Strafrecht overig

jeugdzaak, vrijspraak feit 2 primair poging doodslag, subsd poging toebrengen zll en feit 3 primair poging…

Zaakgegevens

Op 3 september 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
3 september 2026
Datum publicatie
8 september 2026
Zaaknummer
23-000400-26
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2537
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

jeugdzaak, vrijspraak feit 2 primair poging doodslag, subsd poging toebrengen zll en feit 3 primair poging toebrengen zll, W&O feit 1 diefstal en feit 3 subsidiair mishandeling ( beroep op noodweer verworpen), 1 maand JD met aftrek, beslissing op vordering BNP

Procesgang

  1. Rechtbank Amsterdam · 13 februari 2026

    ECLI:NL:RBAMS:2026:3153
  2. Gerechtshof Amsterdam · 3 september 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHAMS:2026:2537

    Overig

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000400-26

datum uitspraak: 3 september 2026

VERSTEK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 februari 2026, zoals hersteld bij herstelvonnis van 20 februari 2026, in de strafzaak onder parketnummer 13-368227-24 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 2008,

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

laatste opgegeven adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
20 augustus 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.


Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 16 november 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een portemonnee (met inhoud), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2 primair
hij op of omstreeks 17 november 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst van voornoemde [slachtoffer 2] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 subsidiair
hij op of omstreeks 17 november 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst van voornoemde [slachtoffer 2] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3 primair
hij op of omstreeks 17 november 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (met een scherp en/of puntig en/of hard voorwerp) op het hoofd van voornoemde [slachtoffer 2] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3 subsidiair
hij op of omstreeks 17 november 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door: (met een scherp en/of puntig en/of hard voorwerp) op het hoofd van voornoemde [slachtoffer 2] te slaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.


Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt ten aanzien van het tenlastegelegde dan de rechtbank.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De verdachte is in hoger beroep niet verschenen op de inhoudelijke zitting en de raadsvrouw was niet gemachtigd, zodat in eerste aanleg gevoerde verweren niet zijn gehandhaafd. Ten overvloede overweegt het hof dat ook naar het oordeel van het hof, mede gezien de camerabeelden, geen sprake was van een onrechtmatige aanhouding en dus ook niet van een vormverzuim. Het openbaar ministerie is ontvankelijk.


Vrijspraak feiten 2 en 3 primair en bewijsoverweging feit 3 subsidiair

Feit 2: vrijspraak primair en subsidiair

Niet ter discussie staat dat er op 17 november 2024 tussen de verdachte en de aangever een confrontatie is geweest in het uitgaansgebied in Amsterdam. Zoals hierna te lezen, acht het hof bewezen dat de verdachte die avond de aangever heeft geslagen op het hoofd. Hierna is de aangever achter de verdachte aangerend, heeft de aangever de verdachte met een trap naar de grond gewerkt, en hebben zij nadat de verdachte opstond gevochten. Uit het dossier volgt dat de aangever kort na deze confrontatie letsel had ter hoogte van zijn borst. In de medische verklaring staat dit omschreven als een ‘steekwond’ met ‘minimale klaplong’.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de verdachte dit letsel heeft toegebracht en heeft gevorderd dat hij wordt veroordeeld voor de primair tenlastegelegde poging tot doodslag. Het kan volgens de advocaat-generaal niet anders dan dat de verdachte het letsel met een scherp of puntig voorwerp heeft toegebracht, nu er niemand anders bij de aangever in de buurt is geweest.

Het hof volgt niet de conclusie van de rechtbank en de advocaat-generaal, dat het niet anders kan dan dat de verdachte het borstletsel opzettelijk heeft toegebracht. Hoewel het hof ervan uitgaat dat de verdachte bij het eerdere slaan op het hoofd een voorwerp in zijn hand had, kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte bij deze kort erop ontstane vechtpartij een mes, dan wel scherp of puntig voorwerp in zijn handen heeft gehad. Het hof neemt op de camerabeelden waar dat bij het trappen door de aangever een of meer voorwerpen op de grond vielen, en dat tijdens de eerste daarop volgende schermutseling een voorwerp op een putdeksel viel. Het hof neemt echter niet waar wie van beiden dat voorwerp op de putdeksel liet vallen en ook niet dat de verdachte in het zeer korte tijdsbestek voordat dit voorwerp viel, steekbewegingen heeft gemaakt ter hoogte van de borst van de aangever. Het mes dat de volgende avond in de put is aangetroffen, is ook niet met voldoende zekerheid aan de verdachte of het voorwerp dat op de camerabeelden dichtbij de put valt, te koppelen.

Hierna neemt het hof op de camerabeelden ook geen voorwerp meer waar in de handen van de verdachte gedurende de schermutselingen die dan nog tussen beiden volgen. Ook ziet het hof geen duidelijke bewegingen die passen bij het tenlastegelegde ‘steken’. Op grond van de camerabeelden kunnen er dan ook geen nadere vaststellingen worden gedaan. De aangever heeft zelf niet gemerkt dat, hoe en wanneer hij in zijn borst gewond is geraakt. Het dossier bevat ook geen verklaringen van andere personen hierover. Ook over het letsel bevat het dossier onvoldoende specifieke informatie om met voldoende zekerheid conclusies te kunnen trekken over het ontstaansmechanisme ervan en over het tijdsbestek waarin dit letsel moet zijn ontstaan.

Al met al zijn er teveel onduidelijkheden en is niet buiten redelijke twijfel vast te stellen dat de verdachte met opzet op de dood of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel in de borst van de aangever heeft gestoken.

Naar het oordeel van het hof is dus niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte onder
2 primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.


Feit 3: vrijspraak poging tot zware mishandeling, mishandeling wel bewezen

Het hof stelt op grond van de aangifte, de door de politie bekeken camerabeelden en het bij de aangever geconstateerde letsel vast dat de verdachte de aangever op het hoofd heeft geslagen. Op grond van de camerabeelden heeft de politie naar het oordeel van het hof ook kunnen vaststellen dat de verdachte daarbij een voorwerp in zijn hand heeft gehad, maar niet welk voorwerp dat precies is geweest.

Overigens is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat ten tijde van het slaan op het hoofd geen sprake (meer) was van een (noodweer)situatie waarin de verdachte zichzelf moest verdedigen, zodat het hof niet op grond daarvan tot vrijspraak komt.

Het hof is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld met welk voorwerp de verdachte de aangever op het hoofd heeft geslagen, zodat niet kan worden vastgesteld of er een aanmerkelijke kans bestond op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel. Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof daarom van oordeel dat de verdachte van het primair tenlastegelegde, de poging tot zware mishandeling, moet worden vrijgesproken. Het hof acht de subsidiair tenlastegelegde mishandeling bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 16 november 2024 te Amsterdam een portemonnee (met inhoud), die aan [slachtoffer 1] toebehoordeheeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

3 subsidiair
hij op 17 november 2024 te Amsterdam [slachtoffer 2] heeft mishandeld door met een voorwerp op het hoofd van voornoemde [slachtoffer 2] te slaan.

Hetgeen onder 1 en 3 subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Het hof acht het onder 1 en 3 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de navolgende bewijsmiddelen zijn vervat.

Ten aanzien van feit 1:

Aangezien de verdachte het bewezenverklaarde onder 1 heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal op de voet van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering bij dat feit worden volstaan met de navolgende opgave van de bewijsmiddelen:

1. Een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2024274302-2 van
16 november 2024, in wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde

opsporingsambtenaren [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] ,

doorgenummerde pagina’s 0060-0061.

2. Een ambtsedig proces-verbaal van aangifte van Josef [slachtoffer 1] met nummer
PL1300-2024274302-3 van 16 november 2024, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] , doornummerde pagina’s 0058-0059.

3. Een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2024274302-10 van
19 november 2024 in wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde

opsporingsambtenaar [verbalisant 5] , doorgenummerde pagina’s 0077-0079.

4. Een proces-verbaal van de voorgeleiding bij de rechter-commissaris op 20 november 2024, inhoudende de verklaring van de verdachte: “ik heb de portemonnee gepakt.”

Ten aanzien van feit 3 subsidiair:

1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2024275074-10 van 17 november 2024, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , doorgenummerde pagina’s 001-004.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als tegenover verbalisanten voornoemd op voormelde datum afgelegde verklaring van [slachtoffer 2]:

Ik zag dat hij voor de derde keer weer vlak bij mij stond in mijn gezichtsveld. Ik zag een soort

van schaduw van bovenaf komen.(…)
De ambulance kwam en die hebben mij meegenomen naar het ziekenhuis. Hier bleek dat ik de volgende verwondingen had: 1 snee op mijn hoofd (…).

2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2024276318-25 van 19 november 2024 in wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 8] , doorgenummerde pagina’s 0031-0037.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:

Naar aanleiding van een zware mishandeling gepleegd op de Leidsekruisstraat ter hoogte van

uitgaansgelegenheid [plek] op zondag 17 november 2024 omstreeks 05:00 uur waren de

beelden van [plek] opgevraagd en de beelden werden aangeleverd. (…)

Ik bekeek de aangeleverde beelden van [plek] . (…)

Op de beelden is te zien dat de verdachte om 04:49:30 uur het slachtoffer één (1) maal slaat

met diens rechtervuist. De verdachte raakt het slachtoffer op diens hoofd, (afbeelding 8)

Op de beelden is niet waar te nemen wat de verdachte in zijn hand heeft op het moment dat hij

het slachtoffer op diens hoofd slaat. Wel lijkt het erop dat de verdachte iets in zijn hand heeft.

3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2024275074-9 van 17 november 2024, in wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 9] , doorgenummerde pagina’s 0022-0024.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:

Naar aanleiding van een zware mishandeling zijn er camerabeelden door CCTR vrijgegeven aan de politie voor onderzoek. Ik, verbalisant, zag twee personen op camerabeelden met elkaar vechten. De personen bestonden uit een verdachte en een slachtoffer/verdachte. De verdachte was [verdachte] en het slachtoffer/verdachte [slachtoffer 2] .

Het signalement van [verdachte] was als volgt:

- man;

- ongeveer 20 jaar;

- witte huidskleur;

- lichtkleurige muts;

- donker jasje met logo van Tommy Hilfiger;

- donker tasje met logo van Tommy Hilfiger;

- blauwe spijkerbroek.


Het signalement van [slachtoffer 2] was als volgt:

- man;

- ongeveer 30 jaar;

- witte huidskleur;

- bruin haar;

- donkere glimmende jas;

- blauwe spijkerbroek;

- witte schoenen.

Ik, verbalisant, herkende [verdachte] en [slachtoffer 2] op camera omdat collega's van de

politie een foto van beide personen hadden toegevoegd aan het dossier. Tevens had collega [verbalisant 6] een aangifte opgenomen van [slachtoffer 2] en bevestigde hij mijn waarneming.
(…)

04:49:32- Camera 089
(…) Ik zag dat [verdachte] met een voorwerp op het hoofd van [slachtoffer 2] sloeg.

4. Een geschrift, zijnde een formulier medische informatie, ingevuld door [persoon 1] op 10 december 2024 te Amsterdam op basis van een letselonderzoek d.d. 17 november 2024, verricht bij [slachtoffer 2] , doorgenummerde pagina 84, waarin als uitwendig waargenomen letsel (onder meer) wordt vermeld: ‘minimale verwonding behaarde hoofdhuid’.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 3 subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

diefstal.


Het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 3 subsidiair bewezenverklaarde uitsluit.


Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2 primair en 3 subsidiair bewezenverklaarde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 1 maand met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 primair en 3 subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 3 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Zij heeft rekening gehouden met de veroordelingen van de verdachte na 17 november 2024, maar heeft gelet op de ernst van de door haar bewezenverklaarde feiten, betoogd dat de eerder door de rechtbank opgelegde jeugddetentie te laag was.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende meegewogen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zakkenrollen door met een zogenaamde ‘voetbaltruc’ de portemonnee met inhoud van een willekeurige voorbijganger af te nemen. Dat is een vervelend feit dat zorgt voor overlast, in dit geval voor de heer [slachtoffer 1] . De verdachte heeft zich hierom niet bekommerd en gehandeld met het oog op zijn eigen financieel gewin.

Daarnaast heeft de verdachte een voor hem onbekende persoon op zijn hoofd geslagen met een voorwerp. Het slachtoffer heeft hierdoor pijn en letsel ondervonden. Dit deed hij, net als het zakkenrollen, in een druk uitgaansgebied, met meerdere personen in de buurt die met dat geweld werden geconfronteerd. Dat veroorzaakt gevoelens van onrust en onveiligheid.

Het hof heeft kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: Raad) van 16 juli 2025 opgemaakt door [persoon 2] en [persoon 3] , raadsonderzoekers. Daarin werd een deels onvoorwaardelijke jeugddetentie met dadelijk uitvoerbare bijzondere voorwaarden geadviseerd. Op de zitting bij de rechtbank op 30 januari 2026 heeft de zittingsvertegenwoordiger van de Raad dit advies bijgesteld naar een deels onvoorwaardelijke jeugddetentie zonder bijzondere voorwaarden, omdat die al in een andere strafzaak waren opgelegd. Uit een van de Raad ontvangen rapportage van 3 juni 2026 die is opgesteld voor een andere strafzaak, volgt dat er al langere tijd zorgen bestaan over de verdachte, dat sprake is van psychische problematiek en middelengebruik. Hij heeft een belast verleden. Hij zou als alleenreizende minderjarige vreemdeling onlangs hebben gehoord dat zijn perspectief niet in Nederland ligt. Hij zou op verschillende afdelingen van het COA en Nidos wegens gedragsproblemen niet meer welkom zijn.

Op 11 augustus 2026 ontving het hof een e-mailbericht van zijn jeugdreclasseerder bij het Leger des Heils, waaruit volgt dat de verdachte sinds 24 juni 2026, de dag dat hij uit zijn laatste detentie kwam, vermist is. Dat hij als minderjarige al enige tijd volledig uit beeld is, terwijl hij juist hulp en begeleiding nodig lijkt te hebben, acht het hof zorgelijk.

Uit het strafblad van de verdachte van 6 augustus 2026 volgt dat hij voor soortgelijke strafbare feiten niet eerder onherroepelijk is veroordeeld. Wel heeft het hof er in het kader van het toepasselijke artikel 63 Wetboek van Strafrecht rekening mee gehouden dat de verdachte na deze feiten nog meerdere malen is veroordeeld tot onder meer onvoorwaardelijke, of inmiddels ten uitvoer gelegde voorwaardelijke, jeugddetentie.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof tot slot gelet op de straffen die doorgaans aan minderjarigen worden opgelegd bij soortgelijke feiten, zoals ook vervat in de oriëntatiepunten voor de strafoplegging van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hierin staat voor zakkenrollerij een taakstraf van 50 uur vermeld en voor een mishandeling met voorwerp, met enig letsel, een taakstraf van 60 uur, dan wel dienovereenkomstige jeugddetentie.

Omdat de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en op dit moment ook buiten elk zicht van instanties is, schat het hof de kans dat een taakstraf uitvoerbaar is, te laag in, zodat een jeugddetentie passend is. Het hof ziet door deze situatie ook geen reden een deel van de jeugddetentie voorwaardelijk op te leggen omdat niet realistisch is dat met oplegging van bijzondere voorwaarden gedragsverandering of hulpverlening wordt gerealiseerd.

Het hof acht alles afwegende de eerder door de rechtbank opgelegde jeugddetentie voor de duur van 1 maand met aftrek, ondanks de vrijspraak voor feit 2 en ondanks de latere veroordelingen, bij deze bewezenverklaring en persoonlijke omstandigheden passend en geboden. Het vindt met de advocaat-generaal dat de straf die de rechtbank heeft opgelegd voor de door haar bewezenverklaarde feiten, onvoldoende recht deed aan de ernst van alleen al de feiten 1 en 3.


Beslag
Het hof zal beslissen dat het in beslag genomen mes, nu dit niet aan de verdachte te koppelen is, ten behoeve van de rechthebbende zal worden bewaard.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.346,00, bestaande uit € 2.500,00 immateriële schade en € 846,00 materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van
€ 1.576,00, bestaande uit € 1.500,00 immateriële schade en € 76,00 materiële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en de eerdere vordering gehandhaafd. Ter terechtzitting heeft de advocaat van de benadeelde partij medegedeeld de vordering van de toekomstige schade van € 770,00 niet te handhaven.

Materiële schade
Het hof concludeert dat de gevorderde materiële schade ziet op verblijf in het ziekenhuis ten gevolge van het borstletsel, dat samenhangt met feit 2, waarvan de verdachte wordt vrijgesproken. De schade is daarom niet rechtstreeks toegebracht door het bewezenverklaarde feit, zodat de vordering op dit punt niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Immateriële schade
De gevorderde immateriële schadevergoeding ziet ook grotendeels op schade geleden ten gevolge van het borstletsel. Voor zover de schade aan feit 2 kan worden toegeschreven, dient de vordering daarom ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.


Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting en de onderbouwing van de vordering wel voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van de mishandeling (het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde) rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, nu de benadeelde partij enig lichamelijk (hoofd)letsel heeft opgelopen. Die schade komt voor vergoeding in aanmerking gelet op artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek.

Het hof neemt bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade de Rotterdamse Schaal tot uitgangspunt. In hoofdstuk 13 ‘licht letsel’ wordt onder c (herstelperiode ongeveer twee maanden) een bedrag tot € 1.100,00 genoemd. Alles afwegend, stelt het hof de omvang van de immateriële schade in dit geval naar billijkheid vast op € 500,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden, zodat de vordering voor het overige niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77h, 77i, 300 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair, 2 subsidiair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 3 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 1 (één) maand.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder
3 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade,
vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige niet-ontvankelijk.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op
17 november 2024.

Het hof gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- 1 STK MES (G6582793)

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. N.R.A. Meerbeek en mr. M.J.A. Colijn, in tegenwoordigheid van
mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
3 september 2026.

De oudste raadsheer en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[...]