Strafrecht overig

Bevestiging met dien verstande, de bewijsoverweging is vervangen met: Ten aanzien van feit 1, de mishandeling…

Zaakgegevens

Op 25 juni 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
25 juni 2026
Datum publicatie
19 augustus 2026
Zaaknummer
23-002378-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2287
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bevestiging met dien verstande, de bewijsoverweging is vervangen met: Ten aanzien van feit 1, de mishandeling door de verdachte van zijn levensgezel, heeft de raadsman opnieuw een beroep op noodweer gedaan. Het hof verwerpt dit verweer. Niet is aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederechtelijke aanranding door het slachtoffer waartegen de verdachte zich moest verdedigen. Op basis van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting kan niet worden vastgesteld dat een dergelijke aanval heeft plaatsgevonden. Het hof overweegt hierover nader dat de verdachte wisselend heeft verklaard over de manier waarop het slachtoffer hem zou hebben aangevallen. Zo zou zij hem volgens zijn eerste verklaring (afgelegd in zijn woning direct na het incident) in zijn gezicht hebben gekrabd, terwijl hij later die dag heeft verklaard dat zij hem met iets op zijn hoofd heeft geslagen, mogelijk een stofzuiger. Ten aanzien van de bedreigende e-mails acht het hof van belang dat het gaat om heftige bedreigingen met de dood en met zware mishandeling. De verdachte heeft die bedreigingen bekend. In tegenstelling tot de raadsman acht het hof gelet op de aard en toon van die berichten bewezen dat het slachtoffer in redelijkheid kon vrezen dat de verdachte die bedreigingen ten uitvoer zou kunnen brengen. Dat zij dit ook daadwerkelijk vreesde, kan worden afgelezen uit de reacties van het slachtoffer op de naar haar gestuurde bedreigende mails.

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002378-25

datum uitspraak: 25 juni 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingslocatie Amsterdam, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 3 maart 2025 in de strafzaak onder parketnummer 16-281862-24 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande

  • i) dat het hof de bewijsoverweging van de rechtbank zal vervangen door de navolgende bewijsoverweging;

  • ii) dat bij de vermelding van de toepasselijke wettelijke voorschriften wordt toegevoegd: artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Standpunt advocaat generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat vrijspraak moet volgen voor beide feiten. Ten aanzien van de als feit 1 tenlastegelegde mishandeling heeft de raadsman bovendien noodweer bepleit en dat verweer onderbouwd als volgt:

Cliënt en slachtoffer hebben een ongezonde relatie, waarin over en weer nare dingen tegen elkaar worden gezegd en gedaan. Het is dit keer uit de hand gelopen. Cliënt heeft niet meteen verklaard over de mishandeling tegen hem en hij wil geen aangifte doen, omdat hij zich schaamt. Hij heeft dan ook niet meteen alles concreet verklaard, maar de kern van zijn verhaal was altijd heel duidelijk. Ik verzoek het hof om van zijn verklaring uit te gaan dat hij door het slachtoffer werd mishandeld en zich hiertegen moest verdedigen. Het gebeurde in een nauwe gang. Het ijsbeentje dat hij heeft gegeven kon leiden tot een korte tijdelijke pijn. Hij hoopte dat daarmee rust zou ontstaan. De bult op het hoofd van het slachtoffer kan tijdens de worsteling zijn ontstaan. Cliënt heeft op gepaste wijze gereageerd.
Verder heeft cliënt bekend dat hij de bedreigende berichten naar het slachtoffer heeft gestuurd, maar dat betekent niet dat bij het slachtoffer een redelijke vrees heeft bestaan. Het slachtoffer belde hem vaak op en bedreigde hem ook.

Oordeel hof

Ten aanzien van feit 1, de mishandeling door de verdachte van zijn levensgezel, heeft de raadsman opnieuw een beroep op noodweer gedaan. Het hof verwerpt dit verweer. Niet is aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederechtelijke aanranding door het slachtoffer waartegen de verdachte zich moest verdedigen. Op basis van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting kan niet worden vastgesteld dat een dergelijke aanval heeft plaatsgevonden.

Het hof overweegt hierover nader dat de verdachte wisselend heeft verklaard over de manier waarop het slachtoffer hem zou hebben aangevallen. Zo zou zij hem volgens zijn eerste verklaring (afgelegd in zijn woning direct na het incident) in zijn gezicht hebben gekrabd, terwijl hij later die dag heeft verklaard dat zij hem met iets op zijn hoofd heeft geslagen, mogelijk een stofzuiger.

Ten aanzien van de bedreigende e-mails acht het hof van belang dat het gaat om heftige bedreigingen met de dood en met zware mishandeling. De verdachte heeft die bedreigingen bekend. In tegenstelling tot de raadsman acht het hof gelet op de aard en toon van die berichten bewezen dat het slachtoffer in redelijkheid kon vrezen dat de verdachte die bedreigingen ten uitvoer zou kunnen brengen. Dat zij dit ook daadwerkelijk vreesde, kan worden afgelezen uit de reacties van het slachtoffer op de naar haar gestuurde bedreigende mails.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingslocatie Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.A. Boon, mr. J.J. Roos en mr. A.E.M. Röttgering, in tegenwoordigheid van mr. N.R.H. Marsera, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 juni 2026.

mr. R.A. Boon, mr. A.E.M. Röttgering en mr. N.R.H. Marsera zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.