Strafrecht overig

De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar en drie maanden omdat hij zich schuldig…

Zaakgegevens

Op 8 september 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
8 september 2026
Datum publicatie
8 september 2026
Zaaknummer
23-000015-23
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2564
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar en drie maanden omdat hij zich schuldig gemaakt aan doodslag en verboden wapenbezit. Hij heeft tijdens een afterparty in een uitgaansgelegenheid in Suriname meerdere keren met een vuurwapen, waarvoor hij geen vergunning had, op het slachtoffer geschoten, waarna het slachtoffer is overleden. Het beroep op noodweer wordt verworpen omdat het hof oordeelt dat niet is voldaan aan de proportionaliteitseis. Ook de beroepen op noodweerexces en putatief noodweer worden verworpen.

Procesgang

  1. Rechtbank Amsterdam · 22 december 2022

    ECLI:NL:RBAMS:2022:7754
  2. Gerechtshof Amsterdam · 8 september 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHAMS:2026:2564

    Overig

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000015-23

datum uitspraak: 8 september 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-029245-22 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1985,

thans gedetineerd in [detentieadres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 juli en 8 september 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht.


Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 12 januari 2018 te Paramaribo, althans in Suriname, opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door met een vuurwapen eenmaal of meermalen te schieten op / in de richting van die [slachtoffer] ;

2.
hij op of omstreeks 12 januari 2018 te Paramaribo, althans in Suriname, een wapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III sub 1 van de Wet wapens en munitie, met daarbij behorende munitie voorhanden heeft gehad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, wegens proceseconomische redenen en omdat het hof tot een andere strafoplegging komt dan de rechtbank.

Inleiding

In de vroege ochtend van 12 januari 2018 heeft in de bar/club [plek] in Paramaribo (hierna: [plek] ) een schietincident plaatsgevonden waarbij het slachtoffer [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) als gevolg van een schot in zijn borst is overleden. Het incident is door middel van camerabeelden vastgelegd en de verdachte heeft bekend dat hij die dag – met een vuurwapen waarvoor hij geen vergunning had – meermalen op het slachtoffer heeft geschoten. De verdachte stelt dat hij dit heeft gedaan om zichzelf en de andere aanwezigen in [plek] , die door de verdachte, zijn moeder en haar partner werd uitgebaat, te verdedigen tegen het slachtoffer.

In deze zaak staat daarom niet ter discussie of bewezen kan worden verklaard dat het de verdachte is geweest die het slachtoffer om het leven heeft gebracht door meermalen op hem te schieten, maar of de verdachte een beroep op (putatief) noodweer(exces) toekomt, zoals door de verdediging is bepleit.

Vrijspraak van de onder 1 impliciet primair tenlastegelegde moord

Het hof is, evenals de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging, van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte bij het doodschieten van het slachtoffer met voorbedachte raad heeft gehandeld. Daarvoor is namelijk nodig dat iemand zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het voorgenomen misdrijf en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Er is onvoldoende bewijs om daarvan te spreken, onder andere omdat uit de camerabeelden blijkt dat alles zich in korte tijd heeft afgespeeld.

Daarom spreekt het hof de verdachte vrij van de ten laste gelegde moord op het slachtoffer.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 12 januari 2018 te Paramaribo opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door met een vuurwapen meermalen te schieten op die [slachtoffer] ;

2.
hij op 12 januari 2018 te Paramaribo een wapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III sub 1 van de Wet wapens en munitie, met daarbij behorende munitie voorhanden heeft gehad.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn opgenomen.

Bewijsmiddelen

Omdat de verdachte de bewezenverklaarde doodslag en het voorhanden hebben van het wapen en de munitie heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak ten aanzien van deze feiten is bepleit, volstaat het hof met de navolgende opsomming van de bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).

Ten aanzien van feit 1 en 2:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg op 8 december 2022.

Ten aanzien van feit 1:

2. Een geschrift, te weten het Obductieverslag van 15 januari 2018, opgemaakt op 4 februari 2022 door drs. [persoon] [doorgenummerde pagina 277 t/m 279].

Ten aanzien van feit 2:

3. Een geschrift, te weten een vertaling van een proces-verbaal van verhoor verdachte te Frankrijk met nummer PV N° 2019/0443 van 10 september 2019, opgemaakt door een ambtenaar in dienst van een vreemde staat [doorgenummerde pagina 21].

4. Een proces-verbaal van bevindingen (kwalificatie vuurwapen/munitie) met nummer 2018184441 van 7 december 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] [ongenummerd].

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair bepleit dat de verdachte een beroep op noodweer toekomt. Het handelen van het slachtoffer leverde een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding op, waartegen de verdachte zich genoodzaakt zag te verdedigen. Het verdedigingsmiddel van de verdachte, te weten het schieten met zijn vuurwapen op het slachtoffer, staat, gelet op het feit dat dit incident zich in [geboorteland] heeft afgespeeld en op de omstandigheid dat er voor de verdachte een serieuze dreiging bestond dat hij neergeschoten zou worden, in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding van het slachtoffer.

Indien het hof van oordeel is dat de verdediging door de verdachte niet in redelijke verhouding staat tot de aanranding door het slachtoffer, komt aan de verdachte een beroep op noodweerexces toe. Zijn handelen was het gevolg van een hevige gemoedsbeweging die het onmiddellijke gevolg was van het handelen het slachtoffer. De verdediging stelt dat de verdachte heftiger reageerde dan hij anders zou hebben gedaan, omdat hij steeds opnieuw belaagd werd door het slachtoffer, angst ervaarde voor [plek] en de aldaar aanwezige personen, eerder met vuurwapengeweld te maken heeft gehad en het slachtoffer de verdachte eerder op de avond (terwijl hij een vuurwapen in zijn broeksband droeg, dat voor de verdachte zichtbaar was) had bedreigd. Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsvrouw.

Indien het hof tot het oordeel komt dat er geen sprake was van een noodweer(exces)situatie, heeft de verdediging het voorwaardelijk verzoek gedaan om getuige à décharge [getuige 1] te horen. Met het eerder toewijzen van dit getuigenverzoek op de regiezitting van 22 augustus 2023 is het verdedigingsbelang bij het horen van [getuige 1] gegeven en de verdediging stelt zich op het standpunt dat er onvoldoende is ondernomen om deze getuige te horen, om tot de conclusie te kunnen komen dat het gaat om een ‘onvindbare’ getuige. Met het niet kunnen horen van deze getuige voldoet de procedure in haar geheel niet aan het door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces.

Tot slot heeft de verdediging nog een beroep op putatief noodweer(exces) gedaan. De verdachte verkeerde in de veronderstelling dat hij (al dan niet ook met een vuurwapen) belaagd zou worden door het slachtoffer, zodat hij meende dat hij zich moest verdedigen.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het noodweerverweer, omdat er geen sprake was van een noodweersituatie op het moment dat de verdachte met getrokken wapen de confrontatie aanging met het slachtoffer. Bovendien was de worsteling tussen de verdachte en het slachtoffer al gestopt, het slachtoffer stond weer buiten [plek] en het gooien van de vuilniston was zijn laatste daad. Als het hof tot het oordeel komt dat er wél sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan meent de advocaat-generaal dat niet voldaan is aan de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit. Er was voor de verdachte een reële mogelijkheid om zich aan de aanval van het slachtoffer te onttrekken en daarnaast staat het meermaals schieten op het slachtoffer niet in verhouding tot het gooien van de vuilniston en de dreiging dat het slachtoffer mogelijk weer [plek] in zou komen. Verder is niet gebleken dat het handelen van de verdachte het gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, zodat hem ook geen beroep op noodweerexces toekomt. De verdachte komt evenmin een beroep op putatief noodweer toe, omdat op geen enkel moment op de camerabeelden een vuurwapen te zien is bij het slachtoffer, terwijl de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] daar ook niet over hebben verklaard. Een verontschuldigbare dwaling die enkel het gevolg is van een subjectieve inschatting van de verdachte, is niet toereikend. Tot slot moet het voorwaardelijk verzoek volgens de advocaat-generaal worden afgewezen, omdat alle mogelijke pogingen om de getuige [getuige 1] te horen zijn benut.

Oordeel van het hof

1 Bespreking van het beroep op noodweer

Het hof heeft bij de beoordeling van wat zich in en om [plek] heeft afgespeeld de – als objectieve bron aan te merken – camerabeelden als uitgangspunt genomen en deze naast de verklaring van de verdachte gelegd. Bij de beoordeling van het beroep op (putatief) noodweer(exces) gaat het hof uit van het volgende.

Op de beelden van de camera buiten, gericht op de hoofdingang van [plek] , is te zien dat de verdachte op 12 januari 2018 in de vroege ochtend, rond 06.18 uur, voor de deur bij de hoofdingang staat, naar binnen gaat en terug loopt naar de deur om deze vervolgens op slot te doen. Op dat moment komt ook het slachtoffer in beeld. Direct nadat de verdachte de deur op slot heeft gedaan voelt het slachtoffer aan de deurklink en trapt vervolgens tweemaal tegen het glas van de betreffende deur. Terwijl dat gebeurt, is op beelden van de camera binnen gericht op hoofdingang van [plek] te zien dat de verdachte [plek] binnenkomt en links uit beeld verdwijnt.

De verdachte heeft verklaard dat hij op dat moment binnen het rolluik heeft dichtgedaan. Dit volgt ook uit de beelden: op het moment dat de verdachte binnen uit beeld verdwijnt, is op de beelden van de hoofdingang buiten te zien dat het rolluik naar beneden zakt. Vervolgens verdwijnt de verdachte opnieuw even uit beeld en is hij weer te zien op de beelden van de camera binnen gericht op de rechterzijde van de bar en de zijuitgang, waarna vervolgens te zien is dat dat hij voor de bar langs richting de zijuitgang loopt en daar weer naar buiten gaat.

De verdachte heeft verklaard dat hij op het moment dat hij hier uit beeld verdwijnt, aan de linkerzijde van de bar zijn wapen uit zijn tas heeft gepakt, waarmee hij naar buiten is gelopen om de situatie rond de ingetrapte ruit in de voordeur te bekijken. Op de beelden van de zijingang buiten is te zien dat de verdachte buiten langs het pand weer naar de hoofdingang loopt. Daar verschijnt hij in beeld met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn rechterhand. Vervolgens is te zien dat een persoon aangeduid als NN5 – van wie de verdediging stelt dat dit getuige [getuige 1] is – contact maakt met de verdachte, hem bij zijn schouder pakt, iets tegen hem zegt en hem terug begeleidt naar de zijingang. De verdachte heeft over dit moment verklaard dat NN5 hem kalmeerde en hem zei ‘dat ding weg te zetten’ (het hof begrijpt: het wapen weg te doen) en weer naar binnen te gaan, waar hij naar geluisterd heeft.

Op de beelden van de hoofduitgang buiten is te zien dat – vlak nadat de verdachte met NN5 uit beeld verdwijnt richting de zijingang – het slachtoffer in beeld komt en naar de deur van de hoofdingang loopt, waar hij nogmaals aan de deurklink voelt. Daarna loopt ook hij buiten langs het pand in de richting van de zijingang van [plek] . Op het moment dat op de beelden van de camera gericht op de zijingang buiten te zien is dat de verdachte en NN5 [plek] weer binnengaan, komt het slachtoffer daar in beeld. Vlak voor de deuropening van de zijingang komt het slachtoffer in contact met NN5, die op dat moment net weer naar buiten stapt. NN5 lijkt het slachtoffer daar tegen te houden, waarop hij door het slachtoffer wordt vastgepakt en aan de kant wordt getrokken. Daarna is op de beelden van de camera binnen gericht op bar en de zijuitgang te zien dat een onbekend gebleven bezoeker van [plek] de deur opent, waarop het slachtoffer [plek] binnengaat en de onbekende bezoeker wegduwt. Direct daarop loopt hij naar de verdachte, die aan de bar zit vlak bij de zijingang, en duwt hem naar achteren verder [plek] in. Hier ontstaat direct een worsteling tussen de verdachte en het slachtoffer, welke worsteling te zien is op het beeld van de camera gericht op achterkant van de bar en dansvloer van [plek] .

De verdachte heeft verklaard dat hij na deze worsteling zijn wapen heeft getrokken en dit heeft gericht op het slachtoffer, terwijl hij het wapen met twee handen vasthield. Op datzelfde moment heeft hij drie tot vier maal het slachtoffer gewaarschuwd dat, wanneer hij [plek] weer binnen zou komen, hij zou schieten. Op de beelden is te zien dat het slachtoffer zich achteruit naar de zijingang beweegt, terwijl de verdachte tegelijkertijd met gestrekte armen en getrokken wapen in zijn richting loopt. Het slachtoffer stapt vervolgens naar buiten en grijpt een vuilniston, die buiten naast de zijingang staat, en gooit deze met kracht naar binnen in de richting van de verdachte, die nog steeds met getrokken wapen naast de bar staat in [plek] . Daarna gaat het slachtoffer buiten naast de zijingang staan, en kijkt om de hoek van de deuropening. Op de beelden binnen is te zien dat de verdachte, direct nadat het slachtoffer de ton in zijn richting heeft gegooid, met gestrekte armen met daarin het vuurwapen naar de deuropening van de zijingang loopt. Vervolgens is te zien dat er in de deuropening een schot wordt gelost waarbij de kogel naar buiten gaat, langs het slachtoffer.

De verdachte heeft verklaard dat dit eerste schot een waarschuwingsschot was, waarop het slachtoffer alsnog naar binnen is gekomen. Op de beelden is inderdaad te zien is dat het slachtoffer vrijwel tegelijkertijd met dit eerste schot in de deuropening van de zijingang stapt, waarbij hij zijn beide armen naar voren in de richting van de verdachte beweegt. Daarna rent hij op de verdachte af, die achteruit beweegt en een schot lost terwijl zijn armen gericht zijn op het slachtoffer. Volgens de verklaring van de verdachte was dit schot gericht op de borst van het slachtoffer. Daarna is op de beelden te zien dat de verdachte nog een derde schot lost, waarna het slachtoffer ten val komt. Tot slot schiet de verdachte nogmaals in de richting van het slachtoffer en verlaat [plek] . Over dat laatste schot heeft de verdachte verklaard dat hij dacht dat het slachtoffer weer zou opstaan en dat hij toen nog een keer op zijn hoofd heeft geschoten.

a. Juridisch kader

Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat sprake is van de noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of een anders lijf, eerbaarheid of goed. Hiervan is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging ‘nodig is voor de noodzakelijke verdediging’ worden zowel de subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Deze eisen hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was en of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was.

Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond. Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Dit is bijvoorbeeld niet het geval wanneer de positie van de verdachte en de ruimte waarin hij zich bevindt, redelijkerwijs geen mogelijkheid bieden tot onttrekking aan de aanranding.

Onttrekking aan de aanranding moet ook van de verdachte kunnen worden gevergd.

De proportionaliteitseis houdt in dat beoordeeld moet worden of het verdedigingsmiddel in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Hierbij gaat het zowel om de keuze van het verdedigingsmiddel, als de wijze waarop dat middel is gebruikt.

Oordeel van het hof

Het hof komt – anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal – tot de conclusie dat er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer van de verdachte. Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat het slachtoffer zich in een zeer kort tijdsbestek meermalen agressief heeft gedragen in de richting van de verdachte en de confrontatie met hem heeft opgezocht door de verdachte te duwen, een worsteling met hem aan te gaan, met kracht een vuilniston in zijn richting te gooien en door op de verdachte af te blijven komen, zelfs nadat de verdachte het eerste schot had gelost.

Het hof oordeelt verder dat er voor de verdachte geen reële en redelijke mogelijkheid bestond om zich aan deze (dreigende) aanranding te onttrekken. Het slachtoffer is tot tweemaal toe [plek] binnen gekomen via de enige in- en uitgang die op dat moment nog beschikbaar was (de zijingang) – de deur van de hoofdingang was namelijk op een eerder moment op slot gedraaid en ook het rolluik was al naar beneden gedaan – terwijl hij de verdachte actief op agressieve wijze bleef benaderen. Aan de subsidiariteitseis is daarom voldaan.

De laatste vraag die het hof in het kader van het beroep op noodweer dient te beantwoorden is of de door de verdachte gekozen wijze van verdedigen, in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Deze vraag beantwoordt het hof ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

De verdachte heeft verklaard dat hij op een eerder moment in die vroege ochtend, voorafgaand aan de situatie zoals hierboven beschreven, buiten [plek] en buiten het bereik van de camera, een sigaret stond te roken met de getuige [getuige 2] en dat hij toen door het slachtoffer is benaderd. Het slachtoffer zou hem toen met de dood hebben bedreigd en hebben vastgegrepen. De verdachte heeft ook verklaard dat hij op dat moment de handgreep van een vuurwapen in de broeksband van het slachtoffer heeft gezien.

Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat het slachtoffer de verdachte woordelijk heeft bedreigd en evenmin dat hij een vuurwapen bij zich droeg. De getuige [getuige 2] , de enige andere persoon die bij dit treffen aanwezig is geweest, heeft hierover enkel verklaard dat er een woordenwisseling heeft plaatsgevonden waarna de verdachte het slachtoffer heeft weggeduwd. Hij heeft bij het slachtoffer geen wapen gezien en heeft ook niet verklaard over een woordelijke bedreiging. De stelling dat het slachtoffer een wapen droeg vindt verder ook geen enkele steun in het dossier.

Het hof is dan ook van oordeel dat het door de verdachte gekozen verdedigingsmiddel (schieten met een vuurwapen) en de wijze waarop hij dat heeft gedaan, namelijk het meermalen schieten op vitale lichaamsdelen van het slachtoffer, niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding, die bestond uit duw- en trekwerk, het gooien van een vuilniston en het (ongewapend) op de verdachte afrennen.

Ten overvloede merkt het hof daarbij op dat zelfs indien het slachtoffer een wapen bij zich zou hebben gehad, de wijze waarop de verdachte zijn wapen heeft gebruikt niet proportioneel was. Uit de verklaring van de verdachte volgt namelijk dat het slachtoffer het vermeende wapen niet uit zijn broeksband heeft gehaald of op de verdachte heeft gericht. Ook onder die omstandigheden staat het gericht schieten in de borst én het schieten richting het hoofd van het slachtoffer niet in verhouding tot de ernst van de aanranding. Er is dan ook niet voldaan aan de zogenoemde proportionaliteitseis. Reeds gelet hierop wordt het beroep op noodweer verworpen.

2 Bespreking beroep op noodweerexces

a. Juridisch kader

Voor de beoordeling van een beroep op noodweerexces geldt dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien de verdachte – voor zover hier relevant – de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van zijn lijf of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was. Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging het ‘onmiddellijk gevolg’ moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het hier bedoelde ‘onmiddellijk gevolg’, kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging.

b. Oordeel van het hof

De door de verdediging gestelde hevige gemoedsbeweging bij de verdachte is vooral terug te voeren op de stelling van de verdachte dat het slachtoffer een wapen bij zich zou dragen en daarnaast is gewezen op het herhaaldelijk belagen van de verdachte door het slachtoffer en de omstandigheid dat alles zich afspeelde in “zijn heiligdom”. Uit de verklaring van de verdachte zelf volgt dat hij angstig was en dat hij onder invloed van adrenaline heeft geschoten, omdat hij het gevoel had dat hij geen keuze had.

Zoals in het kader van het beroep op noodweer al is overwogen, is het hof van oordeel dat wat door de verdachte wordt gesteld, namelijk dat het slachtoffer een wapen droeg en de verdachte heeft bedreigd, niet aannemelijk is, zodat het hof bij de beoordeling van het beroep op noodweerexces dan ook uitgaat van een ongewapend slachtoffer.

Dat de verdachte door het agressieve handelen van het slachtoffer bang is geworden wil het hof aannemen. Het hof acht echter niet aannemelijk dat het slachtoffer door zijn handelen bij de verdachte een hevige gemoedsbeweging heeft veroorzaakt die van doorslaggevend belang is geweest voor het schieten door de verdachte. Het dossier bevat, anders dan de verklaring van de verdachte dat hij bang was mede vanwege een eerdere ervaring met vuurwapengeweld en uitgaande van de door het hof vastgestelde gang van zaken, geen aanknopingspunten dat bij de verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging direct voorafgaand of op het moment dat hij schoot. Daarbij overweegt het hof dat de verdachte meermalen heeft geschoten waarvan in elk geval éénmaal gericht op de borst en vervolgens zelfs nog een keer nadat het slachtoffer al op de grond was gevallen, wat meer past bij bewust en beheerst schieten dan het gestelde schieten vanuit paniek. Het hof stelt in ieder geval vast dat met die wijze van schieten de grenzen van de noodzakelijke verdediging in ernstige mate zijn overschreden. Het beroep op noodweerexces wordt dan ook verworpen.

3 Bespreking van het voorwaardelijke verzoek en artikel 6 EVRM

Omdat het hof van oordeel is dat er geen sprake is van een noodweerexcessituatie, zoals hiervoor overwogen, is de aan het voorwaardelijk verzoek verbonden voorwaarde vervuld, zodat het hof toe komt aan de beoordeling daarvan.

a. Juridisch kader

Artikel 288, eerste lid aanhef en onder a, Sv in verbinding met artikel 287, derde lid aanhef en onder b, Sv kent de mogelijkheid af te zien van de hernieuwde oproeping van een niet verschenen getuige die aan de eerdere oproeping geen gevolg heeft gegeven, onder meer indien het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen. Dit kan onder meer aan de orde zijn als het gaat om een getuige die niet traceerbaar is of als te verwachten valt dat de getuige pas na verloop van lange tijd kan worden gehoord. De mogelijkheid om op grond van die bepaling af te zien van het oproepen van de getuige laat echter onverlet dat de rechter, voordat hij uitspraak doet, zich ervan dient te vergewissen dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 van het EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Dit volgt onder meer uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) over het door artikel 6 lid 3, aanhef en onder d, EVRM gewaarborgde ondervragingsrecht.

b. Oordeel van het hof

Beoordeling van het voorwaardelijk verzoek

De verdediging heeft op de regiezitting van 22 augustus 2023 verzocht [getuige 1] (NN5) als getuige te doen horen, welk verzoek het hof heeft toegewezen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 17 maart 2025 volgt dat er op 3 maart 2025 een videoverhoor gepland stond met de Surinaamse autoriteiten (hierna: [geboorteland]) voor het horen van de getuige [getuige 1] . Dit verhoor heeft geen doorgang gevonden, omdat het [geboorteland] niet is gelukt om de oproep voor verhoor aan de getuige te doen toekomen. De getuige [getuige 1] zou zich in het binnenland van [geboorteland] bevinden en het is onbekend waar hij mogelijk zou verblijven. Er is meermaals geprobeerd telefonisch contact te zoeken met de getuige met het nummer dat hij zelf aan de politie heeft gegeven. Ook is geprobeerd om via de familie van de getuige met hem in contact te komen. Afgesproken is dat de raadsheer-commissaris de gehele maand maart 2025 telefonisch contact zou proberen te zoeken met de getuige. De raadsvrouw heeft aangegeven dat zij in de tussentijd ook contact zou proberen te zoeken met de getuige via de moeder van de verdachte. Als uit deze pogingen begin april 2025 geen nadere duidelijkheid zou volgen, zou de raadsheer-commissaris het onaannemelijk achten dat de getuige binnen aanvaardbare termijn gehoord zou kunnen worden.

Uit het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris van 12 augustus 2025 volgt dat de griffier op 19 maart 2025 kort telefonisch contact heeft gehad met de getuige, die aangaf dat hij in het binnenland nauwelijks bereik had. Het is niet gelukt om tijdens dat korte telefoongesprek een verhoor in te plannen met de getuige. Aan [geboorteland] is opnieuw verzocht telefonisch contact op te nemen met de getuige, om een nieuw verhoor te plannen. Op 24 juli 2025 hebben de Surinaamse autoriteiten laten weten dat zij de getuige niet hebben kunnen bereiken op zijn telefoonnummer en dat zijn familieleden hem evenmin hebben kunnen bereiken. Gelet hierop achtte de raadsheer-commissaris het onaannemelijk dat de getuige [getuige 1] binnen aanvaardbare termijn gehoord zou kunnen worden.

Op 11 maart 2026 heeft de raadsheer-commissaris opnieuw een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. Daaruit volgt dat het AIRS op 17 oktober 2025 een e-mail doorgestuurd heeft gekregen vanuit [geboorteland] waaruit volgt dat zij bereid waren om de getuige [getuige 1] te vervoeren naar Paramaribo, zodat er een videoverhoor kon plaatsvinden op 15 december 2025, maar dat dat wel afhankelijk was van de vraag of de getuige gelokaliseerd kon worden. Op 19 december 2025 is gebleken dat het oproepen van de getuige niet is gelukt, omdat hij niet te vinden en niet te bereiken was. De raadsvrouw heeft op 10 december 2025 een e-mail gestuurd naar het kabinet waarin zij heeft bericht dat de moeder van de verdachte ten aanzien van de getuige [getuige 1] navraag heeft gedaan en dat zij geen telefoonnummer heeft kunnen achterhalen, maar wel een Facebookaccount, via welk account het wellicht mogelijk zou zijn om met de getuige te communiceren. Op 25 februari 2026 heeft het kabinet in Paramaribo bericht dat de getuige weer in de binnenlanden van [geboorteland] verblijft en dat hij niet via het verkregen Facebookaccount benaderd kon worden. Gelet op het voorgaande, de eerdere vaststelling dat de getuige in de binnenlanden zeer slecht te bereiken is en gelet op de mededeling dat de getuige nog steeds of opnieuw in de binnenlanden van [geboorteland] verblijft, was de raadsheer-commissaris van oordeel dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen aanvaardbare termijn kon worden gehoord. De pogingen tot het (doen) horen van de getuige [getuige 1] zijn daarom wederom gestaakt.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het een slap excuus is dat de getuige niet gehoord kan worden omdat hij zich in het binnenland van [geboorteland] bevindt, terwijl het binnenland vrij goed bereikbaar zou zijn via airstrips en riviertrips. Het hof is van oordeel dat op basis van het voorgaande voldoende is komen vast te staan dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn zou kunnen verschijnen om te worden gehoord. Een adres of verblijfplaats van deze getuige is niet bekend geworden, en evenmin enig aanknopingspunt daartoe. Daarbij is gebleken dat de getuige telefonisch zeer slecht bereikbaar is en dat het na vele pogingen niet is gelukt om een verhoor te plannen.

Gelet daarop, en gelet op de omstandigheid dat een nieuwe verwijzing naar het kabinet en een nieuw rechtshulpverzoek naar de Surinaamse autoriteiten veel tijd met zich mee zal brengen, is het hof van oordeel dat van de (hernieuwde) oproeping van de getuige kan worden afgezien. Het hof wijst het voorwaardelijk verzoek tot aanhouding om de getuige [getuige 1] te horen daarom af.

Eerlijk proces

Uit het voorgaande vloeit voort dat de verdediging ten aanzien van de getuige [getuige 1] niet het ondervragingsrecht heeft kunnen effectueren. Het hof dient vervolgens te beoordelen of het proces als geheel eerlijk is verlopen in het kader van artikel 6 EVRM. Het hof zal bij die beoordeling aansluiten bij de drie stappen die in de rechtspraak van het EHRM deel uitmaken van de beoordeling of, in gevallen waarin de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen, het proces als geheel eerlijk is verlopen.

Van belang zijn (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd.

i) Gelet op de conclusie die uit het voorgaande kan worden getrokken – namelijk dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen aanvaardbare termijn kan worden gehoord alsmede dat voldoende vast is komen te staan dat de Nederlandse autoriteiten in dit verband hebben voldaan aan de inspanningsverplichting die volgt uit artikel 6, derde lid onder d, EVRM – is er naar het oordeel van het hof een goede reden dat de getuige niet is gehoord.

ii) en iii) De verdediging heeft gesteld dat de verklaring van de getuige [getuige 1] naar redelijke verwachting ontlastende informatie kan bevatten voor de verdachte, omdat hij zou kunnen verklaren over zijn confrontatie met het slachtoffer bij de zijingang, de staat waarin het slachtoffer verkeerde en de aanwezigheid van een wapen bij het slachtoffer. Het hof stelt op basis van de verklaring van de verdachte zelf vast dat de verdachte enkel een wapen heeft gezien bij het slachtoffer op een moment waarop de getuige [getuige 1] niet aanwezig is geweest. De getuige die daar wél bij aanwezig was, getuige [getuige 2] , is op verzoek van de verdediging in hoger beroep wel gehoord (hetgeen als compenserende factor kan worden aangemerkt) en heeft verklaard dat hij geen wapen heeft gezien bij het slachtoffer. Om voornoemde reden acht het hof de strafprocedure in eerste aanleg en in hoger beroep, achteraf en over het geheel beschouwd, eerlijk verlopen zoals bedoeld in artikel 6 EVRM. Het verweer wordt daarom verworpen.

4 Bespreking beroep op putatief noodweerexces

a. Juridisch kader

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat als een beroep is gedaan op het zogenoemde putatieve noodweer de rechter zal “moeten onderzoeken of sprake was van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld”. Beslissend daarbij is de beoordeling van een objectieve waarnemer ten tijde van het handelen. Puur subjectieve vergissingen van de verdachte doen niet ter zake. Bij een vergissing die de objectieve waarnemer niet zou maken, is er geen sprake van een gerechtvaardigd beroep op noodweer en is er evenmin veel ruimte voor verontschuldigbare dwaling.

b. Oordeel van het hof

Ter onderbouwing van het beroep op putatief noodweer(exces) heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat hij, al dan niet met een vuurwapen, belaagd zou worden. Omdat het hof hiervoor al heeft overwogen dat de verdachte zich weliswaar in een noodweersituatie bevond en dat hij zich tegen de aanranding door het slachtoffer mocht verdedigen, maar dat deze verdediging niet in een redelijke verhouding stond tot de aanranding van het slachtoffer, zal het hof zich hier beperken tot de vraag of de verdachte de aard van de dreiging die uitging van het slachtoffer verkeerd heeft beoordeeld. Deze vraag beantwoordt het hof ontkennend. Zoals hiervoor ook is overwogen vindt de stelling van de verdachte dat het slachtoffer een vuurwapen bij zich droeg geen enkele steun in het dossier. Omdat de vergissing van de verdachte over de aanwezigheid van het wapen niet gebaseerd is op objectieve feiten en omstandigheden kan dan ook niet volgen dat de verdachte zich verontschuldigbaar het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld, zodat ook het beroep op putatief noodweer(exces) wordt verworpen.

Algehele conclusie

Al met al komt het hof tot de conclusie dat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Ook is de verdachte strafbaar.

Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van doodslag

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Oplegging van de straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 13 jaren, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag en verboden wapenbezit.

In de vroege ochtend van 12 januari 2018 heeft hij tijdens een afterparty in de [plek] in Paramaribo meerdere keren met een vuurwapen, waarvoor hij geen vergunning had, op het slachtoffer geschoten. Het slachtoffer is door de schotverwoning in zijn borst overleden.

De verdachte heeft het slachtoffer zijn leven afgenomen, het ergste wat een mens een ander mens kan aandoen. Met zijn handelen heeft hij een onherstelbaar verlies veroorzaakt en groot leed toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer. De vader van het slachtoffer heeft dat op een indrukwekkende en aangrijpende manier onder woorden gebracht in zijn verklaring, die door zijn advocaat ter zitting is voorgelezen.

Een dodelijk schietincident in een uitgaansgelegenheid met veel aanwezigen zorgt bovendien voor gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Hoewel het hof inziet dat de verdachte zich in een dreigende situatie bevond, vindt het hof het zeer kwalijk dat de verdachte met een doorgeladen vuurwapen de confrontatie met het slachtoffer is aangegaan. Illegaal vuurwapenbezit vormt een onaanvaardbare bedreiging van de veiligheid van personen, wat in onderhavige zaak pijnlijk duidelijk is geworden. De verdachte heeft nota bene verklaard dat hij zelf ooit het slachtoffer is geweest van vuurwapengeweld, wat het handelen van de verdachte nog onbegrijpelijker maakt.

Nadat hij het slachtoffer heeft doodgeschoten is hij gevlucht uit [geboorteland] en heeft zich niet bij de politie gemeld. De Nederlandse justitie heeft hem pas anderhalf jaar later kunnen traceren, toen bleek dat de verdachte in Frankrijk een langdurige gevangenisstraf voor een drugsdelict uitzat. Door dit handelen van de verdachte kon de berechting pas veel later plaatsvinden en hebben de nabestaanden deze verschrikkelijke gebeurtenis jaren lang niet kunnen afsluiten. Dat rekent het hof de verdachte ook aan.

Het hof acht het zowel kwalijk als zorgelijk dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, ruim acht jaar na het delict, nog steeds geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gewelddadige handelen. De verdachte schuift de schuld vrijwel volledig af op het slachtoffer en hij noemt zichzelf nadrukkelijk het slachtoffer van wat er 12 januari 2018 is gebeurd.

Gelet op de aard en ernst van de feiten is het hof van oordeel dat alleen een substantiële, onvoorwaardelijke gevangenisstraf als sanctie in aanmerking komt. Het hof houdt rekening met de omstandigheden waaronder met name feit 1 is begaan en zal die in strafmatigende zin meewegen. De verdachte bevond zich in een bedreigende situatie doordat het slachtoffer zich in een zeer kort tijdsbestek meermalen agressief heeft gedragen in zijn richting en de confrontatie met hem heeft opgezocht. Hoewel deze aanranding door het slachtoffer het handelen van de verdachte geenszins rechtvaardigt, vindt het hof hierin en gelet op hetgeen doorgaans in soortgelijke doodslag-zaken wordt opgelegd, aanleiding om tot een aanzienlijk lagere gevangenisstraf te komen dan de straf die de rechtbank heeft opgelegd en door de advocaat-generaal is geëist, welke straf dicht aan zit tegen de in 2018 geldende maximale gevangenisstraf voor doodslag.

Het hof acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van voorarrest passend en geboden.

Het hof stelt vast dat er in hoger beroep sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld op 2 januari 2023 en het hof wijst arrest op 8 september 2026. De totale overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep bedraagt meer dan 2 jaar (27 maanden). Het hof zal dit meewegen bij de strafoplegging en de duur van de gevangenisstraf verminderen tot 8 jaren en 3 maanden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 24.620,47 en de gestelde schade bestaat uit:

  1. € 631,75 aan materiële schade, bestaande uit uitvaartkosten;

  2. € 988,72 aan materiële schade, bestaande uit reis- en verblijfskosten in verband met de uitvaart;

  3. € 3.000,00 aan materiële schade, bestaande uit toekomstige medische (reis)kosten en

  4. € 20.000,00 aan immateriële schade.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.620,47. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat op de vordering dient te worden beslist zoals de rechtbank heeft gedaan.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering gelet op het gedane beroep op noodweer(exces). Subsidiair heeft zij verzocht aansluiting te zoeken bij de beslissing van de rechtbank.

Materiële schade

Op grond van artikel 6:108 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan degene die de kosten voor de lijkbezorging heeft gedragen deze kosten vorderen. De gevorderde materiële schadevergoeding die ziet op deze kosten, de uitvaartkosten en de reis- en verblijfskosten voor de uitvaart, zijn niet betwist en komen het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor en zullen daarom worden toegewezen. Het hof verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding die ziet op de posten toekomstige schade (toekomstige medische kosten en toekomstige reis- en parkeerkosten), nu vooralsnog onvoldoende aannemelijk is dat deze kosten ook echt gemaakt zijn of zullen worden.

Immateriële schade

Voor het hof staat buiten twijfel dat de ouders van het slachtoffer diep zijn getroffen door het overlijden van hun zoon. Het hof heeft oog voor het enorme verdriet en het leed dat zij ondervinden als gevolg daarvan. Dat neemt niet weg dat de rechter een vordering tot vergoeding van schade alleen kan toewijzen als de wet daar een grondslag voor biedt. Bij gebrek aan enige onderbouwing van de immateriële schade oordeelt het hof dat een afdoende wettelijke grondslag voor toewijzing van schade er in dit concrete geval niet is. Het hof wijst de vordering voor wat betreft de immateriële schade dan ook af.

Conclusie

Het hof concludeert dat de vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.620,47 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het schadeveroorzakende feit, tot de dag van de voldoening. Omdat uit de overgelegde stukken niet de exacte datum blijkt waarop de kosten zijn gemaakt heeft het hof, evenals de rechtbank, de datum voor de wettelijke rente bepaald op de dag van overlijden, te weten 12 januari 2018.

Ten aanzien van de gevorderde toekomstige materiële schade zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in deze vordering. De gevorderde immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 23.000,00, bestaande uit € 3.000,00 aan toekomstige medische (reis)kosten en € 20.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat op de vordering dient te worden beslist zoals de rechtbank heeft gedaan.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering gelet op het gedane beroep op noodweer(exces). Subsidiair heeft zij verzocht aansluiting te zoeken bij de beslissing van de rechtbank

Het hof oordeelt als volgt.

Ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding die ziet op de posten toekomstige schade (toekomstige medische kosten en toekomstige reis- en parkeerkosten), is vooralsnog onvoldoende aannemelijk dat deze kosten ook echt gemaakt zijn of zullen worden, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard ten aanzien van de gevorderde materiële schade.

Voor de gevorderde immateriële schade geldt hetzelfde als bij de vordering van de benadeelde partij Hanibal: een afdoende wettelijke grondslag voor toewijzing van schade is er in dit concrete geval niet. Het hof wijst de vordering ten aanzien van deze post dan ook af.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 55, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren en 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.620,47 (duizend zeshonderdtwintig euro en zevenenveertig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) aan immateriële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.620,47 (duizend zeshonderdtwintig euro en zevenenveertig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 16 (zestien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 12 januari 2018.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) aan immateriële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de straf.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.W.T. Klappe, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van mr. D. Damman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 september 2026.

mr. B.E. Dijkers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 28 juli 2026. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 28 juli 2026. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 28 juli 2026. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 28 juli 2026. Een proces-verbaal van (3e) verhoor verdachte van 10 februari 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [doorgenummerde pagina 18]. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 28 juli 2026. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 8 december 2022. Een proces-verbaal van 17 januari 2024, opgemaakt door mr. G.M. Boekhoudt, raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het hof Amsterdam [ongenummerd]. Een proces-verbaal van (3e) verhoor verdachte van 10 februari 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [pagina’s 15 en 18]