Strafrecht overig

Terugwijzing Hoge Raad ten aanzien van de strafoplegging. Onderzoek 26Douglasville.

Zaakgegevens

Op 13 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
13 augustus 2026
Datum publicatie
14 augustus 2026
Zaaknummer
23-002350-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2257
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Terugwijzing Hoge Raad ten aanzien van de strafoplegging. Onderzoek 26Douglasville.

Procesgang

  1. Rechtbank Amsterdam · 11 mei 2022

    ECLI:NL:RBAMS:2022:2633
  2. Gerechtshof Amsterdam · 13 augustus 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHAMS:2026:2257

    Overig

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002350-25

datum uitspraak: 13 augustus 2026

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen – na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 14 oktober 2025 – op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 mei 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-995028-20 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

adres: [adres] .

Procesgang

De rechtbank heeft de verdachte voor het – onder 1 en 2 tenlastegelegde – veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 20 december 2023 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar.

De verdachte heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 14 oktober 2025 voornoemd arrest vernietigd, maar uitsluitend voor wat betreft de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde, voor zover deze inhoudt ‘en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt’, de kwalificatie van het onder 1 bewezenverklaarde en de strafoplegging. De verdachte is daarbij onder het 1 tenlastegelegde vrijgesproken van het gewoontewitwassen. De Hoge Raad heeft het onder 1 bewezenverklaarde gekwalificeerd als schuldwitwassen, meermalen gepleegd en van het medeplegen daarvan en de zaak naar dit hof teruggewezen om de zaak ten aanzien van de strafoplegging opnieuw te berechten en af te doen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep en, na terugwijzing, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 juli 2026.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Oplegging van straf

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden.

De raadsman heeft bepleit dat aan de verdachte, gelet op de gewijzigde kwalificatie en de ouderdom van het feit, een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, eventueel in combinatie met een onvoorwaardelijke taakstraf.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Het hof heeft in zijn arrest van 20 december 2023 de opgelegde gevangenisstraf gegrond op in het bijzonder de volgende overwegingen:

De verdachte en de medeverdachten vormden een criminele organisatie met het doel om personen te ontvoeren, gijzelen, af te persen en zwaarte mishandelen. Het oogmerk van de organisatie werd uitgebreid met moord, in elk geval na de gewelddadige dood van een naaste medewerker van de leider van de criminele organisatie. Ter verwezenlijking van het doel van deze organisatie werd een tweetal loodsen ingericht. Een loods in Rotterdam diende als uitvalbasis om te kunnen uitrukken om potentiële slachtoffers 'op te halen en af te leveren ’, ook wel geduid als het ‘ [plek 1] ’, waarna ze vervolgens in de andere loods in [plek 2] tegen hun wil konden worden vastgehouden. In die laatste loods stonden in totaal zeven containers waarvan er zes waren ingericht om personen in op te sluiten en ze vast te ketenen. Een zevende container was ingericht als ‘behandelkamer' met een tandartsstoel waarvan de armleuningen en een voetsteun waren voorzien van riemen, banden en de voetsteun ook van boeien. Deze behandelkamer, was - mede gelet op de aanwezigheid van scalpels, zagen en (knip)tangen - geschikt voor het martelen, in elk geval voor het toebrengen van ernstig letsel. In onderlinge communicatie hebben medeverdachten ook daadwerkelijk over het martelen van personen gesproken. Veelzeggend werd deze loods ook wel ‘ebi 2.0’ genoemd, daarmee zonder twijfel verwijzend naar de Extra Beveiligde Inrichting in Vught.

Verdachte heeft als deelnemer aan deze criminele organisatie - daarbij naar voren geschoven als

bestuurder van een aannemersbedrijf - de loods in Rotterdam gehuurd. Hij liet op zijn rekening

geldbedragen storten om enerzijds de huur van de loods in Rotterdam te betalen en anderzijds de gestorte bedragen over te boeken naar de rekening van een medeverdachte die daarmee de huur voor de loods in [plek 2] betaalde, alsmede de containers die in die loods zijn aangetroffen. Hiermee heeft hij een minder grote, maar zeker een belangrijke rol gehad in de criminele organisatie.

Verder is nog bewezenverklaard dat de verdachte een gewoonte heeft gemaakt van het (medeplegen van) witwassen van ruim € 106.000,00 (cursivering hof, zie hieronder). Die veroordeling heeft voor een deel betrekking op de hiervoor genoemde bedragen die zijn aangewend voor de huur van de loods en containers. Witwassen vormt bovendien een ernstige bedreiging van de legale economie en heeft een ontwrichtende werking op de integriteit van het financieel economische verkeer en op de openbare orde.

Uit een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van de verdachte van 12 oktober 2023 is gebleken dat hij eerder onherroepelijk tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en deels voorwaardelijke jeugddetentie is veroordeeld. Nu deze veroordelingen van langer geleden zijn weegt het hof deze niet in zijn nadeel mee.

De feiten zijn naar het oordeel van het hof te ernstig om een werkstraf op te leggen. En ook voor het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf bestaat geen aanleiding.

Alles overziend zal het hof een gevangenisstraf van 12 maanden opleggen. Het belangrijkste doel voor het hof bij het opleggen van een gevangenisstraf in deze zaak is de vergelding voor wat de verdachte heeft gedaan en wat hij met zijn handelen heeft willen teweegbrengen. Daarnaast ziet het hof als doel van de bestraffing dat anderen ervan worden weerhouden om dit soort misdrijven te plegen.

Het hof, rechtsprekend na terugwijzing door de Hoge Raad, kan zich vinden in deze overwegingen en maakt deze tot de zijne, met uitzondering van het cursieve gedeelte en met dien verstande dat het hof nu acht heeft geslagen op een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 15 juli 2026. Naar aanleiding van het cursieve gedeelte overweegt het hof nog het volgende.

Het hof heeft in zijn arrest van 20 december 2023 aangenomen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het een gewoonte maken van het (medeplegen van) witwassen. Door de Hoge Raad is het onder 1 bewezenverklaarde echter gekwalificeerd als (medeplegen van) schuldwitwassen, meermalen gepleegd. Dit betekent dat sprake is van een minder ernstig strafbaar feit. Aangezien sprake is van een gewijzigde kwalificatie, zal het hof rekening houden met de uiteenlopende wettelijke strafmaxima van de artikelen 420ter en 420quater van het Wetboek van Strafrecht, en hierdoor tot een enigszins lagere straf komen dan het hof aanvankelijk heeft opgelegd.

Het hof constateert dat er in eerste aanleg, hoger beroep, de cassatiefase en de fase na terugwijzing van de zaak geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Wel zal het hof in strafmatigende zin rekening houden met het tijdsverloop in deze zaak sinds het moment dat de feiten zijn gepleegd.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden passend en geboden is.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57, 63, 140 en 420quater van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Met inachtneming van de bewezenverklaring en kwalificatie als weergegeven in het arrest van de Hoge Raad van 14 oktober 2025, welke feiten strafbaar zijn en waarvoor verdachte strafbaar is:

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. N. van der Wijngaart en mr. L.M.G. de Weerd, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Kuvel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 augustus 2026.

=========================================================================

[…]