Strafrecht overig

Bevestigen m.u.v. straf. Opzettelijk gebruik maken van identiteitsbewijs dat niet op naam van de verdachte…

Zaakgegevens

Op 16 april 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
16 april 2026
Datum publicatie
20 augustus 2026
Zaaknummer
23-002790-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2318
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bevestigen m.u.v. straf. Opzettelijk gebruik maken van identiteitsbewijs dat niet op naam van de verdachte stond. Gvs 2 maanden m.a.

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002790-24

datum uitspraak: 16 april 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 19 november 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-309983-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1995,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de bewijsoverweging van de politierechter vervangt door de onderstaande bewijsoverweging en de bewijsmiddelen van dit arrest heeft opgenomen in de voetnoten.

Bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het tenlastegelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat uit het Rapport van Bevindingen Wet arbeid vreemdelingen, het proces-verbaal van de verbalisanten en uit de verklaring van de verdachte volgt dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van een identiteitsbewijs dat niet op zijn naam stond.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Zij heeft gepersisteerd bij het standpunt in eerste aanleg, namelijk dan niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van de verblijfskaart op naam van [persoon 1] . Daarnaast heeft zij aangevoerd dat de bewijsoverwegingen van de politierechter geen steun vinden in het dossier en dat de bewijsmiddelen niet tot een bewezenverklaring kunnen leiden.

Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Uit het Rapport van Bevindingen Wet arbeid vreemdelingen van 27 september 2024 blijkt het volgende. De arbeidsinspecteurs bevonden zich bij [bedrijf] om een werkplekcontrole uit te voeren. Zij spraken met een man die in eerste instantie opgaf te zijn [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ). Later verklaarde die man dat hij eigenlijk niet de persoon is die hij eerder opgaf te zijn, dat hij eigenlijk [persoon 2] geboren op [geboortedag] 1995 is, dat hij op naam van [persoon 1] werkt bij [bedrijf] , dat het salaris wordt uitbetaald op de rekening van [persoon 1] en dat [persoon 1] dat contant aan hem geeft. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 27 september 2024 volgt verder dat twee verbalisanten bij [bedrijf] worden aangesproken door de arbeidsinspectie. Zij hoorden de arbeidsinspecteurs verklaren dat tijdens een controle een persoon zich identificeerde met een identiteitsbewijs dat niet van hem is en dat het gaat om een zogeheten look a like. Als de verbalisanten aan de verdachte vragen waarom hij zich met een ander identiteitsbewijs heeft geïdentificeerd, antwoordt de verdachte dat hij uit Nigeria komt, op het station een persoon heeft ontmoet waarvan de door hem gebruikte identiteit is en dat die persoon een afbeelding van zijn identiteit aan hem heeft gegeven. De verdachte heeft in zijn verhoor bij de politie op 27 september 2024 verklaard dat hij het document met de andere naam gebruikte om mee te werken.

Gelet op het voorgaande concludeert het hof dat de verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van het identiteitsbewijs met de naam van [persoon 1] . Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de observaties van de arbeidsinspectie of de verbalisanten, die aansluiten bij de verklaring van de verdachte. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen. Het hof acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De raadsvrouw heeft verzocht – gelet op de persoonlijke omstandigheden, het blanco strafblad en de verblijfsaanvraag van de verdachte – in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een taakstraf op te leggen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gestelde verblijfskaart. Hij heeft deze verblijfskaart gebruikt om op naam van een ander te werken. Het gebruik van identiteitsbewijzen die op een andere naam zijn gesteld, verhindert een effectieve controle en tast het vertrouwen aan, dat in van overheidswege verstrekte documenten moet kunnen worden gesteld.

Het hof heeft bij de straftoemeting aansluiting gezocht bij de straf die is vermeld in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals door de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht, ziet het hof geen aanleiding hier van af te wijken. De eventuele verblijfsrechtelijke consequenties zijn een rechtstreeks en voorzienbaar gevolg van het strafbare handelen van de verdachte en kunnen daarom naar het oordeel van het hof niet strafmatigend werken.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg en mr. W.S. Ludwig, in tegenwoordigheid van mr. S. Geensen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 april 2026.

=========================================================================

[…]

Een geschrift, een Rapport van Bevindingen Wet arbeid vreemdelingen van 27 september 2024, p. 5. Het proces-verbaal van bevindingen van 27 september 2024, p. 9. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 27 september 2024, p. 23.