Strafrecht overig
Mishandelingen van toenmalige vriend, begeleidster van toenmalige vriend en voorbijganger. Bij de verdachte…
ECLI:NL:GHAMS:2026:2603 · Gerechtshof Amsterdam · 30 januari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2603
Zaakgegevens
Op 30 januari 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 30 januari 2026
- Datum publicatie
- 10 september 2026
- Zaaknummer
- 23-000961-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2603
Samenvatting
Mishandelingen van toenmalige vriend, begeleidster van toenmalige vriend en voorbijganger. Bij de verdachte was ten tijde van deze feiten sprake van een zorgelijk psychisch toestandsbeeld. Het hof houdt hier (met het oog op doelmatig straffen) in sterke mate rekening mee bij het bepalen van de op te leggen straf, en ziet hierin ook de noodzaak tot het stellen van voorwaarden. Hof legt een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden op, met een proeftijd van twee jaren. Aan de voorwaardelijke straf worden als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling en verblijf in instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang verbonden. Toewijzing vordering benadeelde partij.
Uitspraak
Inhoudsopgave
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000961-25
datum uitspraak: 30 januari 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 4 april 2025 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-199709-24 en 13-238738-24 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1991,
adres: [adres 1] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.
Tenlasteleggingen
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 13-199709-24 (hierna: zaak A):
1.
hij op of omstreeks 18 juni 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1]
- ( meermaals) in haar buik te stompen
en/of
- ( meermaals) in tegen haar ribben en/of benen en/of het lichaam te trappen;
2.
hij op of omstreeks 17 juni 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zijn levensgezel, [slachtoffer 2] , heeft mishandeld door die [slachtoffer 2]
- ( meermaals) in het gezicht en/of op het hoofd te slaan
en/of
- ( meermaals) tegen de buik en/of ribben, althans het lichaam, te schoppen;
Zaak met parketnummer 13-238738-24 (gevoegd; hierna: zaak B):
hij op of omstreeks 2 juli 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] met de (rechter)hand (met kracht) te slaan in/op/tegen het gezicht, althans het lichaam.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een (deels) andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Bewijsoverweging ten aanzien van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de aangifte onvoldoende steun vindt in het dossier. De door de verdachte in zijn politieverhoor afgelegde verklaring kan niet voor het bewijs worden gebruikt, nu de verdachte slechts in algemene zin over geweld in de relationele sfeer heeft verklaard en niet heeft verklaard over het ten laste gelegde incident. Uit de letselfoto’s volgt niet door wie en wanneer het letsel is toegebracht. Daarnaast bevat het dossier alleen foto’s van letsel in het gezicht van de aangever, dit terwijl de aangever heeft verklaard ook tegen de ribben te zijn geschopt.
Het hof overweegt als volgt.
Uit de aangifte volgt onder meer dat de aangever op 18 juni 2024 door de verdachte op zijn voorhoofd en tegen de zijkant van zijn gezicht zou zijn geslagen. In het dossier bevinden zich foto’s van het letsel in het aangezicht van de verdachte, door de politie gemaakt en bij de aangifte gevoegd. Op die foto’s zijn, zoals ter zitting is geconstateerd, verwondingen, bloeduitstortingen en een rode verkleuring in het gezicht te zien. Ook zijn een open schaafwond op het voorhoofd en een open schaafwond onder één van de ogen (ter hoogte van het jukbeen) zichtbaar. Naar het oordeel van het hof vindt de aangifte steun in het geconstateerde letsel, omdat dit letsel aansluit bij de geweldshandelingen waar de aangever over verklaart en bij de plekken waar de aangever verklaart in het gezicht te zijn geraakt. Nu het hof ook voor het overige niet is gebleken van een reden om aan (de betrouwbaarheid van) de aangifte of aangever te twijfelen, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 2 ten laste gelegde heeft begaan. Wel zal het hof de verdachte partieel vrijspreken van het bestanddeel levensgezel, omdat daarvan niet is gebleken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak A:
1.
hij op 18 juni 2024 te Amsterdam [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1]
- in haar buik te stompen en
- (meermaals) tegen haar ribben en benen en het lichaam te trappen.
2.
hij omstreeks 17 juni 2024 te Amsterdam [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2]
- meermaals in het gezicht te slaan.
Zaak B (gevoegd):
1.
hij op 2 juli 2024 te Amsterdam [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] te slaan in het gezicht.
Hetgeen in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B bewezenverklaarde levert op:
telkens:
mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijk strafdeel heeft de politierechter – als bijzondere voorwaarden – een meldplicht, een plicht tot ambulante behandeling en een verplichting tot begeleid wonen of verblijf in een maatschappelijke opvang verbonden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als opgelegd door de politierechter.
De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden op te leggen, onder dezelfde bijzondere voorwaarden als gesteld door de politierechter. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte zicht heeft op een begeleide woonplaats in [woonplaats], waar hij langdurig begeleid kan worden en momenteel verkeert verdachtes gedrag in rustiger vaarwater. De oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou dat kunnen beletten. Voorts heeft zij aangevoerd dat de verdachte ten tijde van de feiten erg kwetsbaar en mogelijk psychotisch was, en heeft zij aangevoerd dat de verdachte sinds de onderhavige zaken niet meer met justitie in aanraking is geweest.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zijn toenmalige vriend [slachtoffer 2] in het gezicht geslagen, en heeft de begeleidster van zijn toenmalige vriend, [slachtoffer 1] , in het gezicht geslagen en op meerdere plekken tegen het lichaam geschopt. Dit vond plaats in/bij de woning van [slachtoffer 2] en op de galerij van het betreffende gebouw. Ook heeft de verdachte [slachtoffer 3] mishandeld door haar op straat, voor zover valt na te gaan zonder enige aanleiding, in het voorbijgaan in het gezicht te slaan. Met deze mishandelingen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van de slachtoffers geschonden. Het gaat om drie ernstige feiten. Ten aanzien van [slachtoffer 2] vond de mishandeling plaats in zijn woning, een plek waar hij zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen. Dergelijke feiten kunnen daarnaast bijdragen aan gevoelens van onrust en onveiligheid bij personen die daarvan plots getuige zijn.
Uit het dossier en het ter terechtzitting verhandelde is gebleken dat bij de verdachte ten tijde van deze feiten sprake was van een zorgelijk psychisch toestandsbeeld. Het hof houdt hier (met het oog op doelmatig straffen) in sterke mate rekening mee bij het bepalen van de op te leggen straf, en ziet hierin ook de noodzaak tot het stellen van na te melden voorwaarden.
Het hof acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur – onder dezelfde bijzondere voorwaarden als in eerste aanleg zijn geadviseerd en opgelegd – passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 920,00, bestaand uit € 170,00 vergoeding van materiële schade en
€ 750,00 vergoeding van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering is voldoende onderbouwd, er is sprake van een voldoende rechtstreeks verband tussen de schade en het strafbare feit en de schade is niet door de verdediging betwist. Nu dit deel van de vordering het hof voorts niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, ligt dit deel van de vordering voor toewijzing gereed.
Immateriële schade
Ook de gevorderde immateriële schade zal het hof toewijzen. Het hof is, gelet op de onderbouwing en het verhandelde ter terechtzitting, van oordeel dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, nu sprake is van lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Ook heeft het bewezenverklaarde handelen psychische gevolgen gehad voor de benadeelde partij en had het bewezenverklaarde een negatieve weerslag op haar werk als hulpverlener.
Het hof begroot de immateriële schade naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard en de ernst van het letsel. Voorts let het hof bij de begroting op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en op de Rotterdamse schaal. Al met al begroot het hof de immateriële schade op het gevorderde bedrag van € 750,00.
De verdachte is tot vergoeding van de materiële en immateriële schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Het hof zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Meldplicht
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken plaatsvinden. De verdachte meldt zich binnen vijf werkdagen na het onherroepelijk worden van het arrest tussen 09:00 en 12:00 uur bij de bureaudienst van reclassering Inforsa op het volgende adres: [adres 2].
Ambulante behandeling
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich ambulant (zonder opname) gedurende de proeftijd laat behandelen door GGZinGeest of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling noodzakelijk vindt. De verdachte zet zijn huidige behandeling voort, ook indien de zorgmachtiging op een eventueel later moment niet meer van kracht is. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op diagnostiek en aanpak van de problematiek van de verdachte. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Hieronder kan ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
Begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat noodzakelijk vindt, verblijft in HCO Querido of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem opstelt.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-199709-24 onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 920,00 (negenhonderdtwintig euro) bestaande uit € 170,00 (honderdzeventig euro) materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 920,00 (negenhonderdtwintig euro) bestaande uit € 170,00 (honderdzeventig euro) materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 9 (negen) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
- 20
juni 2024 over een bedrag van € 85,00
- 26 juni 2024 over een bedrag van € 85,00
en van de immateriële schade op
- 18 juni 2024.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.A.A. Postma, mr. A.W.T. Klappe en mr. M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van mr. M.C. de Rade, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 januari 2026.
mrs. M.A.H. van Dalen-van Bekkum en M.C. de Rade zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]