Strafrecht overig
Opzettelijk aanwezig hebben 20 flessen lachgas. Vormverzuim onrechtmatige doorzoeking auto leidt tot…
ECLI:NL:GHAMS:2026:2175 · Gerechtshof Amsterdam · 1 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2175
Zaakgegevens
Op 1 april 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 1 april 2026
- Datum publicatie
- 5 augustus 2026
- Zaaknummer
- 23-000626-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2175
Samenvatting
Opzettelijk aanwezig hebben 20 flessen lachgas. Vormverzuim onrechtmatige doorzoeking auto leidt tot strafvermindering. Taakstrafverbod van toepassing. GS één dag en TS 120 uren.
Uitspraak
Inhoudsopgave
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000626-25
datum uitspraak: 1 april 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 17 maart 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-037912-25 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
18 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de raadsman naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 4 februari 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad twintig flessen, met (in totaal) ongeveer 37,6 kilogram distikstofmonoxide (lachgas), zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring en andere strafoplegging komt dan de politierechter.
Bewijsoverwegingen
Door de raadsman is betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat er sprake is van een onrechtmatige doorzoeking van de auto. Dat is een onherstelbaar vormverzuim en daarom moet ten aanzien van de aangetroffen flessen lachgas in de auto, die in direct verband staan tot deze onrechtmatige doorzoeking, op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), bewijsuitsluiting volgen, aldus de raadsman.
De advocaat-generaal is eveneens van mening dat er sprake is geweest van een onrechtmatige doorzoeking van de auto, maar dat dit niet moet leiden tot bewijsuitsluiting, maar eventueel tot strafvermindering. De advocaat-generaal komt echter ook tot een vrijspraak, omdat uit het dossier niet volgt dat de verdachte wetenschap had van de dozen met lachgas in de auto. Van het opzettelijk aanwezig hebben kan, aldus de advocaat-generaal, dan ook geen sprake zijn. Bij dit laatste standpunt heeft de raadsman zich subsidiair aangesloten.
Vormverzuim
Blijkens het proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina 5 t/m 10) zagen de verbalisanten op
4 februari 2025 de verdachte rijden in een huurauto en afslaan zonder richting aan te geven. Vervolgens werd de auto gestopt voor een controle op grond van de Wegenverkeerswet. Bij die controle gaf de verdachte aan dat niet hij, maar zijn vriendin de auto had gehuurd. Ook gaf de verdachte geen toestemming om in de auto te kijken. De vriendin kwam kort daarna ter plaatse en zij bevestigde dat zij de huurder van de auto was en dat de huurovereenkomst in de auto zou liggen. Verder verklaarde ze dat de verdachte niet als tweede bestuurder stond geregistreerd op de huurovereenkomst. Daarop namen de verbalisanten de auto onder zich in het kader van zaakwaarneming, omdat de huurder zich daarmee niet had gehouden aan de voorwaarden van het verhuurbedrijf. Vervolgens werd tijdens het leeghalen van de auto door de verbalisanten, in de afgesloten kofferbak, een hoeveelheid lachgas aangetroffen.
Het hof is met de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat er gelet op voornoemde gang van zaken voor de politie geen grond was om de auto in het kader van zaakwaarneming onder zich te nemen. De huurder van het voertuig was immers (inmiddels) ter plaatse aanwezig en ook overigens is niet gebleken van redelijke gronden om tot zaakwaarneming over te gaan. De doorzoeking die vervolgens heeft plaatsgevonden is daarom onrechtmatig geweest. Aldus is sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of aan dit vormverzuim een rechtsgevolg dient te worden verbonden. Daarbij houdt het hof, gelet op het door de Hoge Raad gegeven kader (ECLI:NL:HR:2020:1889), rekening met de in het tweede lid van artikel 359a Sv geformuleerde factoren, te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt.
Met betrekking tot het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim overweegt het hof allereerst dat het geen betoog behoeft dat het onwenselijk is dat doorzoekingen plaatsvinden zonder toestemming of zonder de vereiste wettelijke basis. Een doorzoeking als de onderhavige maakt immers inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en dat mag alleen als die inbreuk gerechtvaardigd is.
De vraag is vervolgens welk nadeel het vormverzuim heeft veroorzaakt. Het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, kan volgens vaste rechtspraak niet worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang dat een nadeel zoals bedoeld in artikel 359a Sv oplevert. Het aantreffen van de dozen met lachgas in de auto kan daarom niet als zodanig worden aangemerkt.
Wel heeft de verdachte nadeel ondervonden van het feit dat de onrechtmatige doorzoeking van het bij hem in gebruik zijnde voertuig een inbreuk heeft gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer. Dit nadeel is echter beperkt gebleven nu de doorzochte auto een door de vriendin van de verdachte gehuurde auto betrof en de in deze zaak relevante doorzoeking slechts de kofferbak van die auto betrof. In het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim, en nu strafvermindering als rechtsgevolg geschikt is als compensatie voor het door de verdachte ondervonden nadeel, acht het hof strafvermindering, als hierna te vermelden, gerechtvaardigd.
Wetenschap
Ten aanzien van de vraag of de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de flessen lachgas in de auto, overweegt het hof als volgt. De verdachte was op 4 oktober 2025 de bestuurder van de auto. Hoewel die auto door zijn vriendin was gehuurd, geldt als algemene ervaringsregel dat de bezitter/gebruiker van een auto weet welke spullen zich in die auto bevinden, behoudens bijzondere omstandigheden. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is naar het oordeel van het hof geen sprake. Daarnaast leidt het hof de wetenschap af uit het gedrag van de verdachte direct nadat de auto werd stilgehouden. De verdachte stapte direct uit en liep meteen naar de achterkant van de auto. Hij maakte daarbij een zenuwachtige indruk. Vervolgens nam hij afstand van de auto en op de vraag of hij verboden middelen bij zich had antwoordde hij: “Ik heb niks bij me, maar jullie gaan sowieso de auto niet in”. Op de vraag of de verbalisanten vrijwillig in de auto mochten kijken antwoordde de verdachte met luide stem: “Nee, jullie mogen zeker niet de auto in. Ik ga geen toestemming geven. Ik haal de jongens eruit en sluit de auto af. Mijn vriendin is nu onderweg met het huurcontract”. Direct na aankomst van zijn vriendin vertoonde de verdachte recalcitrant gedrag, gaf hij haar de sleutels van de auto en zei hij dat zij met haar eigen auto weer moest vertrekken.
Op basis van deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, komt het hof tot het oordeel dat de verdachte wetenschap had van de flessen lachgas in de kofferbak van de auto en daarmee dat hij dat lachgas opzettelijk aanwezig heeft gehad.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 4 februari 2025 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad twintig flessen, met in totaal (ongeveer) 37,6 kilogram distikstofmonoxide (lachgas).
Wat meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straffen en maatregel
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tachtig uren, bij (kort gezegd) niet verrichten te vervangen door veertig dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd de verdachte vrij te spreken, dat de inbeslaggenomen lachgasflessen worden onttrokken aan het verkeer en dat de ballonnen aan de verdachte worden teruggegeven.
De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft een grote hoeveelheid (twintig flessen) lachgas bij zich gehad. Lachgas is een verboden middel dat ernstige gezondheidsklachten tot gevolg kan hebben en welk gebruik vaak overlast veroorzaakt, ook door het achterlaten van lege cilinders en/of gebruikte ballonnen op straat.
Uit het strafblad van de verdachte van 4 maart 2026 blijkt dat de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het in deze zaak bewezenverklaarde feit voor een soortgelijk feit tot een taakstraf is veroordeeld en de vervangende hechtenis ten aanzien van deze taakstraf in 2021 is tenuitvoergelegd, waardoor het taakstrafverbod van artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Inmiddels acht het hof echter meer dan één dag vrijheidsbeneming in combinatie met de oplegging van een taakstraf niet aangewezen.
Het hof acht in deze zaak in beginsel een taakstraf voor de duur van 120 uren in combinatie met een gevangenisstraf voor de duur van één dag passend en geboden.
Gelet op het hiervoor vastgestelde vormverzuim, ziet het hof echter aanleiding om de straf te verminderen tot een taakstraf voor de duur van honderd uren en een gevangenisstraf voor de duur van één dag.
Beslag
Onttrekking aan het verkeer
Het hof zal de onttrekking aan het verkeer bevelen van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven lachgasflessen. Het feit is met behulp van deze flessen begaan en de flessen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
Teruggave aan de verdachte
De in beslag genomen en nog niet teruggegeven ballonnen moeten naar het oordeel van het hof worden teruggegeven aan de verdachte.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 22c, 22d, 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) dag.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- 20 STK medicijn (goednummer 6615524, LACHGAS).
Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- 330 STK Speelgoed (goednummer 6615526, BALLONNEN).
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. van der Heijden, mr. B.A.A. Postma en mr. J.F. van Halderen, in tegenwoordigheid van mr. L.M. van Leeuwen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 april 2026.
=========================================================================
[…]