Strafrecht overig

OM-appel tegen de vrijspraak van het subsidiair tenlastegelegde rijden onder invloed van stoffen a.b.i…

Zaakgegevens

Op 18 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
18 augustus 2026
Datum publicatie
18 augustus 2026
Zaaknummer
23-000414-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2281
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

OM-appel tegen de vrijspraak van het subsidiair tenlastegelegde rijden onder invloed van stoffen a.b.i. artikel 8, eerste lid, WVW 1994. Het hof bevestigt het vonnis, maar vult de overwegingen over de vrijspraak aan, vervangt de strafmotivering en voegt artikel 63 Sr toe aan de toepasselijke wetsartikelen. De speekseltest is slechts een voorlopig selectiemiddel dat een indicatie geeft van gebruik van stoffen en levert op zichzelf geen bewijs op dat verdachte onder invloed van stoffen verkeerde. Het dossier bevat daarnaast onvoldoende concrete aanwijzingen dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat hij zodanig onder invloed van stoffen was dat hij niet behoorlijk een voertuig kon besturen. Geen overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg, wel in hoger beroep, maar dat leidt niet tot strafvermindering gelet op de hoogte en aard van de straffen. TS 40 uren en een voorwaardelijke OBM 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000414-24

datum uitspraak: 18 augustus 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 8 februari 2024 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 96-080907-22 en 96-210964-22 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1982,

adres: zonder bekende woon- of verblijfplaats.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 augustus 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw namens de verdachte naar voren heeft gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit daarom bevestigen met dien verstande dat het hof de in het vonnis onder ''3.1 Vrijspraak 96-210964-22 primair en subsidiair'' opgenomen overwegingen ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde zal aanvullen, de strafmotivering zal vervangen en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) toevoegt aan de toepasselijke wetsartikelen.

Vrijspraak (96-210964-22)

De raadsvrouw van de verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit ter zake van het subsidiair tenlastegelegde feit.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde feit. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat op basis van de positieve speekseltest, het afwijkende rijgedrag in combinatie met de door de verbalisanten waargenomen gedragingen van de verdachte voldoende is komen vast te staan dat de verdachte ‘onder zodanige invloed van stoffen’ verkeerde dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht als bedoeld in artikel 8 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke middelen de rijvaardigheid beïnvloeden en de verdachte wist dat je niet mag rijden onder invloed. Grenswaarden zijn niet relevant voor een bewezenverklaring van voormeld artikel. Ter vergelijking heeft de advocaat-generaal gewezen op rechtspraak over het rijden onder invloed van de stof 'lachgas' (distikstofmonoxide), waarbij in beginsel geen bloedonderzoek wordt gedaan, omdat lachgas slechts kort waarneembaar is in het bloed. Verder is in de appelmemorie gewezen op een uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 27 december 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:11401, waaruit volgt dat voor een bewezenverklaring van artikel 8 lid 1 WVW een verklaring van de verdachte en een ‘A-uitslag’ van de ademanalyse voldoende zijn. Er zijn volgens het openbaar ministerie gelet op het voorgaande voldoende aanknopingspunten voor een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde feit.

Oordeel van het hof

Voor een veroordeling ter zake van artikel 8 lid 1 WVW is beslissend of uit het bewijs kan worden afgeleid dat de verdachte onder een zodanige invloed van stof(fen) verkeerde dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht. Hoewel voor een bewezenverklaring van dit artikel niet relevant is wat de waarden in het bloed van de verdachte zijn, moet uit de bewijsmiddelen wel blijken om welke stof(fen) het gaat. Daarnaast is van belang of op basis van de bewijsmiddelen in het dossier aangenomen mag worden dat de gemiddelde bestuurder in de vastgestelde omstandigheden van het geval niet meer tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht en een daarop gegrond ernstig vermoeden dat ook de verdachte niet meer tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht (vgl. HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT2669 r.o. 2.4). De vastgestelde omstandigheden van het geval zijn volgens de Hoge Raad maatgevend.

Het hof stelt met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde het volgende vast.

Uit het proces-verbaal rijden onder invloed van 1 april 2022 volgt dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op 28 februari 2022 een Volkswagen Golf zagen rijden op de rijksweg A4 met wisselende snelheden, terwijl deze slingerde over de rijbaan. Hierop hebben de verbalisanten het voertuig ingehaald en een volgteken gegeven. Na controle bleek dat de bestuurder, zijnde de verdachte, niet in het bezit was van een rijbewijs voor de categorie motorrijtuigen waartoe de personenauto behoorde. De verdachte sprak veelvuldig en gehaast en was daarnaast druk in zijn houding en gedrag. De verdachte heeft vervolgens meegewerkt aan een voorlopig ademonderzoek en een voorlopig onderzoek speekseltest, welke speekseltest als resultaat een indicatie gaf voor (meth)amfethamine, cannabis en cocaïne.

A. de verklaring van de verdachte

Ter terechtzitting in eerste aanleg van 8 februari 2024 heeft de verdachte over zijn middelengebruik verklaard dat hij wel eens amfetamine en cannabis gebruikt, maar dan altijd één dag wacht voordat hij een motorrijtuig bestuurt. “Ik weet dat drugs de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden. Ik wachtte altijd één dag voor ik weer een motorrijtuig ging besturen. Ik weet dat het lang in je bloed blijft, maar ik wist niet dat het zo lang effect had op je rijden”, volgens zijn verklaring. Uit deze verklaring blijkt echter niets over de specifieke hoeveelheden van dat gebruik noch over een indicatie van de tijdstippen van middelengebruik in de aan zijn staandehouding op 28 februari 2022 voorafgegane periode. Dit blijkt evenmin uit zijn verklaring bij de politie. Uit de verklaring van de verdachte kan dus niet worden afgeleid dat verdachte op het moment van staandehouding onder invloed van middelen verkeerde.

B. voorlopig onderzoek speekseltest

Het hof stelt voorop dat een positieve uitslag van dit voorlopig selectiemiddel slechts een vermoeden van gebruik van een geteste stof oplevert en ongeschikt is voor het bewijs dat een verdachte onder invloed van de desbetreffende stof verkeerde. Uit de positieve speekseltest kan dus evenmin met een voor een bewezenverklaring voldoende mate van zekerheid worden afgeleid dat de verdachte onder invloed van middelen verkeerde.

De verklaring van de verdachte over zijn drugsgebruik en de indicatie die uit de speekseltest volgt is gelet op het hiervoor overwogene onvoldoende voor het bewijs voor het subsidiair tenlastegelegde feit (vgl. ECLI:NL:GHARL:2023:129, waarin de verdachte wel had verklaard over gebruikte middelen en het tijdstip van gebruik). Het hof merkt daarbij op dat het door het openbaar ministerie aangehaalde arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2017:11401) ziet op de ademanalyse bij het rijden onder invloed van alcohol. Met behulp van de ademanalyse kan objectief worden vastgesteld of iemand onder invloed van alcohol verkeerd en of de grenswaarde is overschreden. Hierin verschilt een ademanalyse dus op een wezenlijk punt van een speekseltest. Met een speekseltest kan de aanwezigheid van bepaalde stoffen immers niet objectief worden vastgesteld, omdat de uitslag van een speekseltest slechts een vermoeden van de aanwezigheid van bepaalde stoffen oplevert. Hetgeen in het door het openbaar ministerie aangehaalde arrest is overwogen gaat daarom niet op voor deze zaak.

C. (rij)gedrag van de verdachte

Het hof overweegt tot slot dat enkel op basis van de waarnemingen van de verbalisanten over het (rij)gedrag van de verdachte niet kan worden vastgesteld dat het afwijkend (rij)gedrag van de verdachte samenhangt met het onder invloed zijn van stoffen als bedoeld in artikel 8 lid 1 WVW. Hieraan kunnen immers vele oorzaken ten grondslag liggen. Er is dan ook geen sprake van een situatie waarin het niet anders kan, dan dat het (rij)gedrag samenhangt met het onder invloed zijn van stoffen.

Alles tezamen bevat het dossier naar het oordeel van het hof onvoldoende concrete aanknopingspunten waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte op 28 februari 2022 wist of redelijkerwijs moest weten dat hij onder een zodanige invloed van stof(fen) verkeerde dat hij niet tot het behoorlijk besturen van een voertuig in staat moest worden geacht. Het hof is daarom met de rechtbank van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het subsidiair tenlastegelegde feit.

Strafmotivering

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, subsidiair 20 dagen hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren. De politierechter heeft bij het bepalen van de bijkomende straf rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in de zaak met parketnummer 96-080907-22 en de zaak met parketnummer 96-210964-22 subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen met een proeftijd van 2 jaren en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal heeft in haar strafeis uitdrukkelijk rekening gehouden met de executiemogelijkheden vanwege de omstandigheid dat er geen bekende woon- of verblijfplaats van de verdachte in Europa bekend is.

De raadsvrouw heeft het hof verzocht om aan de verdachte een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen. Daartoe heeft zij onder meer aangevoerd dat het gelet op het tijdsverloop en de omstandigheid dat de verdachte niet meer in Nederland woont of verblijft, niet meer opportuun is om aan de verdachte een onvoorwaardelijke (taak)straf op te leggen. Daarbij komt dat de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep is overschreden en dat artikel 63 Sr van toepassing is. De raadsvrouw heeft tenslotte betoogd dat de voorwaardelijk op te leggen taakstraf bij een eventuele vordering tenuitvoerlegging wel executeerbaar is, omdat de verdachte via het kantoor van de raadsvrouw bereikbaar is voor de Reclassering.

Oordeel van het hof

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft als bestuurder van een motorfiets deelgenomen aan het verkeer na het gebruik van amfetamine en cannabis. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft volgens wetenschappelijk onderzoek te gelden dat bestuurders die onder invloed van een combinatie van drugs aan het verkeer deelnemen, een aanzienlijk groter risico vormen voor de verkeersveiligheid dan de bestuurders die maar één middel hebben gebruikt. Door zo te handelen heeft de verdachte de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht. Dit blijkt onder meer uit de omstandigheid dat hij niet alleen op de motorfiets is gestapt, maar daarbij ook tegen het verkeer in is gereden. Daarbij komt dat de verdachte blijkens zijn eigen verklaring op dat moment niet in het bezit was van een rijbewijs. Het hof rekent de verdachte dit alles ernstig aan.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend strafblad van 21 juli 2026 en stelt vast dat artikel 63 Sr van toepassing is. Het hof heeft ook gelet op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting bij gecombineerd middelengebruik en straffen die in vergelijkbare zaken door rechters worden opgelegd.

In wat de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht ziet het hof, gelet op de ernst van het feit, geen aanleiding om een andere straf op te leggen dan door de politierechter is opgelegd. Hoewel gelet op de straffen in vergelijkbare zaken een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid passend en geboden is, zal het hof in verband met het tijdsverloop sinds het bewezenverklaarde feit volstaan met de door de politierechter voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid.

Redelijke termijn

Het hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Bij de beoordeling van de vraag of de behandeling van de zaak binnen de redelijke termijn heeft plaatsgevonden, moet het tijdsverloop tijdens de eerste aanleg en dat tijdens het hoger beroep afzonderlijk worden beoordeeld. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de behandeling van de zaak op de zitting dient te zijn afgerond met in eerste aanleg een einduitspraak binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als zodanige handeling te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van een verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt.

Het hof is, gelet op wat hiervoor is overwogen, anders dan de politierechter en de raadsvrouw van oordeel dat er geen sprake is van schending van de redelijke termijn in eerste aanleg. Uit het dossier volgt dat de verdachte in de zaak met parketnummer 96-080907-22 niet in voorarrest heeft gezeten, maar op 24 augustus 2021 door de politie is heengezonden. Aan de verdachte is met betrekking tot het bewezenverklaarde feit vervolgens op 18 november 2023 een inleidende dagvaarding uitgebracht. Dit moment heeft dan ook te gelden als de aanvang van de redelijke termijn. De politierechter heeft op 8 februari 2024 eindvonnis gewezen, van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg is daarom geen sprake.

Hoger beroep

In de fase van het hoger beroep dient een einduitspraak te worden gedaan binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Door het openbaar ministerie en de verdediging is op respectievelijk 20 februari 2024 en 22 februari 2024 hoger beroep ingesteld. In hoger beroep wordt eindarrest gewezen op 18 augustus 2026. Het hof constateert gelet op wat hiervoor is overwogen dat de redelijke termijn in hoger beroep in deze zaak met 6 maanden is overschreden. Door de politierechter is aan de verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd. Het hof zal vanwege de hoogte en de aard van de door de politierechter opgelegde straffen volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden (vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, r.o. 3.6.2 onder C).

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. L.M.G. de Weerd, mr. P.J. van Eekeren en mr. M.T.C. de Vries, in tegenwoordigheid van mr. S.S.I. Jackson, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 augustus 2026.

Mr. LM.G. de Weerd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Staatscourant 27 september 2017, nr. 52662, “Instructie handhaving rijden onder invloed”, punt 3.4, beschikbaar via Officiële Bekendmakingen: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2017-52662.pdf (geraadpleegd op 6 augustus 2026). De contactgegevens van Wolters strafrechtadvocaten zijn vermeld in het extract van het vonnis.