Strafrecht overig
Mishandeling in klaslokaal en belediging van ambtenaren. De verdachte heeft – naar aanleiding van een ruzie…
ECLI:NL:GHAMS:2026:2604 · Gerechtshof Amsterdam · 30 januari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2604
Zaakgegevens
Op 30 januari 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 30 januari 2026
- Datum publicatie
- 10 september 2026
- Zaaknummer
- 23-001165-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2604
Samenvatting
Mishandeling in klaslokaal en belediging van ambtenaren. De verdachte heeft – naar aanleiding van een ruzie tussen zijn zusje en het slachtoffer – verhaal gehaald bij het slachtoffer en in een klaslokaal meerdere stoelen naar hem gegooid. Daarnaast heeft de verdachte zich – in een op dat moment met terrasbezoekers gevulde straat – schuldig gemaakt aan de belediging van een drietal opsporingsambtenaren. Inmiddels bevindt de verdachte zich in een begeleidend kader van de reclassering en zet hij zich actief voor zijn opleiding in. Ook ziet de verdachte inmiddels in dat hij absoluut niet goed heeft gehandeld. Hof legt een gevangenisstraf op voor de duur van zeven dagen, en een taakstraf voor de duur van vijftig uren. Vordering TUL: gelast in plaats van het bevelen van een deel van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van zeven maanden, groot vijftig dagen, een taakstraf voor de duur van honderd uren. Vordering benadeelde partij toegewezen.
Uitspraak
Inhoudsopgave
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001165-25
datum uitspraak: 30 januari 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2025 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-363463-24 en 13-171619-24, alsmede 13-034833-22 (TUL) tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door de politierechter vrijgesproken van wat hem in de zaak met parketnummer 13-363463-24 (hierna ook: zaak A) onder 2 is tenlastegelegd. Zijn hoger beroep is ook tegen die vrijspraak ingesteld en dat kan niet volgens de wet (artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering). Het hof zal het beroep tegen die vrijspraak daarom niet inhoudelijk behandelen.
Tenlasteleggingen
Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep aan de orde, tenlastegelegd dat:
Zaak A, onder 1:
hij op of omstreeks 26 september 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer] heeft mishandeld door een of meer stoelen tegen de buik en/of de armen, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer] te gooien;
Zaak met parketnummer 13-171619-24 (gevoegd; hierna: zaak B):
hij op of omstreeks 23 mei 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk een of meer ambtenaren, te weten [verbalisant 1] (inspecteur van politie, eenheid Amsterdam) en/of [verbalisant 2] (aspirant van politie, eenheid Amsterdam) en/of [verbalisant 3] (aspirant van politie, eenheid Amsterdam), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hun de woorden toe te voegen: "kanker toch op agentje" en/of "kanker allemaal op, ik heb geen zin om te praten met de politie" en/of "hoezo aanhouden, omdat ik kanker zeg?" en/of "kankeragenten", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en zaak B tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak A:
hij op 26 september 2024 te Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door stoelen tegen het lichaam van die [slachtoffer] te gooien;
Zaak B (gevoegd):
hij op 23 mei 2024 te Amsterdam opzettelijk ambtenaren, te weten [verbalisant 1] (inspecteur van politie, eenheid Amsterdam) en [verbalisant 2] (aspirant van politie, eenheid Amsterdam) en [verbalisant 3] (aspirant van politie, eenheid Amsterdam), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hun de woorden toe te voegen: "kanker toch op agentje" en "kanker allemaal op, ik heb geen zin om te praten met de politie" en "kankeragenten", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.
Hetgeen zaak A en zaak B meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 1 en zaak B bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Het in zaak B bewezenverklaarde levert op:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak A onder 1 en zaak B bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straffen
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven dagen, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, en een taakstraf voor de duur van vijftig uren, subsidiair 25 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaken A en B tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven dagen, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, en een taakstraf voor de duur van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis.
De raadsvrouw van de verdachte heeft het hof verzocht de strafoplegging te beperken, heeft de context toegelicht waarin de verdachte is overgegaan tot zijn handelen en heeft verzocht de verdachte de straffen van de politierechter op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft – naar aanleiding van een ruzie tussen zijn zusje en het slachtoffer – verhaal gehaald bij het slachtoffer en in een klaslokaal meerdere stoelen naar hem gegooid. Zelfs een daarbij aanwezige docent heeft de verdachte er niet van kunnen weerhouden het slachtoffer aan te vallen. Het slachtoffer heeft daarbij letsel opgelopen. Daarmee heeft de destijds achttienjarige verdachte zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van het destijds vijftienjarige slachtoffer. Met de mishandeling heeft de verdachte niet alleen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden, ook heeft hij het slachtoffer daarmee dusdanig bang gemaakt dat hij voor een periode niet meer naar school durfde te komen. Verder heeft de verdachte hiermee afbreuk gedaan aan de veiligheid die binnen een schoolgebouw behoort te bestaan.
Daarnaast heeft de verdachte zich – in een op dat moment met terrasbezoekers gevulde straat – schuldig gemaakt aan de belediging van een drietal opsporingsambtenaren. Dergelijke feiten zijn kwetsend en hinderlijk voor de daarbij direct betrokkenen. Daarnaast werken dergelijke uitingen gezagsondermijnend, en kunnen zij bijdragen aan gevoelens van onrust en onveiligheid bij personen die daar ongewenst getuige van zijn.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 23 december 2025 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld vanwege strafbare feiten. Het hof betrekt dat in voor de verdachte negatieve zin bij het bepalen van de op te leggen straf.
Inmiddels bevindt de verdachte zich in een begeleidend kader van de reclassering en zet hij zich actief voor zijn opleiding in, zo bleek uit de zitting. Ook ziet de verdachte inmiddels in dat hij toen, bij beide misdrijven, absoluut niet goed gehandeld heeft.
Het hof acht, alles afwegende en mede gelet op het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, een gevangenisstraf en een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Gelet op de ernst van de feiten en het strafblad van de verdachte kan niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een straf die ook deze vrijheidsbeneming, gelijk aan verdachtes voorarrest, met zich brengt.
Beslag
De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het door de verdachte in zaak A begane feit aangetroffen. Zij behoren aan de verdachte toe. Zij zullen worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 682,75. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 250,00 ter vergoeding van geleden immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.
De benadeelde partij heeft als gevolg van het in zaak A bewezenverklaarde handelen van de verdachte letsel opgelopen. Het hof is, gelet op de onderbouwing en het verhandelde ter terechtzitting, van oordeel dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, nu sprake is van lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek.
Het hof begroot de immateriële schade naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard en de ernst van het letsel. Voorts let het hof bij de begroting op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en op de Rotterdamse schaal. Al met al begroot het hof de immateriële schade op het gevorderde bedrag van € 250,00.
De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat deze vordering zal worden toegewezen.
Het hof zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Vordering tenuitvoerlegging
Het Openbaar Ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 13 juni 2023 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van zeven maanden met een proeftijd van twee jaren waarvan dan een deel alsnog ten uitvoer moet worden gelegd. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen, in die zin dat in plaats van een gedeeltelijke tenuitvoerlegging van 50 dagen jeugddetentie een taakstraf voor de duur van honderd uren wordt gelast.
De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering af te wijzen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte zijn leven in de tussentijd een positieve draai heeft weten te geven. Zij heeft daartoe verwezen naar de afname van de mutaties op zijn strafblad en op de huidige omstandigheden van de verdachte. Gelet daarop is een herbeoordeling van de voorwaardelijk opgelegde straf op zijn plaats. Subsidiair heeft zij het hof verzocht de vordering toe te wijzen, in die zin dat een taakstraf voor de duur van zestig uren wordt gelast, omdat de verdachte ook nog andere straffen moet ondergaan. De verdachte heeft aangegeven dat de voorwaardelijke straf al eerder deels ten uitvoer is gelegd in verband met een terugmelding door de jeugdreclassering, waardoor het niet eerlijk is dit nogmaals te doen.
Het hof overweegt als volgt.
Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf – voor een niet eerder ten uitvoer gelegd deel – worden gelast. Dat in het kader van een negatieve terugmelding door de jeugdreclassering een deel van deze voorwaardelijke straf al is omgezet en ten uitvoer is gelegd, staat dus niet aan de vordering van de advocaat-generaal in de weg. Het hof ziet, met inachtneming van wat de raadsvrouw heeft aangevoerd en overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, aanleiding om in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van vijftig dagen vrijheidsstraf een taakstraf van hierna te melden duur te gelasten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36b, 36d, 36f, 57, 63, 266, 267 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in zaak A onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en zaak B tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in zaak A onder 1 en zaak B bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
3 STK Verdovende Middelen (G6580728).
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-363463-24 onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-363463-24 onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 september 2024.
Gelast in plaats van het bevelen van een deel van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 13 juni 2023 met parketnummer 13-034833-22 voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van zeven maanden, groot 50 dagen jeugddetentie, een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 50 (vijftig) dagen jeugddetentie.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.W.T. Klappe, mr. B.A.A. Postma en mr. M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van mr. M.C. de Rade, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 januari 2026.
mrs. M.A.H. van Dalen-van Bekkum en M.C. de Rade zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]