Strafrecht overig
Mishandeling door slaan met tas in het gezicht. Nadere bewijsoverweging. In beginsel taakstraf van 20 uren…
ECLI:NL:GHAMS:2026:2598 · Gerechtshof Amsterdam · 28 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2598
Zaakgegevens
Op 28 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 28 augustus 2026
- Datum publicatie
- 9 september 2026
- Zaaknummer
- 23-000364-22
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2598
Samenvatting
Mishandeling door slaan met tas in het gezicht. Nadere bewijsoverweging. In beginsel taakstraf van 20 uren passend en geboden. Vanwege ouderdom van het feit, is naar het oordeel van het hof geen strafdoel meer gediend met de daadwerkelijke tenuitvoerlegging daarvan. Taakstraf geheel voorwaardelijk. Vordering benadeelde partij: niet-vergoedde zorgkosten N-O. Immateriële schadevergoeding van 5000 euro billijk.
Uitspraak
Inhoudsopgave
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000364-22
datum uitspraak: 28 augustus 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 14 februari 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-173107-20 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
14 augustus 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
zij op of omstreeks 27 december 2019 te Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] (met een voorwerp) tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan/stompen en/of te schoppen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten kapotte zenuwen in een of meer (voor)tanden en/of (een) ontsteking(en) in de kaak, althans in ieder geval letsel dat herhaald medisch (tandheelkundig) ingrijpen noodzakelijk maakte, althans in ieder geval zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Bewijsoverweging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bestaat dat de verdachte het tenlastegelegde geweld heeft gepleegd. Hij heeft er, kort samengevat, op gewezen dat zowel aangeefster als getuige [getuige 1] bij de raadsheer-commissaris op onderdelen meer in belastende zin hebben verklaard dan eerder bij de politie, terwijl zij bij de politie hadden verklaard zich het incident niet of niet volledig te kunnen herinneren. Volgens de raadsman kan aan die latere verklaringen daarom geen nadere duiding worden ontleend. Daarnaast heeft de raadsman erop gewezen dat de verklaring van de getuige [getuige 2] steun biedt aan de verklaring van aangeefster.
De advocaat-generaal heeft eveneens gerekwireerd tot vrijspraak, vanwege onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.
Het hof overweegt als volgt.
Aangeefster heeft bij de politie verklaard dat zij werd uitgescholden door de verdachte die zich naar haar toedraaide en dicht bij haar stond en dat ze zich hierna niet meer goed kan herinneren wat er is gebeurd. Ze vermoedt dat de verdachte haar met een voorwerp in het gezicht heeft geslagen, want toen ze bijkwam, voelde ze dat er iets goed mis was met haar mond en tanden. Ze had een keiharde klap op haar mond gehad en kon haar tanden niet op elkaar doen en merkte dat ze sliste. Haar bovenlip werd dik, ze was duizelig en had hoofdpijn en voelde dat haar mond bloedde. De getuige [getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat de verdachte aangeefster sloeg en dat de klap zo hard was dat aangeefster op de grond viel. Zij herinnert zich niet hoe de verdachte sloeg, maar zag dat de mond van aangeefster toen ze opstond onder het bloed zat. De getuige [getuige 2] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat hij heeft gezien dat de verdachte aangeefster met een tas sloeg. De verklaringen die aangeefster en getuige [getuige 1] later bij de raadsheer-commissaris hebben afgelegd, wijken niet zodanig af van hun eerdere verklaringen dat het hof twijfelt aan de verklaringen die bij de politie zijn afgelegd. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aangeefster met een tas in het gezicht heeft geslagen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verdachte in eerste instantie zelf ook bij de politie heeft verklaard dat zij haar plastic tas met make-up, kleding en flessen make up-remover naar achteren slingerde en aangeefster, volgens haar, in het gezicht raakte. Verder neemt het hof in aanmerking dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat zij haar tas van linksonder naar rechtsboven slingerde en dat aangeefster op dat moment op een korte afstand van haar stond.
De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte niet het opzet had aangeefster te mishandelen.
Het hof verwerpt dit verweer. Door met een plastic tas met (make-up) spullen een slaande beweging te maken van linksonder naar rechtsboven in de richting van aangeefster die op korte afstand van de verdachte stond heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij aangeefster met de tas in het gezicht zou raken en haar daardoor pijn en/of letsel zou toebrengen. Dat dit al dan niet een reactie is geweest op een drankje dat over haar heen is gegooid – hetgeen de verdachte verklaart en aangeefster ontkent – maakt dat niet anders.
Uit de stukken volgt dat de twee voortanden van aangeefster door de klap met de tas zijn afgestorven en vervangen moeten worden. Hoewel het hof begrijpt dat dit heel ingrijpend is voor aangeefster acht het hof niet bewezen dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het vervangen van voortanden een veelvoorkomende behandeling is, waarvoor chirurgisch ingrijpen niet noodzakelijk is, en dat als de tanden eenmaal vervangen zijn de schade niet meer zichtbaar is.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op 27 december 2019 te Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] met een voorwerp tegen het hoofd te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten kapotte zenuwen in een of meer voortanden en ontstekingen in de kaak ten gevolge heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
Mishandeling
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 20 uren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken.
De raadsman heeft verzocht om, in geval van een bewezenverklaring, toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht vanwege de ouderdom van het feit.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft aangeefster met een tas in haar gezicht geslagen. De verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster. Als gevolg van de mishandeling heeft aangeefster fors letsel aan haar gebit opgelopen, waarvan zij tot op heden de gevolgen ondervindt. Daarnaast heeft de gebeurtenis psychische nadelige gevolgen voor haar gehad.
Het hof acht in beginsel een taakstraf voor de duur van 20 uren passend en geboden. Vanwege de ouderdom van het feit, is naar het oordeel van het hof geen strafdoel meer gediend met de daadwerkelijke tenuitvoerlegging daarvan. Het hof zal daarom de taakstraf geheel voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van één jaar.
Het hof stelt voorts vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de op te leggen straf, volstaat het hof met de constatering van deze overschrijding.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 7.678,12 en bestaat uit € 2.678,12 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het oorspronkelijke bedrag.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, gelet op de gevorderde vrijspraak.
Materiële schade
De vordering tot vergoeding van materiële schade is opgebouwd uit kosten voor de endodontoloog ter hoogte van € 1.156,80, niet-vergoedde zorgkosten ter hoogte van € 1.387,68 en reiskosten ter hoogte van € 133,64.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Het hof is van oordeel dat de gevorderde kosten voor de endodontoloog (€ 1.156,80) en de reiskosten (€ 133,64) voor volledige toewijzing in aanmerking komen, vermeerderd met de wettelijke rente. Deze schadeposten zijn voldoende toegelicht en onderbouwd in het schriftelijk verzoek tot schadevergoeding.
Voor de overige gevorderde materiële schade, bestaande uit niet-vergoede zorgkosten (€ 1.387,68), is onvoldoende gebleken dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Uit de overgelegde stukken blijkt onvoldoende waarop deze zorgkosten betrekking hebben, zodat het causaal verband met het bewezenverklaarde niet kan worden vastgesteld. De benadeelde partij zal daarom in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Immateriële schade
Artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) brengt mee dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dat is hier het geval.
Bij het naar billijkheid vaststellen van de omvang van de immateriële schade heeft het hof gelet op de aard en de ernst van de normschending en het letsel – zoals hiervoor beschreven onder de bewijsoverweging –, de verwachting van het herstel, bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en de Rotterdamse Schaal. Het hof betrekt daarbij ook de psychische gevolgen die de benadeelde partij van het letsel heeft ondervonden. Zij heeft lange tijd in onzekerheid verkeerd over het herstel van haar gebit en de behandelingen namen veel van haar tijd in beslag. Daarnaast heeft het letsel grote impact gehad op haar zelfvertrouwen.
Het hof acht op basis van het voorgaande de gevorderde immateriële schadevergoeding van € 5.000,00 in de gegeven situatie billijk. Het hof wijst dit deel van de vordering daarom geheel toe, vermeerderd met de wettelijke rente.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 12 (twaalf) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.290,44 (zesduizend tweehonderdnegentig euro en vierenveertig cent) bestaande uit € 1.290,44 (duizend tweehonderdnegentig euro en vierenveertig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.290,44 (zesduizend tweehonderdnegentig euro en vierenveertig cent) bestaande uit € 1.290,44 (duizend tweehonderdnegentig euro en vierenveertig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 56 (zesenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 27 december 2019.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.E. Kwak, mr. H.A. van Eijk en mr. A.C. Bijlsma, in tegenwoordigheid van mr. R.C.E. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 augustus 2026.
=========================================================================
[…]
[…]