring zware mishandeling van echtgenote, mishandeling van echtgenote en vernieling. Overweging m.b.t. het bewijs, het zwaar lichamelijk letsel en het (voorwaardelijk) opzet. Geen sprake van een noodweersituatie, dus verwerping beroep op noodweer(exces). Verwerping beroep op psychische overmacht. Oplegging GS 6 maanden, m.a.. Vordering bp.
Uitspraak
Inhoudsopgave
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001297-25
datum uitspraak: 18 februari 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 27 mei 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-026666-24 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1. primair
hij op of omstreeks 10 januari 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, aan zijn echtgenote, [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten twee breuken in de linker oogkas, heeft toegebracht door voornoemde [slachtoffer] meermaals, althans eenmaal, (met kracht) met zijn vuist(en), althans hand(en), tegen haar oogkas, althans tegen haar hoofd, te slaan en/of te schoppen en/of (met kracht) tegen het hoofd, althans het lichaam, van voornoemde [slachtoffer] te schoppen en/of te slaan (terwijl zij op de grond lag);
1. subsidiair
hij op of omstreeks 10 januari 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen voornoemde [slachtoffer] meermaals, althans eenmaal, (met kracht) met zijn vuist(en), althans hand(en), tegen haar oogkas en/of tegen haar hoofd, heeft geslagen en/of heeft geschopt en/of (met kracht) tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, van voornoemde [slachtoffer] heeft geschopt en/of heeft geslagen (terwijl zij op de grond lag), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
1. meer subsidiair
hij op of omstreeks 10 januari 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zijn echtgenote, [slachtoffer] , heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer] meermaals, althans eenmaal, (met kracht) met zijn vuist(en), althans hand(en), tegen haar oogkas en/of tegen haar hoofd, te slaan en/of te schoppen en/of (met kracht) tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, van voornoemde [slachtoffer] te schoppen en/of te slaan (terwijl zij op de grond lag);
2.
hij op of omstreeks 10 januari 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zijn echtgenote, [slachtoffer] , heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer] (met kracht) bij haar arm(en) vast te pakken en/of (met kracht) aan haar hoofdharen te trekken en/of voornoemde [slachtoffer] (met kracht) te duwen en/of op de grond te gooien (ten gevolge waarvan zij in glasscherven is gevallen);
3.
hij op of omstreeks 10 januari 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een tafel en/of een TV en/of een TV-meubel en/of een bed en/of een telefoon (iPhone), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Bewijsoverweging feit 1 primair
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde.
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht – zo begrijpt het hof – om de verdachte van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde vrij te spreken wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Daartoe heeft zij – kort gezegd – aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefster onbetrouwbaar zijn, waardoor deze niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt, als ook – zo begrijpt het hof – dat geen sprake zou zijn van zwaar lichamelijk letsel.
Het hof overweegt als volgt.
Uit de aangifte volgt dat de verdachte, nadat hij de aangeefster bij haar haren had vastgepakt, met gebalde vuist met kracht tegen haar hoofd heeft geslagen. Daarna heeft de verdachte haar nogmaals acht of negen keer geslagen, voordat hij haar losliet. De aangeefster heeft verder verklaard dat de verdachte haar die dag meerdere malen met gebalde vuisten in het gezicht heeft geslagen. Ook heeft de verdachte haar meerdere keren tegen het hoofd geschopt, terwijl zij op de grond lag. Als gevolg hiervan heeft de aangeefster, onder meer, twee fracturen in haar rechter oogkas opgelopen.
Het hof ziet geen redenen om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de aangifte, nu deze steun vindt in de letselverklaring, de letselfoto’s, de Snapchatberichten tussen de aangeefster en de verdachte en de deels bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg waarin hij verklaarde dat hij de aangeefster heeft geslagen. Het hof acht de verklaring van de verdachte dat het letsel van de aangeefster zou zijn veroorzaakt doordat zij in haar val met haar oogkas de (ijzeren rand van de) glazen tafel raakte dan ook ongeloofwaardig.
Zwaar lichamelijk letsel
Bij de vraag of het letsel van de aangeefster als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt dient het hof, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, te kijken naar de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op herstel.
De aangeefster heeft als gevolg van voornoemd geweld (onder meer) een op twee plaatsen gebroken oogkas opgelopen, waarvoor medisch ingrijpen noodzakelijk was. Zij heeft twee dagen in het ziekenhuis moeten verblijven, waar zij in verband met voornoemd letsel op de afdeling chirurgie is opgenomen. Daar heeft zij, gelet op de aard van het letsel, een medische behandeling ondergaan, anders dan operatief ingrijpen. Uit haar verklaring bij de rechter-commissaris op 16 januari 2025 volgt dat zij maandenlang vanaf haar oog tot aan haar mond en vanaf de neus tot aan de wang geen gevoel had, slechts een tinteling, en dat haar zenuwen waren beschadigd. Bij de rechtbank heeft de aangeefster in haar slachtofferverklaring aangegeven dat zij door het opgelopen letsel lange tijd niet heeft kunnen werken of voor haar gezin kunnen zorgen. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat het letsel dat de verdachte aan de aangeefster heeft toegebracht, zwaar lichamelijk letsel is in de zin van artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht.
(Voorwaardelijk) Opzet
Op grond van de bewijsmiddelen is vast komen te staan dat de verdachte herhaaldelijk met gebalde vuisten tegen het hoofd van de aangeefster heeft geslagen en daartegen heeft geschopt, ook toen zij weerloos op de grond lag. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd (met de daarin gelegen hersenen en andere organen) kwetsbaar is en dat letsel daaraan al snel ernstig is en vergaande gevolgen voor het slachtoffer kan hebben. De verdachte heeft met zo’n kracht geschopt en geslagen dat daardoor zwaar lichamelijk letsel is ontstaan, nu de oogkas van de aangeefster op twee plaatsen was gebroken. Naar het oordeel van het hof is het met deze kracht met gebalde vuisten slaan en schoppen tegen het hoofd naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat hieruit volgt dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard.
Gelet op het voorgaande acht het hof – met de advocaat-generaal – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.primair
hij op 10 januari 2024 te Amsterdam, aan zijn echtgenote, [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten twee breuken in de linker oogkas, heeft toegebracht door voornoemde [slachtoffer] meermaals met kracht met zijn vuisten tegen haar hoofd te slaan en te schoppen (terwijl zij op de grond lag);
2.
hij op 10 januari 2024 te Amsterdam, zijn echtgenote, [slachtoffer] , heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer] met kracht bij haar arm vast te pakken en met kracht aan haar hoofdharen te trekken en voornoemde [slachtoffer] te duwen en op de grond te gooien ten gevolge waarvan zij in glasscherven is gevallen;
3.
hij op 10 januari 2024 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een tafel, een TV, een TV-meubel, een bed en een telefoon (iPhone), die geheel aan [slachtoffer] toebehoorden heeft vernield.
Hetgeen onder 1 primair, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en strafbaarheid van de verdachte
Bespreking van het beroep op noodweer(exces) ten aanzien van feit 1 primair en feit 2
De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op noodweer(exces) toekomt. Daartoe heeft zij – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte door de aangeefster in zijn zij is gestoken, waarna hij haar heeft geslagen en waardoor de aangeefster op de glazen tafel viel. Hierdoor was sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanval waartegen de verdachte zich moest verdedigen.
Het hof gaat uit van de lezing die de aangeefster over de toedracht en het verloop van de geweldshandelingen heeft gegeven. Zij heeft verklaard dat zij de verdachte niet heeft verwond. Daarnaast volgt uit de door de verdachte overgelegde letselrapportage dat de verdachte pas twee dagen later naar de Spoedeisende Hulp is gegaan, en dat de forensisch arts niet zonder meer het door de verdachte gestelde scenario kan bevestigen. Aldus is naar het oordeel van het hof de door de verdediging gestelde feitelijke toedracht waarbij sprake zou zijn van een noodweersituatie, niet aannemelijk geworden. Het beroep op noodweer(exces) wordt dan ook verworpen.
Bespreking beroep op psychische overmacht ten aanzien van feit 3
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat sprake is van een gerechtvaardigd beroep op psychische overmacht. Nadat de verdachte door de aangeefster was gestoken, raakte hij zo ontremd door de pijn dat hij een aantal spullen heeft vernield, aldus de raadsvrouw.
Noch uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is aannemelijk geworden dat ten tijde van de onder 3 tenlastegelegde gedragingen sprake was van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Om die reden verwerpt het hof het beroep op psychische overmacht.
Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Evenmin is een omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.
Kwalificatie
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
zware mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van het voorarrest.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep geen standpunt ingenomen ten aanzien van de op te leggen straf.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft de aangeefster, zijn echtgenote en de moeder van hun twee kinderen, fors mishandeld. De aangeefster werd herhaaldelijk geslagen en geschopt tegen haar hoofd, is bij de haren vastgepakt en geduwd waarna zij door een glazen tafel viel. Hierdoor heeft zij pijn en letsel opgelopen, zoals twee fracturen aan haar oogkas, een hersenschudding en snijwonden aan en kneuzing van de elleboog. Deze (zware) mishandelingen vonden plaats in de woning van de aangeefster, waar de verdachte destijds ook verbleef. De verdachte heeft diezelfde avond ook meerdere spullen van de aangeefster vernield. Door zo te handelen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van zijn echtgenote geschonden en haar pijn en letsel bezorgd in een omgeving en bij een persoon waar zij zich juist bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen. Het hof rekent dit de verdachte zeer aan en acht met de rechtbank, gelet op de rapportage van de reclassering en de verklaring van aangeefster, herhaling niet uitgesloten.
Verder heeft het hof acht geslagen op de oriëntatiepunten van het LOVS. Hieruit blijkt dat bij het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door middel van bijvoorbeeld één of meer kopsto(o)t(en) en/of schoppen/trappen tegen het hoofd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden als oriëntatiepunt geldt. Het hof houdt rekening met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Gelet op het voorgaande, de aard en ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden passend en geboden is.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 10.455,00, bestaande uit een bedrag van € 455,00 aan materiële schade en een bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 4.455,00, bestaande uit een bedrag van € 455,00 aan materiële schade en een bedrag van € 4.000,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de vordering geheel dient te worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren gelet op het bepleite ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft zij verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren omdat de vordering niet voldoende is onderbouwd. Ten aanzien van de materiële schade heeft de raadsvrouw inhoudelijk niet gereageerd.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks de gevorderde materiële schade heeft geleden. Het hof overweegt dat de betreffende schade voldoende is toegelicht en onderbouwd in het schriftelijk verzoek tot schadevergoeding, en dat de verdediging de vordering op dit onderdeel inhoudelijk niet heeft betwist. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering in zoverre zal worden toegewezen.
Voorts is het hof uit het onderzoek ter terechtzitting en de onderbouwing van de vordering voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, nu de benadeelde partij (zwaar) lichamelijk letsel heeft opgelopen. Immers; de verdachte heeft de benadeelde partij veelvuldig geslagen, geschopt en geduwd waardoor zij door een glazen tafel viel en onder meer twee fracturen aan de oogkas, een hersenschudding en letsel aan de elleboog heeft opgelopen. Zij heeft maandenlang last gehad van gevoelloosheid in het gezicht als gevolg van zenuwschade. Het hof stelt de omvang van de immateriële schade naar billijkheid vast op een bedrag van € 4.000,00, gelet op het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek en in aanmerking genomen de vergoedingen van immateriële schade die in soortgelijke gevallen door rechters plegen te worden toegekend.
Het overige deel van de gevorderde immateriële schade zal het hof afwijzen, omdat dit de grenzen van de billijkheid te buiten gaat.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 300, 302, 304 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.455,00 (vierduizend vierhonderdvijfenvijftig euro) bestaande uit € 455,00 (vierhonderdvijfenvijftig euro) materiële schade en € 4.000,00 (vierduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 4.455,00 (vierduizend vierhonderdvijfenvijftig euro) bestaande uit € 455,00 (vierhonderdvijfenvijftig euro) materiële schade en € 4.000,00 (vierduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 44 (vierenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 10 januari 2024.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N. van der Wijngaart, mr. W.F. Groos en mr. E.J Hofstee, in tegenwoordigheid van mr. C.E. Dongelmans, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 februari 2026.