Strafrecht overig

De verdachte heeft zich in een korte periode schuldig gemaakt aan (het medeplegen van) opzetheling van een…

Zaakgegevens

Op 7 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
7 augustus 2026
Datum publicatie
7 augustus 2026
Zaaknummer
23-001945-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2186
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

De verdachte heeft zich in een korte periode schuldig gemaakt aan (het medeplegen van) opzetheling van een iPhone en een bromfiets. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het meermalen medeplegen van diefstal met een valse sleutel door met voornoemde iPhone betalingen te doen met een Apple Pay account. Aan de verdachte wordt een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 4 weken. Toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht dwingt niet tot het opleggen van een lagere straf dan zou zijn opgelegd, indien zij niet van toepassing was. Toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot het bedrag van € 612,30.

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001945-25

datum uitspraak: 7 augustus 2026

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 juli 2025 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-035438-25 (hierna: zaak A) en 15-098771-25 (hierna: zaak B) tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,

adres: [adres] ,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres] .

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte vrijgesproken van het in zaak A feit 2 ten laste gelegde medeplegen van gekwalificeerde diefstal van een geldbedrag van € 1,65 voor een busrit in Groningen en van een geldbedrag van € 29,90 voor een treinreis van Groningen naar Amsterdam Centraal (respectievelijk het eerste en tweede gedachtestreepje) en heeft de verdachte veroordeeld voor het medeplegen van de gekwalificeerde diefstal van de overige tenlastegelegde geldbedragen.

Namens de verdachte is onbeperkt hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. Naar het oordeel van het hof is (het medeplegen van) de gekwalificeerde diefstal van de geldbedragen van € 1,65 en € 29,90 impliciet cumulatief ten laste gelegd en richt het hoger beroep zich dus mede tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte dan ook niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak ter zake van – kort gezegd – (het medeplegen van) de gekwalificeerde diefstal van de geldbedragen van € 1,65 en € 29,90 op 23 september 2024 te Groningen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

24 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof

onderworpen en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de kwalificatie en de beslissing over het op te leggen aantal dagen gijzeling dat bij niet nakomen van de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is verbonden – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:

  • het door de raadsman in hoger beroep gevoerde strafmaatverweer bespreekt;

  • de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] opnieuw opneemt in het dictum als gevolg van een verschrijving in het vonnis;

  • de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen zal vervangen indien beroep in cassatie wordt ingesteld.

Kwalificatie

Het in zaak A feit 1 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzetheling.

Het in zaak A feit 2 bewezenverklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

Het in zaak B bewezenverklaarde levert op:

opzetheling.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A feit 1 en feit 2 en zaak B bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsman heeft het hof ter terechtzitting verzocht een geheel, dan wel gedeeltelijk, voorwaardelijke straf op te leggen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de feiten in de onderhavige strafzaak zijn gepleegd vóór de (onherroepelijke) veroordeling van de rechtbank Den Haag van 10 juli 2025, zodat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing is. In dat vonnis is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren voor het medeplegen van (voorbereiding van) het opzettelijk teweegbrengen van twee ontploffingen en het medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Het hof dient bij de strafoplegging rekening te houden met de reeds in deze Haagse zaak opgelegde straf en wel zodanig dat de totale bestraffing niet zwaarder uitvalt dan wanneer alle feiten gelijktijdig zouden zijn berecht. De raadsman stelt dat in dat geval aan de verdachte voor de onderhavige feiten een lagere straf zou zijn opgelegd dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken. Deze straf is ook niet passend gelet op de licht verstandelijke beperking van de verdachte.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich in een korte periode schuldig gemaakt aan (het medeplegen van) opzetheling van een iPhone en een bromfiets. De diefstallen die aan deze heling voorafgingen, hebben inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de eigenaren en aan hen is overlast bezorgd. De verdachte wordt verweten dat hij de buit van de vermogensdelicten nog verder aan het zicht van de gedupeerden heeft onttrokken en daarmee het terugvinden en terugvorderen van de gestolen voorwerpen heeft bemoeilijkt. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het meermalen medeplegen van diefstal met een valse sleutel door met voornoemde iPhone betalingen te doen met een Apple Pay account. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij met deze delicten geen enkel respect heeft getoond voor de eigendommen van anderen. Hij heeft zich slechts laten leiden door zijn eigen financieel voordeel.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 juli 2026 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld voor opzetheling en (gekwalificeerde) diefstal, hetgeen het hof in het nadeel van de verdachte meeweegt.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat met toepassing van artikel 63 Sr aan de verdachte een geheel, dan wel gedeeltelijk, voorwaardelijke straf dient te worden opgelegd. Het hof verwerpt dit verweer. Artikel 63 Sr is, behalve voor de berekening van het strafmaximum, van belang voor de straftoemeting. Het artikel verlangt dat de rechter zich afvraagt hoe hij zou hebben gestraft als de nieuwe feiten gelijktijdig zouden zijn berecht met de reeds bij vonnis afgedane feiten. Toepassing van het artikel dwingt niet tot het opleggen van een lagere straf dan zou zijn opgelegd, indien zij niet van toepassing was. Tegen deze achtergrond ziet het hof, anders dan de raadsman, geen aanleiding vanwege de toepassing van artikel 63 Sr in de onderhavige zaak een lagere straf op te leggen dan de politierechter heeft gedaan.

Het hof acht, alles afwegende, de gevangenisstraf zoals deze door de politierechter aan de verdachte is opgelegd passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 47, 57, 63 (oud), 311 en 416 Sr.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak van het in zaak A feit 2 cumulatief ten laste gelegde medeplegen van gekwalificeerde diefstal van een geldbedrag van € 1,65 voor een busrit in Groningen en een geldbedrag van € 29,90 voor een treinreis van Groningen naar Amsterdam Centraal (respectievelijk het eerste en tweede gedachtestreepje).

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie en de beslissing over het op te leggen aantal dagen gijzeling dat bij niet nakomen van de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is verbonden en doet in zoverre opnieuw recht.

Kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor vermeld.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het in

zaak A onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 612,30 (zeshonderdtwaalf euro en dertig

cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[benadeelde partij] , ter zake van het in zaak A onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 612,30 (zeshonderdtwaalf euro en dertig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 6 (zes) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 23 september 2024.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. A.P.M. van Rijn en mr. L.F. Roseval, in tegenwoordigheid van

mr. N.M. Simons en J.W.B. Mullink, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 augustus 2026.

=========================================================================

[…]

[…]