Strafrecht overig

Bewezenverklaring poging tot diefstal en mishandeling. Oplegging gevangenisstraf voor de duur van twee…

Zaakgegevens

Op 23 juli 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
23 juli 2026
Datum publicatie
12 augustus 2026
Zaaknummer
23-002095-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2234
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bewezenverklaring poging tot diefstal en mishandeling. Oplegging gevangenisstraf voor de duur van twee maanden m.a. waarvan een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002095-25

datum uitspraak: 23 juli 2026

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 1 september 2025 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-029554-25 (zaak A) en 15-181174-25 (zaak B) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ) op [geboortedag 1] 2003,

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

Zaak A:

1.
hij op of omstreeks 26 januari 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geld en/of goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een onbekend gebleven persoon, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen

- zich naar voornoemde persoon heeft/hebben begeven en/of

- zeer dicht bij en/of achter die persoon is gaan staan en/of (vervolgens)

- een of meer hand(en) in de rugzak heeft gestopt en/of (vervolgens),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij op of omstreeks 26 januari 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, geld en/of goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een onbekend gebleven persoon, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Zaak B:

hij op of omstreeks 14 juni 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] te slaan/stompen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Vrijspraak van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde

Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte in zaak A onder 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Feit 1 (zaak A)

- Een proces-verbaal van bevindingen van 26 januari 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] , doorgenummerde pagina’s 10-12.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verbalisant:

Op 26 januari 2025 ontving ik een melding dat een melder ziet dat twee mannen en een vrouw op de Zaanse Schans personen aan het zakkenrollen zijn. Naar aanleiding van het vorenstaande ben ik ter plaatse gegaan.

Ter plaatse liep ik richting het klompenmuseum. Ik hoorde dat de verdachten na de poging wegrenden richting de kaasboerderij. Ik heb om mij heen gekeken en zag drie personen met versnelde pas lopen. Ik ben met versnelde pas achter hen aangelopen.

De drie personen die ik met versnelde pas zag lopen zag ik een bruggetje oplopen. Ik zag dat zij alle drie achter elkaar in een treintje liepen. Ik zag dat de voorste man dicht achter een groep personen ging lopen. Ik zag dat hij met zijn hand naar de tas ging van één van de personen uit die groep die voor hem liep. Ik zag dat hij een rits openritste en met zijn hand die tas inging. Op dat moment had ik goed zicht en was mijn afstand tot hem ongeveer zestig meter. Mijn zicht werd niet belemmerd ondanks dat het druk was op de Zaanse schans. Ik kon duidelijk zien dat die man met zijn hand in de tas graaide.

Ik zag dat de vrouw omkeek en mij recht in het gezicht aan keek. Ik zag hierna de andere twee mannen, waaronder de man die in de tas aan het graaien was ook omkijken. Ik zag dat zij alle drie met een geschrokken gezicht naar mij keken.

Ik zag dat de voorste man direct weg begon te rennen. Hij was voor mij op dat moment verdachte ter zake poging diefstal. Ik zag dat de man verder wegrende het dijkje op. Ik zag dat er een opvallend dienstvoertuig kwam aanrijden welke de man tegemoet reed. Ik zag dat collega's uitstapten. Ik zag dat zij hierna de man konden aanhouden. Ik heb vanaf het moment dat deze man met zijn hand in de tas van een voor mij onbekend gebleven persoon zat, tot het moment van aanhouding constant zicht op hem gehad. Dit met ongeveer vijftig tot zeventig meter tussenruimte. De man bleek later genaamd te zijn:

[verdachte] ) Geboren [geboortedag 1] -2003

Kort daarna heb ik “De Boevenspotter” gesproken. Ik hoorde hem zeggen dat hij al langere tijd achter een groep zakkenrollers aan zat. Dat de door ons aangehouden personen vandaag meerdere pogingen hadden gedaan tot zakkenrollerij. Dat zij dit niet alleen hier in Zaandam hadden gedaan.

Zaak B

- Een proces-verbaal van aangifte van 14 juni 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina’s 5-6.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van

[slachtoffer] :

Plaats delict: Zaandam

Pleegdatum: 14 juni 2025

Aangever

Voornamen: [slachtoffer]

Voorvoegsel: van

Achternaam: [slachtoffer]

Op 14 juni 2025 was ik in de omgeving van de Zaanse Schans om zakkenrollers op heterdaad te betrappen. Toen ik terug liep richting mijn auto zag ik een voertuig met daarin voor mij bekende zakkenrollers. Ik ben het voertuig gaan filmen zodat ik aan de politie kon doorgeven wat voor auto deze zakkenrollers gebruiken.

Ik zag dat de auto keerde en dat de bijrijder uit de auto sprong. Ik zag dat hij op mij afrende. Ik zag dat hij met gebalde vuisten op mij afkwam. Ik voelde een harde klap in mijn nek. Ik voelde direct een pijnscheut in mijn nek aan de linkerkant.

Ik kan de man als volgt omschrijven:

-man

-atletisch postuur

-170 -175 centimeter lang

-licht getint

-petje zwart

-baardje spitsig

-bloesje wit/zwart printje. Korte mouwen

-donker blauwe korte broek.

-zwarte schoenen met witte rand aan de onderkant.

- Een proces-verbaal van verhoor getuige van 14 juni 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina’s 7-8.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van

[persoon 1] :

Op 14 juni 2025 was ik samen met [slachtoffer] in de omgeving van de Zaanse Schans. Toen wij terug liepen naar de auto zagen wij een auto waarvan wij de inzittende herkenden.

Ik kan de auto als volgt omschrijven:

- Volkswagen

- Zilver Grijs

- Engels kenteken [kenteken] (voor wit achter geel)

- Stuur aan de rechterzijde

Ik zag dat de bijrijder uitstapte en met gebalde vuisten op [slachtoffer] afrende. Ik zag dat hij [slachtoffer] sloeg en raakte bij zijn nek.

Ik kan de man als volgt omschrijven:

-man

-atletisch postuur

-170 -175 centimeter lang

-licht getint

-petje zwart

-baardje spitsig

-bloesje wit/zwart printje. Korte mouwen

-donker blauwe korte broek.

-zwarte schoenen met witte rand aan de onderkant.

- Een proces-verbaal van verhoor getuige van 14 juni 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina’s 14-15.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van

[persoon 2] :

Ik stond pauze te houden en zag 2 personen aanlopen vanuit de Zaanse Schans. Op datzelfde moment zag ik een lichtkleurige auto richting de 2 personen rijden.

Ik zag dat er iemand uitstapte en de man een vuistslag in zijn nek gaf. Ik zag dat de man daarna weer instapte en wegreed.

Signalement van de man die de mishandeling pleegde.

Een man met een pet. Ongeveer 1,73 lang. Fors postuur. Volgens mij had hij een baard.

- Een proces-verbaal van bevindingen van 14 juni 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, doorgenummerde pagina’s 16-17.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verbalisanten (of één van hun):

Op 14 juni kregen wij de melding om te gaan naar de Diederik Sonoyweg te Zaandijk. Wij hoorden dat er hier zojuist iemand was geslagen waarbij de verdachte was weggereden. Wij spreken de aangever en slachtoffer genaamd [slachtoffer] .

Wij zagen dat [slachtoffer] een wondje in zijn nek had zitten.

Wij hoorden dat er een voertuig voorzien van kenteken [kenteken] was weggereden richting de A7 over de N515. Wij hebben daarom het voertuig door het RTIC in de ANPR lijst laten zetten. Enkele minuten later hoorden wij van het operationeel centrum dat het voertuig gehit was in de omgeving Hoofddorp en er een surveillancevoertuig achter het betrokken voertuig reed. Hierop is de verdachte te 17.35 uur aangehouden ter zake mishandeling en aansluitend overgebracht naar het bureau van politie te Zaandijk.

- Een proces-verbaal van bevindingen van 14 juni 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, doorgenummerde pagina’s 22-23.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verbalisanten (of één van hun):

Op 14 juni 2025 kregen wij, een melding dat een voertuig met Engels kenteken [kenteken] door de Automatic Number Plate Recognition (ANPR) ging bij de A4 rechts ter hoogte 11.3. De

inzittenden van dit voertuig zouden betrokken zijn bij een mishandeling in Zaandam.

Ons werd verzocht om uit te kijken naar dit voertuig.

Verbalisanten troffen het voertuig met Engels kenteken [kenteken] rijdend aan op de A4

rechts ter hoogte van Hoogmade. Het voertuig was een Volkswagen Passat grijs van kleur. Verbalisanten gingen voor het voertuig rijden en gaven het voertuig een volgteken.

De collega’s verzochten verbalisanten om het voertuig met de inzittenden eerst staande te houden. Gedurende de daaropvolgende periode werd uitgezocht welke personen uit het voertuig moesten

worden aangehouden. In de Volkswagen Passat zaten vier personen. Dit bleken te zijn:

*** [verdachte] ***

geboren [geboortedag 1] 2003 te [geboorteplaats 1] ;

*** [medeverdachte 1] ***

geboren [geboortedag 2] 1986 te [geboorteplaats 2] ;

*** [medeverdachte 2] ***

geboren [geboortedag 3] 2003 te [geboorteplaats 3] ;

*** [medeverdachte 3] ***

geboren [geboortedag 4] 1997 te [geboorteplaats 4] ;

Verbalisant kreeg twee foto's toegestuurd door de collega’s waarop twee verdachten te zien waren. De personen op de foto kwamen overeen met [medeverdachte 1] en [verdachte] . (het hof begrijpt: [verdachte] )

Om 17.35 uur kregen verbalisanten het verzoek om [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ) aan te houden voor eenvoudige mishandeling.

Bewijsoverweging

Het hof is van oordeel dat de door de raadsvrouw tot vrijspraak strekkende verweren ten aanzien van het in zaak A onder 1 en zaak B ten laste gelegde, worden weerlegd door de inhoud van de gebruikte bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en in zaak B tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A:

1.
hij op 26 januari 2025 te Zaandam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geld en/of goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een onbekend gebleven persoon, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen

- zich naar voornoemde persoon heeft begeven en

- een hand in de rugzak heeft gestopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Zaak B:

hij op 14 juni 2025 te Zaandam, [slachtoffer] heeft mishandeld, door hem te stompen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 1 en zaak B bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde levert op:

poging tot diefstal.

Het in zaak B bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak A onder 1 en in zaak B bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 1 en in zaak B tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

De raadsvrouw heeft het hof verzocht er rekening mee te houden dat in de onderhavige zaak geen sprake is van mobiel banditisme. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en aan hem geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zakkenrollen door met zijn hand in de (rug)tas van een onbekend gebleven persoon te gaan. De verdachte heeft kennelijk gehandeld met het oog op financieel gewin voor zichzelf, en heeft getoond geen respect te hebben voor andermans eigendommen. Daarmee heeft hij zich kennelijk niet bekommerd om het gegeven dat dergelijke misdrijven veelal overlast, schade en gevoelens van onveiligheid veroorzaken bij de slachtoffers. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling door het slachtoffer een klap in zijn nek te geven. Het slachtoffer heeft hierdoor pijn geleden. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 25 juni 2026 is de verdachte niet eerder veroordeeld.

Gelet op de straffen die in soortgelijke zaken voor first offenders worden opgelegd, acht het hof, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 300 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en in zaak B tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak A onder 1 en in zaak B bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) maand, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. V.J.M. Goldschmeding, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. A.R.O. Mooy, in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

23 juli 2026.

mr. V.J.M. Goldschmeding is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.