Strafrecht overig

Vrijspraak artikel 184 lid 1 Sr omdat de wettelijke bepalingen m.b.t. bevel sluiting woning niet een…

Zaakgegevens

Op 1 april 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
1 april 2026
Datum publicatie
5 augustus 2026
Zaaknummer
23-001762-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2176
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Vrijspraak artikel 184 lid 1 Sr omdat de wettelijke bepalingen m.b.t. bevel sluiting woning niet een uitdrukkelijke bevels- en/of vorderingsbevoegdheid als vereist voor artikel 184 lid 1 Sr bevatten ten aanzien van personen die een woning na de sluiting toch betreden. Geen sprake van een bevel of vordering “krachtens wettelijk voorschrift” zoals bedoeld in artikel 184 lid 1 Sr. Veroordeling diefstal, eenvoudige belediging en wederspannigheid. Recidive, artikel 63 en TS-verbod van toepassing. GS 2 maanden m.a.

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001762-25

datum uitspraak: 1 april 2026

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 juli 2025 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-116660-25 (zaak A), 13-104158-25 (zaak B) en 13-104159-25 (zaak C) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1981,

zonder bekende woon- of verblijfplaats.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

18 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de raadsman naar voren heeft gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

Zaak A (parketnummer 13-116660-25)
hij op of omstreeks 15 april 2025 te Amsterdam, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel tot sluiting woning, te weten de sluiting van de woning aan de [adres] , (kenmerk: Z/25/2894738-6300977) krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 13b, lid 1 van de Opiumwet en artikel 5:31, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht en artikel 125 Gemeentewet gedaan door of namens de burgemeester van gemeente Amsterdam, (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven - om het pand gelegen aan de

[adres] gedurende 3 maanden niet te betreden.

Zaak B (parketnummer 13-104158-25)

primair
hij op of omstreeks 6 januari 2025 te Amsterdam, drankwaar (een of meerdere kratten bier en/of een fles wijn), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Artis, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming;

subsidiair
hij op of omstreeks 6 januari 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om drankwaar (een of meerdere kratten bier en/of een fles wijn), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Artis, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking, inklimming,

- over een muur heeft geklommen en/of

- een steekwagen heeft gepakt en/of

- verschillende kratten en/of flessen heeft gepakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Zaak C (parketnummer 13-104159-25)

1.
hij op of omstreeks 3 april 2025 te Amsterdam [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft mishandeld door voorwerpen in de richting van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] te slaan en/of schuiven;

2.
hij op of omstreeks 3 april 2025 te Amsterdam opzettelijk een ambtenaar,te weten [verbalisant 1] , werkzaam als agent bij de eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: "kanker moeder" en/of "kijk me aan" en/of "ik ben van de maffia" en/of "ik ga je met de grond gelijk maken" en/of "je kanker moeder" en/of "kanker kechba", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

3.
hij op of omstreeks 4 april 2025 te Amsterdam, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [verbalisant 2] , werkzaam als hoofdagent bij de eenheid Amsterdam en/of [verbalisant 1] , werkzaam als agent bij de eenheid Amsterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter vervoer van de verdachte door zijn benen uit het voertuig te houden en/of zijn spuugmasker kapot te scheuren en/of zijn hoofd te bewegen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof in zaak A tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Vrijspraak zaak A

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit zoals dat is ten laste gelegd wettig en overtuigend kan worden bewezen. Het bevel tot sluiting van het pand is gericht aan personen die dat pand willen betreden. Als dat pand dan toch wordt betreden, dan maakt die persoon zich schuldig aan overtreding van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe – samengevat – aangevoerd dat aan het bevel tot sluiting van die woning door de verdachte als gebruiker van de woning is voldaan door mee te werken aan de feitelijke sluiting. Voor het geval de woning na sluiting toch wordt betreden is de strafbaarstelling in artikel 2.10 lid 5 en artikel 6.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 van Amsterdam (hierna: de APV) bedoeld. Artikel 184 Sr voorziet niet in die strafbaarstelling. De verdachte moet om die reden worden vrijgesproken.

Het hof overweegt als volgt.

Niet in geschil is dat de verdachte op 15 april 2025 de woning aan de [adres] heeft betreden terwijl deze woning – met medeweten van de verdachte als gebruiker van de woning – door de burgemeester van Amsterdam voor de duur van drie maanden was gesloten en verzegeld.

De vraag is echter of hij zich daarmee heeft schuldig gemaakt aan het misdrijf dat hem is ten laste gelegd. De tenlastelegging is toegeschreven op het eerste deel van artikel 184 lid 1 Sr. Die strafbaarstelling luidt:

Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten (…) wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

Het dictum van het Bevel tot sluiting woning van de burgemeester van Amsterdam van 19 maart 2025 luidt als volgt:

Ik beveel op grond van artikel 13b, lid 1 van de Opiumwet en artikel 5:31, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht en artikel 125 Gemeentewet de sluiting van de woning aan de

[adres] voor 3 maanden. Dit bevel gaat in vanaf de bovengenoemde datum van dit besluit. Op grond van artikel 13b, lid 1 van de Opiumwet en artikel 5:31, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht, sluit ik de woning door middel van het toepassen van bestuursdwang zonder voorafgaande last.

De juridische route waarop dit bevel tot sluiting en de tenlastelegging zijn toegeschreven, is als volgt.

Artikel 13b lid 1 Opiumwet (oud) luidt ten eerste als volgt:

1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:

a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;

b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.

Ten tweede luidt artikel 5:31 lid 1 Algemene Wet Bestuursrecht– voor zover relevant – als volgt:

1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last.

En ten derde, tot slot, luidt artikel 125 Gemeentewet als volgt:

1. Het gemeentebestuur is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

2. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

3. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door de burgemeester, indien de last dient tot handhaving van regels welke hij uitvoert.

4. Een bestuurscommissie bezit de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang en de bevoegdheid tot het geven van een machtiging tot binnentreden van een woning slechts indien ook die bevoegdheid uitdrukkelijk is overgedragen.

Naar het oordeel van het hof voorzien deze wettelijke bepalingen niet in een uitdrukkelijke bevels- en/of vorderingsbevoegdheid als vereist voor artikel 184 lid 1 Sr ten aanzien van personen die in strijd met een bevel tot sluiting van een woning, die woning na de sluiting toch betreden. Daarmee kan niet worden bewezen dat sprake is geweest van een bevel of vordering “krachtens wettelijk voorschrift” zoals bedoeld in artikel 184 lid 1 Sr, zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken.

Ten overvloede merkt het hof nog het volgende op.

Om in een situatie als de onderhavige toch strafrechtelijk te kunnen reageren is in de APV – voor zover relevant – het volgende opgenomen:

Artikel 2.10 Sluiting gebouw:

3. De burgemeester draagt zorg voor het aanbrengen van het bevel tot sluiting bij de toegang van het gebouw, de inrichting of de ruimte, of in de directe nabijheid daarvan.

4. De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht.

5. Het is verboden een gebouw, inrichting of ruimte te betreden waarvan de sluiting is bevolen.

6. Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten of zelf het gebouw, de inrichting of de ruimte te betreden.

7. Het derde, vierde, vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing als de burgemeester krachtens artikel 174a van de Gemeentewet of artikel 13b van de Opiumwet heeft besloten tot sluiting van een woning, een lokaal of een bij de woning of dat lokaal behorend erf.

Artikel 6.1 Strafbepaling:

Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1.6 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of met een geldboete van de tweede categorie:

[…] 2.10 vijfde lid […].

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak B primair en in de zaak C onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak B


hij op 6 januari 2025 te Amsterdam, drankwaar (een of meerdere kratten bier en een fles wijn), toebehorende aan Artis, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.

Zaak C

1.
hij op 3 april 2025 te Amsterdam [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft mishandeld door voorwerpen in de richting van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] te slaan en/of schuiven.


2.
hij op 3 april 2025 te Amsterdam opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] , werkzaam als agent bij de eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "kanker moeder" en "je kanker moeder" en "kanker kechba".

3.
hij op of omstreeks 4 april 2025 te Amsterdam, zich met geweld heeft verzet tegen de ambtenaren,

[verbalisant 2] , werkzaam als hoofdagent bij de eenheid Amsterdam en [verbalisant 1] , werkzaam als agent bij de eenheid Amsterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter vervoer van de verdachte door zijn benen uit het voertuig te houden en zijn spuugmasker kapot te scheuren en zijn hoofd te bewegen.

Wat in zaak B primair en in zaak C onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak B primair en in zaak C onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak B primair bewezenverklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.

Het in zaak C onder 1 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling, meermalen gepleegd.

Het in zaak C onder 2 bewezenverklaarde levert op:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Het in zaak C onder 3 bewezenverklaarde levert op:

wederspannigheid.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak B primair en in zaak C onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsman heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de bepleite vrijspraak voor zaak A. Tevens heeft de raadsman verzocht om oplegging van een taakstraf, omdat de verdachte daartoe in staat zal zijn en hij bezig is om zijn verleden achter zich te laten.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft diverse misdrijven gepleegd. Op 6 januari 2025 heeft hij zich schuldig gemaakt aan diefstal van drank bij de dierentuin Artis. Dit heeft schade en overlast bij Artis teweeggebracht.

Op 3 april 2025 heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van twee bezoekers van een terras, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , door hun terrastafel met daarop meerdere glazen en een brandende kaars met kracht in hun richting eraf te slaan, als het ware leeg te vegen, met letsel bij beiden tot gevolg. De verdachte heeft met zijn handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Toen de politie vervolgens ter plaatse kwam heeft de verdachte zich verzet bij zijn aanhouding en verbalisant [verbalisant 1] beledigd. Dit gedrag heeft niet alleen de verbalisanten belemmerd in de uitoefening van hun werkzaamheden, maar getuigt bovendien van een onaanvaardbaar gebrek aan respect voor het openbaar gezag. Ook heeft de verdachte hiermee de verbalisant in zijn eer en goede naam aangetast.

Blijkens het strafblad van de verdachte van 4 maart 2026 is hij al vaker onherroepelijk veroordeeld. Kennelijk hebben die eerdere veroordelingen hem er niet van weerhouden zich wederom aan misdrijven schuldig te maken. Tevens blijkt uit zijn strafblad dat artikel 63 van het Wetboek van strafrecht (Sr) van toepassing is en dat ten aanzien van de in zaak B bewezenverklaarde diefstal het taakstrafverbod van artikel 22b Sr van toepassing is.

Ondanks de vrijspraak voor het in zaak A tenlastegelegde, ziet het hof geen aanleiding om af te wijken van de straf zoals in eerste aanleg door de politierechter is opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd. Gezien de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de mate van recidive kan niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan met een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. Het hof acht die vrijheidsbenemende straf, met aftrek van voorarrest, dan ook passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 63, 180, 266, 267, 300 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 13-116660-25 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer

13-104158-25 primair en in de zaak met parketnummer 13-104159-25 onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 13-104158-25 primair en in de zaak met parketnummer

13-104159-25 onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.F. van Halderen, mr. R. van der Heijden en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. L.M. van Leeuwen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 april 2026.

=========================================================================

[…]