Strafrecht overig
Diefstal met braak en drie diefstallen. Voorwaardelijke straf, waaraan bijzondere voorwaarden zijn gekoppeld.
ECLI:NL:GHAMS:2026:2252 · Gerechtshof Amsterdam · 13 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2252
Zaakgegevens
Op 13 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 13 augustus 2026
- Datum publicatie
- 13 augustus 2026
- Zaaknummer
- 23-002629-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2252
Samenvatting
Diefstal met braak en drie diefstallen. Voorwaardelijke straf, waaraan bijzondere voorwaarden zijn gekoppeld.
Uitspraak
Inhoudsopgave
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002629-24
datum uitspraak: 13 augustus 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 5 november 2024 in de strafzaak onder de parketnummers 13-253513-24 en 13-117714-24 (TUL) tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 10 mei 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland een rugzak (met inhoud), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming;
2.
hij op of omstreeks 4 juli 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland een regenjas (ter waarde van €179,99), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3.
hij op of omstreeks 4 juli 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland een koptelefoon (merk: Shokz), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
4.
hij op of omstreeks 11 juli 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland een computertas (met o.a. airpods, macbook air, ipad pro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een iets andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op 10 mei 2024 te Amsterdam een rugzak (met inhoud), die aan [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2] of [slachtoffer 3] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
2.
hij op 4 juli 2024 te Amsterdam een regenjas (ter waarde van €179,99), die aan [slachtoffer 4] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3.
hij op 4 juli 2024 te Amsterdam een koptelefoon (merk: Shokz), die aan [slachtoffer 5] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;
4.
hij op 11 juli 2024 te Amsterdam een computertas (met o.a. airpods, macbook air, ipad pro), die aan [benadeelde partij 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Hetgeen onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Nu de verdachte de ten laste gelegde feiten ter zitting van het hof heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat het hof met de navolgende opsomming van de bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering:
Ten aanzien van het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde
1. De bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in het hoger beroep van 30 juli 2026.
2. Een proces-verbaal van bevindingen van 7 augustus 2024 [doorgenummerde pagina’s 71 en 72].
Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde
3. Een geschrift, te weten een niet ondertekend proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar van 21 juni 2024 [doorgenummerde pagina’s 49 en 50].
4. Een geschrift, te weten een niet ondertekend proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 10 mei 2024, inclusief fotobijlage [doorgenummerde pagina’s 55 tot en met 59].
5. Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 13 juli 2024 [doorgenummerde pagina’s 60 en 61].
6. Een proces-verbaal van bevindingen van 23 mei 2024 [doorgenummerde pagina’s 62 tot en met 65].
7. Een proces-verbaal van bevindingen van 30 mei 2024 [doorgenummerde pagina’s 66 tot en met 68].
Ten aanzien van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde
8. Een proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar van 31 juli 2024 [doorgenummerde pagina’s 51 en 52].
9. Een proces-verbaal van bevindingen van 23 juli 2024 [doorgenummerde pagina’s 75 en 76].
10. Een proces-verbaal van bevindingen van 23 juli 2024 [doorgenummerde pagina’s 77 en 78].
11. Een proces-verbaal van bevindingen van 25 juli 2024 [doorgenummerde pagina’s 79 en 80].
12. Een proces-verbaal van bevindingen van 7 augustus 2024 [doorgenummerde pagina’s 81 tot en met 101].
13. Een proces-verbaal van bevindingen van 7 augustus 2024, inclusief fotobijlagen [doorgenummerde pagina’s 102 tot en met 107].
Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde
14. Een geschrift, te weten een niet ondertekend proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] [doorgenummerde pagina’s 73 en 74].
Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde
15. Een geschrift, te weten een niet ondertekend proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] [doorgenummerde pagina’s 108 en 109].
Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde
16. Een geschrift, zijnde een niet ondertekend proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij 1] [doorgenummerde pagina’s 110 tot en met 113].
17. Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 19 juli 2024 [doorgenummerde pagina’s 114 tot en met 116].
18. Een proces-verbaal van bevindingen van 18 juli 2024 [doorgenummerde pagina’s 117 tot en met 119].
19. Een geschrift, te weten een proces-verbaal van bevindingen buurtonderzoek van 16 juli 2024 [doorgenummerde pagina 120].
20. Een proces-verbaal van bevindingen van 18 juli 2024, inclusief fotobijlagen [doorgenummerde pagina’s 121 tot en met 125].
21. Een proces-verbaal van bevindingen van 19 juli 2024 [doorgenummerde pagina’s 126 en 127].
De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – telkens gebezigd tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Het onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde levert op:
telkens:
diefstal.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken, met een proeftijd van twee jaren.
De raadsvrouw heeft verzocht een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, en daaraan bijzondere voorwaarden, zoals opgenomen in het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2026 op naam van de verdachte, te koppelen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal met braak en drie diefstallen, waarbij hij een rugzak (met inhoud), een regenjas, een koptelefoon en een computertas met daarin onder andere AirPods, een MacBook Air en een iPad Pro heeft weggenomen. Met zijn handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor andermans eigendommen. Bovendien heeft de verdachte schade en overlast bezorgd aan de slachtoffers.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 15 juli 2026 is hij eerder ter zake van vermogensdelicten onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt.
Uit de door de verdediging overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting komt naar voren dat de verdachte is aangemeld voor een afkickkliniek om daar een behandeltraject te starten voor zijn drugsverslaving. De verdachte staat momenteel op een wachtlijst voor een opname in de kliniek en is zeer gemotiveerd om met het traject te beginnen. De oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf kan ertoe leiden dat de behandeling een latere aanvangsdatum heeft, of dat de verdachte zijn plaats op de wachtlijst verliest. Het hof acht het, in het bijzonder gelet op de (recente) informatie in het reclasseringsrapport van 14 juli 2026, van groot belang dat de verdachte na zijn huidige detentie zo spoedig mogelijk kan starten met het behandeltraject in de afkickkliniek. Een eventuele stillegging of doorkruising van de ingezette positieve ontwikkeling die de verdachte doormaakt (door de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf) is, ook maatschappelijk, onwenselijk.
Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Anders dan de advocaat-generaal acht het hof de oplegging van bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de Verslavingsreclassering GGZ Inforsa in het rapport van 14 juli 2026, van belang. Het hof realiseert zich dat deze voorwaarden in een andere strafzaak door de politierechter in de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 17 juli 2026 aan de verdachte zijn opgelegd. Gelet op de zeer recente uitspraakdatum is echter onduidelijk wanneer de beslissingen onherroepelijk zullen worden. Ook is nog onzeker of de opgelegde voorwaarden in geval van hoger beroep in stand zullen blijven.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.579,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 465,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting en de stukken in het dossier is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, doordat goederen die aan de benadeelde partij toebehoorden zijn weggenomen. De goederen komen in aanmerking voor vergoeding van de dagwaarde. De verdachte is tot vergoeding van die schade, € 465,00, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Immateriële schade
Artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) brengt mee dat de benadeelde partij onder meer recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien zij ten gevolge van het strafbare feit op ‘andere wijze in haar persoon is aangetast’. Van aantasting in de persoon 'op andere wijze' in de zin van artikel 6:106 BW is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven zijn of kunnen worden vastgesteld.
De benadeelde partij stelt ‘behoorlijk wat stress’ te hebben ondervonden maar heeft dit niet nader toegelicht. Bij het ontbreken van objectieve stukken kan het hof niet naar objectieve maatstaven vaststellen dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen door het handelen van de verdachte. Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval niet mee dat de in dit verband nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon 'op andere wijze' kan worden aangenomen.
Het hof verklaart de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] BV
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.200,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 775,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd een bedrag van € 558,18 toe te wijzen en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Uit het onderzoek ter terechtzitting en de stukken in het dossier is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, doordat goederen die aan de benadeelde partij toebehoorden zijn weggenomen. De goederen komen in aanmerking voor vergoeding van de dagwaarde. De verdachte is tot vergoeding van die schade, € 775,00, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] BV
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 972,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 744,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd een bedrag van € 583,20 toe te wijzen en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Uit het onderzoek ter terechtzitting en de stukken in het dossier is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, doordat goederen die aan de benadeelde partij toebehoorden zijn weggenomen. De goederen komen in aanmerking voor vergoeding van de dagwaarde. De verdachte is tot vergoeding van die schade, € 744,00, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 3 juli 2024 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken, met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Het hof zal de vordering tot tenuitvoerlegging, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en het verzoek van de verdediging, afwijzen.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
- zich tijdens de proeftijd of zoveel korter als de reclassering noodzakelijk vindt, laat opnemen in en behandelen door Novadic Kentron of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang noodzakelijk vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
- zich aansluitend aan de klinische opname ambulant laat behandelen door een nader te noemen zorginstelling, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling noodzakelijk vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
- gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat noodzakelijk vindt, indien nodig, verblijft in een nader te noemen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- indien nodig, meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 465,00 (vierhonderdvijfenzestig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 465,00 (vierhonderdvijfenzestig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 4 (vier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 11 juli 2024.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] BV
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] BV ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 775,00 (zevenhonderdvijfenzeventig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] BV, ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 775,00 (zevenhonderdvijfenzeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 7 (zeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 11 juli 2024.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] BV
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] BV ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 744,00 (zevenhonderdvierenveertig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3] BV, ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 744,00 (zevenhonderdvierenveertig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 7 (zeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 11 juli 2024.
Wijst af de vordering van het openbaar ministerie van 7 augustus 2024, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 3 juli 2024, parketnummer 13-117714-24, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van vier weken, met een proeftijd van twee jaren.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. Stalenhoef, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. J.F.C. Schnitzler, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 augustus 2026.
mr. M.F.J.M. de Werd en mr. J.F.C. Schnitzler zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.