Strafrecht overig
Vrijspraak mishandeling partner: Het hof is van oordeel dat op basis van het zeer geringe (directe) bewijs in…
ECLI:NL:GHAMS:2026:2294 · Gerechtshof Amsterdam · 12 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2294
Zaakgegevens
Op 12 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 12 augustus 2026
- Datum publicatie
- 19 augustus 2026
- Zaaknummer
- 23-000015-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2294
Samenvatting
Vrijspraak mishandeling partner: Het hof is van oordeel dat op basis van het zeer geringe (directe) bewijs in het dossier over wat zich tussen de verdachte en aangeefster heeft afgespeeld op 26 mei 2025 in de woning van aangeefster niet met de voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid en overtuiging kan worden vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem ten laste is gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Uitspraak
Inhoudsopgave
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000015-26
datum uitspraak: 12 augustus 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 23 december 2025 in de strafzaak onder de parketnummers 13-235301-25 en 13-255847-24 (TUL) tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 juli 2026.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 26 mei 2025 te Amsterdam zijn (ex)partner [benadeelde partij] heeft mishandeld, door deze
-
bij de keel vast te pakken en/of de keel dicht te duwen en/of
-
meermalen, althans eenmaal, op het been, althans het lichaam, te slaan/stompen en/of
-
bij de mond/kin vast te pakken en/of dicht te duwen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.
Vrijspraak
Het hof is van oordeel dat op basis van het zeer geringe (directe) bewijs in het dossier over wat zich tussen de verdachte en aangeefster heeft afgespeeld op 26 mei 2025 in de woning van aangeefster niet met de voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid en overtuiging kan worden vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem ten laste is gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding voor geleden immateriële schade. Deze bedraagt € 1.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 800,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het bewezenverklaarde tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.
Vordering tenuitvoerlegging
Het Openbaar Ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 17 december 2024 opgelegde voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 15 uren subsidiair 7 dagen hechtenis en een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Nu de verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Wijst af de vordering van de Officier van Justitie van het arrondissementsparket te Amsterdam van 29 september 2025, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 17 december 2024, parketnummer 13-255847-24, voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 15 uren subsidiair 7 dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.A.C. Koster, mr. R.A.J. Hübel en mr. M.T.C. de Vries, in tegenwoordigheid van
mr. N.R.H. Marsera, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 augustus 2026.