Strafrecht overig
Veroordeling tot een gevangenisstraf van 3 jaar voor twee verkrachtingen. De slachtoffers verbleven in het…
ECLI:NL:GHAMS:2026:2607 · Gerechtshof Amsterdam · 14 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2607
Zaakgegevens
Op 14 juli 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 14 juli 2026
- Datum publicatie
- 11 september 2026
- Zaaknummer
- 23-001809-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2607
Samenvatting
Veroordeling tot een gevangenisstraf van 3 jaar voor twee verkrachtingen. De slachtoffers verbleven in het kader van een maatschappelijke project in hetzelfde wooncomplex als de verdachte en spraken in goed vertrouwen met hem af. Het hof reageert op verweren ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefsters en getuigen en beantwoordt de vraag of er sprake was van geweld of een andere feitelijkheid waarmee de verdachte de slachtoffers opzettelijk heeft gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen.
Procesgang
Rechtbank Amsterdam · 31 juli 2024
ECLI:NL:RBAMS:2024:4755Gerechtshof Amsterdam · 14 juli 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHAMS:2026:2607
Overig
Uitspraak
Inhoudsopgave
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001809-24
datum uitspraak: 14 juli 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 31 juli 2024 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-070262-22 (A) en 13-188538-20 (B) tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1997,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de raadsman van de verdachte en de advocaten van de benadeelde partij en het slachtoffer naar voren hebben gebracht.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van feit 2 en feit 3 primair en subsidiair in zaak A. Zijn hoger beroep is ook tegen die vrijspraak ingesteld, maar dat is – gelet op artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) – niet mogelijk. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep tegen die vrijspraken.
Tenlasteleggingen
Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 13-070262-22 (zaak A):
1.
hij op of omstreeks 9 oktober 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een)handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] , hebbende verdachte voornoemde [slachtoffer 1] gedwongen te dulden dat verdachte zijn penis in de vagina van voornoemde [slachtoffer 1] duwde/bracht, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte eenmaal of meermalen het aangeven van voornoemde [slachtoffer 1] dat hij, verdachte moest stoppen en/of dat zij voornoemde handelingen niet wilde en het wegduwen van hem, verdachte, heeft genegeerd en/of voornoemde [slachtoffer 1] op haar buik heeft gedraaid en/of de woorden heeft toegevoegd: “Yes, give me resistance”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of (aldus) voor voornoemde [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;
Zaak met parketnummer 13-188538-20 (zaak B):
hij op of omstreeks 28 februari 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] , immers heeft/is hij, verdachte:
- eenmaal of meermalen het aangeven van voornoemde [slachtoffer 2] dat zij de door hem gevraagde (seksuele)handelingen niet wilde verrichten en/of toelaten genegeerd en/of
- voornoemde [slachtoffer 2] onder meer via opmerkingen als "Als je hier toch al bent, dat betekent toch dat je meer dingen wil doen", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of via een (drank)spel waarbij de winnaar mocht zeggen wat de ander moest doen, het gevoel gegeven dat zij hem een of meer (seksuele) handelingen verschuldigd was en/of voornoemde [slachtoffer 2] in een situatie gebracht waarin zijn een of meer door hem, verdachte, gewenste (seksuele) handelingen niet durfde te weigeren en/of
- eenmaal of meermalen het wegtrekken van haar hoofd en/of het wegduwen van zijn handen door voornoemde [slachtoffer 2] genegeerd en/of voornoemde [slachtoffer 2] tegengehouden wanneer zij weg wilde gaan en/of voornoemde [slachtoffer 2] bij de keel vastgepakt en/of vastgehouden en/of
- zich door voornoemde [slachtoffer 2] ter hoogte van zijn benen laten masseren en/of
- de borst(en) van voornoemde [slachtoffer 2] achterlangs betast en/of
- op [slachtoffer 2] gaan zitten en/of voornoemde [slachtoffer 2] bij de keel vastgegrepen en/of vastgehouden en/of (vervolgens) eenmaal of meermalen zijn penis in de mond van voornoemde [slachtoffer 2] gebracht en/of haar oraal gepenetreerd en/of
- zijn vingers in de vagina van voornoemde [slachtoffer 2] gebracht en/of
- het hoofd van voornoemde [slachtoffer 2] (met kracht) vastgepakt en/of deze (vervolgens) gedraaid en/of haar (vervolgens) gezoend en/of
- de handen van voornoemde [slachtoffer 2] richting zijn billen bewogen en/of zich op zijn verzoek in zijn anus laten vingeren;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, omdat het hof ten aanzien van feit 1 in zaak A tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Bewijsoverweging
Zaak A feit 1: verkrachting [slachtoffer 1]
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van de aangeefster [slachtoffer 1] . Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaring van de aangeefster betrouwbaar is en dat deze wordt ondersteund door ander bewijs.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van dwang in de vorm van een andere feitelijkheid en dat de verdachte opzet had op het onder dwang seksueel binnendringen bij de aangeefster. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat het enkel omschrijven van het gedrag van de verdachte als het negeren van verbaal en fysiek verzet onvoldoende is om de juridische kwalificatie van dwang door een andere feitelijkheid te dragen. Ook heeft hij naar voren gebracht dat de ‘stop’-signalen van de aangeefster niet eenduidig waren, dat de aangeefster aanvankelijk onzeker was of het gebeurde ‘verkrachting’ was, dat het de getuige [getuige 1] was die het gebeurde deze kwalificatie gaf en dat de aangeefster eigenlijk wel seks wilde met de verdachte, maar niet wilde dat hij in haar zou klaarkomen zonder condoom. Dat de aangeefster ook vaak ‘stop’ zei als zij van positie wilde wisselen kan volgens de raadsman ook de reden zijn waarom de verdachte niet direct reageerde op het ‘stop’-signaal van de aangeefster. Tot slot kan de omstandigheid dat de aangeefster na afloop een gedragsverandering toonde, niet dienen als steunbewijs, omdat die gedragsverandering ook kan worden verklaard door de omstandigheid dat zij ervan baalde dat de verdachte in haar was klaargekomen.
Oordeel van het hof
Betrouwbaarheid verklaring aangeefster en steunbewijs
Het hof stelt voorop dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster. Zij heeft driemaal een verklaring afgelegd, welke verklaringen op hoofdlijnen consistent en gedetailleerd zijn.
Ook is het hof van oordeel dat de verklaring van de aangeefster steun vindt in ander bewijsmateriaal.
Allereerst heeft de verdachte verklaard dat hij seks heeft gehad met de aangeefster zonder condoom, dat de aangeefster op enig moment ‘stop’ heeft gezegd en dat hij wist dat het niet de bedoeling was dat hij in de aangeefster klaar zou komen.
Verder vindt de verklaring van de aangeefster steun in de getuigenverklaringen die haar vriendinnen bij de politie hebben afgelegd niet lang na het gebeuren. Zo heeft de getuige [getuige 2] verklaard dat de aangeefster heel verdrietig was over wat er was gebeurd en dat zij zich schaamde. Ook de getuige [getuige 1] heeft verklaard over een emotionele toestand bij de aangeefster: ze had duidelijk veel stress en moeite om het gebeurde aan de getuige te vertellen en huilde daarbij heel hard. Ook heeft de getuige [getuige 1] een gedragsverandering bij de aangeefster gezien: de aangeefster had stress en last van angsten, ze raakte snel in paniek en kon zich minder goed focussen. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat de aangeefster in de zomer nog af en toe hyper, super druk en vaak blij was, maar dat ze daarna vaak verdrietig was en was veranderd in iemand die beschadigd en angstig is. De getuige [getuige 5] heeft verklaard dat de aangeefster na de gebeurtenissen onzeker was en aan zichzelf twijfelde.
Dat de door de genoemde getuigen waargenomen gedragsverandering van de aangeefster mogelijk enkel te wijten is aan het feit dat zij er van baalde dat de verdachte in haar is klaargekomen, acht het hof niet aannemelijk. Dat verweer wordt daarom verworpen. Uit een telefoongesprek tussen haar en de verdachte op 18 oktober 2021 blijkt immers juist duidelijk dat de aangeefster boos op de verdachte was omdat hij was doorgegaan met penetreren terwijl zij ‘stop’ had gezegd. Ze zegt daarin onder meer tegen de verdachte: “Ja maar je bleef doorgaan. Je blijft praten over je klaarkomen, ik praat niet over je klaarkomen (..) Ik zei stop maar je bleef mij neuken. (..) het kan geen ongeluk zijn dat ik je voor een half minuut of wat het ook was zei dat je moest stoppen en jij ging door.” Dit telefoongesprek, alsmede een gesprek op 17 oktober 2021 en Whatsapp-gesprekken tussen de aangeefster en de verdachte van 13 en 14 oktober 2021 ondersteunen naar het oordeel van het hof de verklaring van de aangeefster. In deze gesprekken confronteert de aangeefster de verdachte met het feit dat zij meermaals ‘stop’ heeft gezegd en dat de verdachte toch doorging. De verdachte ontkent dit niet en zegt daarover: “Yes I did cum in you! Sorry for that” en “Honestly I know what happened the night when I cum it was super wrong”. Het hof leest deze berichten zo, dat de verdachte hierin erkent dat hij het stopsignaal van de aangeefster had moeten respecteren.
Dwang en opzet
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij de aangeefster door geweld of een andere feitelijkheid heeft gedwongen tot het ondergaan van het seksueel binnendringen van haar lichaam. Het hof acht niet bewezen dat dwang heeft plaatsgevonden door geweld. Het ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of dwang door een andere feitelijkheid en opzet daarop kunnen worden bewezen. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend en stelt in dat verband het volgende vast.
Uit de verklaring van de aangeefster volgt dat zij op 9 oktober 2021 onveilige seks heeft gehad met de verdachte. Zij heeft verklaard dat toen de verdachte die avond bij haar langs kwam, zij duidelijk tegen hem heeft gezegd dat zij geen seks met hem zou gaan hebben. De verdachte wilde dat wel, en toen aangeefster aan hem vroeg om weg te gaan omdat zij wilde slapen drong hij aan en heeft hij haar toch weten over te halen tot seks. Uiteindelijk heeft de aangeefster aanvankelijk vrijwillig seks gehad met de verdachte. Zij heeft echter meermaals uitdrukkelijk gezegd dat zij geen seks wilde zonder condoom. Uit het dossier blijkt dat de aangeefster dat al eerder duidelijk had gemaakt aan de verdachte. Op 8 oktober 2021 heeft de verdachte namelijk geopperd dat de aangeefster aan de pil zou gaan, waarbij ook het gebruik van de morning-afterpil na onveilige seks ter sprake is gekomen. De aangeefster heeft daarop tegen de verdachte gezegd dat de mogelijkheid van het slikken van een morning-afterpil absoluut geen reden was om onveilige seks te hebben. Verder heeft de verdachte op de avond van het tenlastegelegde tegen de aangeefster gezegd dat zij hem moest vertrouwen en dat hij ‘hem’ er niet in zou stoppen. Hij beloofde haar dat hij het niet zonder condoom zou doen. Toen de verdachte toch bij de aangeefster wilde binnendringen zei de aangeefster ‘nee’. Ze gaf nogmaals aan dat ze wel seks konden hebben, maar niet zonder condoom.
Het hof stelt vast dat de verdachte de aangeefster op enig moment op haar buik heeft gedraaid en zonder condoom met zijn penis in haar vagina is gegaan. De aangeefster heeft toen gezegd dat de verdachte moest stoppen, en heeft dat een paar keer herhaald. Ze heeft ook geprobeerd om de verdachte met haar arm van zich af te duwen en de verdachte “eruit te duwen”. De verdachte ging toch door en is in de aangeefster klaargekomen.
Het hof overweegt dat in ieder geval vanaf het moment dat de verdachte de aangeefster op haar buik heeft gedraaid, sprake is geweest van dwang door een andere feitelijkheid. De vanaf dat moment verrichte gedragingen moeten bovendien mede worden beschouwd in het licht van de hiervoor besproken context, waaruit blijkt dat de aangeefster eerst heeft duidelijk gemaakt geen seks te willen, daarna herhaaldelijk heeft aangegeven geen seks te willen zonder condoom en de verdachte te kennen heeft gegeven haar niet te zullen penetreren. Door de aangeefster voor te houden dat zij hem kon vertrouwen en haar te beloven dat hij haar niet zou penetreren zonder condoom, door constant voorbij te gaan aan de verbale protesten van de aangeefster en haar grenzen steeds verder te overschrijden, en door – uiteindelijk – de aangeefster op haar buik te draaien en haar op zodanige wijze te penetreren dat zij hem ook fysiek niet kon wegduwen, heeft de verdachte opzettelijk een zodanige psychische druk op haar uitgeoefend en daarmee een zodanige bedreigende situatie gecreëerd dat de aangeefster zich naar redelijke verwachting niet meer aan het seksueel binnendringen kon onttrekken. Aan het voorgaande doet niet af dat er diezelfde avond ook vrijwillige seks heeft plaatsgevonden.
Door te handelen zoals hiervoor is vastgesteld, heeft de verdachte de aangeefster opzettelijk door middel van een andere feitelijkheid gedwongen het seksueel binnendringen van haar lichaam te ondergaan. Het hof acht op basis van al het voorgaande bewezen dat de verdachte de aangeefster heeft verkracht.
De verklaringen zoals getuigen die in hoger beroep ten overstaan van de raadsheer-commissaris hebben afgelegd, hebben het hof niet tot andere inzichten en conclusies gebracht dan de voorgaande.
Zaak B: verkrachting [slachtoffer 2]
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de verkrachting van de aangeefster [slachtoffer 2] . Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaring van de aangeefster betrouwbaar is en dat deze wordt ondersteund door ander bewijs.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij allereerst aangevoerd dat de verklaring van de aangeefster onvoldoende betrouwbaar is, omdat deze inconsistenties bevat. Ook heeft de raadsman aangevoerd dat de aangeefster de meest ernstige aspecten van de gebeurtenissen niet heeft verteld aan haar vriend, en dat zij de verdachte van verkrachting zou hebben beschuldigd om te verhullen dat zij was vreemdgegaan. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van dwang door geweld of een andere feitelijkheid, omdat de aangeefster op meerdere momenten tussen de seksuele handelingen de kamer van de verdachte kon verlaten. Ook kan volgens de raadsman de verklaring van de getuige [getuige 4] niet als steunbewijs dienen, onder meer omdat zijn bij de politie afgelegde verklaring onbetrouwbaar is. Hij heeft in dat kader naar voren gebracht dat de getuige [getuige 4] via Whatsapp contact heeft opgenomen met de verdachte, dat hij de aangeefster heeft gedwongen om de politie te bellen en dat hij boos was dat de aangeefster naar de verdachte was gegaan. Hiermee zijn zijn onafhankelijkheid en betrouwbaarheid aangetast en daarom moet zijn verklaring van het bewijs worden uitgesloten. De verklaring van de moeder van de aangeefster, inhoudende dat zij erg emotioneel en verdrietig was over de gebeurtenissen, is volgens de raadsman onvoldoende om aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv te voldoen. Tot slot is nog aangevoerd dat het fysiek onmogelijk zou zijn geweest voor de verdachte om de aangeefster in haar mond te penetreren terwijl hij op haar borst zat en haar keel vasthield.
Oordeel van het hof
Betrouwbaarheid en steunbewijs
Het hof overweegt dat de aangeefster op essentiële details steeds consistent heeft verklaard. Zij heeft bij het informatief gesprek zeden, de aangifte en het verhoor bij de rechter-commissaris in de kern steeds hetzelfde verklaard over de seksuele handelingen en de door de verdachte uitgeoefende dwang. Aangeefsters verklaringen zijn bovendien gedetailleerd. Dat de aangeefster bepaalde elementen van de gebeurtenissen niet (direct) aan de getuige [getuige 4] heeft verteld maakt haar verklaring niet onbetrouwbaar.
Het hof is verder van oordeel dat de verklaring van de aangeefster steun vindt in het overige bewijs. Allereerst wordt haar verklaring ondersteund door de verklaring van de verdachte. De verdachte heeft bevestigd dat hij die avond met de aangeefster was en dat zij hebben gezoend en elkaar op intieme delen hebben aangeraakt. Het hof ziet ook steun in de e-mail van de moeder van de aangeefster, waaruit volgt dat de aangeefster haar op 3 maart 2019, dus enkele dagen na het incident, een bericht stuurde met de tekst: ‘Ben je thuis vandaag? Er is me iets slechts overkomen en ik voel me erg depressief.’, dat de aangeefster die middag bij haar is geweest en haar heeft verteld wat er is gebeurd en dat de aangeefster huilde en erg emotioneel en verdrietig was.
Deze emotionele toestand is ook door de getuige [getuige 4] gezien. Hij heeft verklaard dat de aangeefster hem een bericht heeft gestuurd met de inhoud dat er iets ergs was gebeurd en dat ze naar hem toe kwam. Dat was twee dagen na het tenlastegelegde. Volgens de getuige zag de aangeefster er heel vermoeid en bleek uit en was ze chaotisch. Ook volgt uit de verklaring van de getuige [getuige 4] dat de emotionele toestand van de aangeefster gepaard ging met een gedragsverandering. Zo heeft hij verklaard dat het incident een zeer negatieve impact heeft gehad op hun relatie. Als de getuige de aangeefster probeerde te knuffelen, merkte hij dat ze heel angstig en zelfs bang voor hem was. Het was niet meer zo vanzelfsprekend als voorheen. Het hof stelt, gelet hierop, vast dat de emotionele toestand van de aangeefster niet op zichzelf staat, maar verband hield met het feit dat de verdachte wordt verweten. Het hof verwerpt dan ook het verweer dat de aangeefster de verdachte zou hebben beschuldigd van verkrachting om te verhullen dat zij met hem was vreemdgegaan. Het hof ziet ook in de omstandigheden dat de getuige boos was dat de aangeefster naar de verdachte was gegaan, hij Whatsapp-berichten zou hebben gestuurd aan de verdachte en hij de aangeefster zou hebben gedwongen om de politie te bellen, geen aanleiding om de bij de politie afgelegde verklaring van de getuige [getuige 4] uit te sluiten van het bewijs. Deze omstandigheden staan los van de door hem waargenomen gedragsveranderingen en emotionele toestand van de aangeefster, welke waarnemingen de aangifte ondersteunen.
Al het voorgaande in samenhang bezien brengt het hof tot de conclusie dat er voldoende steun is voor de verklaring van de aangeefster, die het hof betrouwbaar acht, zodat het hof uit zal gaan van de gebeurtenissen zoals de aangeefster ze heeft beschreven.
Dwang
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij de aangeefster door geweld of een andere feitelijkheid heeft gedwongen tot het ondergaan van het seksueel binnendringen van haar lichaam. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte dwang heeft toegepast. Die vraag wordt, gelet op het navolgende, bevestigend beantwoord.
Aangeefster heeft verklaard dat zij op de avond van 28 februari 2019 door de verdachte in zijn woning is verkracht. Zij heeft verklaard dat zij tegen de verdachte heeft gezegd dat zij hem niet wilde aanraken en dat zij niet aangeraakt wilde worden. De verdachte heeft tegen aangeefster gezegd: ‘Als je hier toch al bent, betekent dat toch dat je meer dingen wil doen’. Ook heeft de verdachte de aangeefster tegengehouden toen zij weg wilde gaan door haar, in reactie op haar pogingen om hem aan de kant te duwen, stevig bij haar bovenarmen vast te pakken. Zij kreeg door de houding van verdachte het gevoel dat ze niet meer weg kon en dat zij hem seksuele handelingen verschuldigd was. Hij zat aan haar borsten en wilde haar zoenen. Zij heeft meermalen zijn handen weggeduwd en haar hoofd weggetrokken. Dit heeft de verdachte genegeerd. Hij is doorgegaan met het verrichten van seksuele handelingen. Aangeefster heeft de verdachte uiteindelijk gepijpt, terwijl de verdachte haar vagina penetreerde met zijn vingers. Hij wilde toen een pauze, waarop aangeefster zei dat hij gewoon snel moest klaarkomen omdat ze echt niet meer wilde.
Door dit alles heeft de verdachte al zodanige psychische druk op de aangeefster uitgeoefend, dat hij een situatie heeft doen ontstaan waaraan de aangeefster zich niet gemakkelijk kon onttrekken en waarin zij handelingen toeliet die zij anders niet had geduld. Het hof is van oordeel dat de verdachte de aangeefster zo heeft gedwongen door een andere feitelijkheid om de seksuele handelingen, waaronder het seksueel binnendringen van haar lichaam, te ondergaan. Vervolgens wilde de verdachte dat de aangeefster op de bank ging liggen en is de verdachte op de borst van de aangeefster gaan zitten, heeft haar keel vastgehouden en vervolgens haar mond gepenetreerd. Hij heeft haar hard gepenetreerd totdat hij klaarkwam. De aangeefster heeft verklaard dat zij tegen zijn benen moest duwen om adem te kunnen halen. Het hof heeft geen reden om aan te nemen dat deze handelingen van de verdachte fysiek niet mogelijk zouden zijn, zoals door de verdediging is gesteld. Het hof is van oordeel dat de verdachte de aangeefster met deze gedragingen uiteindelijk door geweld heeft gedwongen om seksuele handelingen te ondergaan. De verdachte heeft de aangeefster namelijk met geweld gedwongen om hem te pijpen en aldus seksueel binnendringen van haar lichaam te ondergaan.
Het hof acht op basis van al het voorgaande bewezen dat de verdachte de aangeefster [slachtoffer 2] heeft verkracht. De verklaringen zoals getuigen die in hoger beroep ten overstaan van de raadsheer-commissaris hebben afgelegd, hebben het hof niet tot andere inzichten en conclusies gebracht dan de voorgaande.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en in zaak B tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak A:
1.
hij op 9 oktober 2021 te Amsterdam, door andere feitelijkheden [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van een handeling die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] , hebbende verdachte voornoemde [slachtoffer 1] gedwongen te dulden dat verdachte zijn penis in de vagina van voornoemde [slachtoffer 1] bracht, en bestaande die andere feitelijkheden hierin dat verdachte meermalen het aangeven van voornoemde [slachtoffer 1] dat hij, verdachte moest stoppen en dat zij voornoemde handelingen niet wilde en het wegduwen van hem, verdachte, heeft genegeerd en voor voornoemde [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;
Zaak B:
1.
omstreeks 28 februari 2019 te Amsterdam, door geweld en andere feitelijkheden [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] , immers heeft/ is verdachte:
- meermalen het aangeven van voornoemde [slachtoffer 2] dat zij de door hem gevraagde seksuele handelingen niet wilde verrichten of toelaten genegeerd en
- voornoemde [slachtoffer 2] onder meer via opmerkingen als "Als je hier toch al bent, dat betekent toch dat je meer dingen wil doen", althans woorden van gelijke strekking het gevoel gegeven dat zij hem seksuele handelingen verschuldigd was en voornoemde [slachtoffer 2] in een situatie gebracht waarin zij door hem, verdachte, gewenste seksuele handelingen niet durfde te weigeren en
- het wegtrekken van haar hoofd en het wegduwen van zijn handen door voornoemde [slachtoffer 2] genegeerd en voornoemde [slachtoffer 2] tegengehouden wanneer zij weg wilde gaan en voornoemde [slachtoffer 2] bij de keel vastgepakt en vastgehouden en
- op voornoemde [slachtoffer 2] gaan zitten en voornoemde [slachtoffer 2] bij de keel vastgegrepen en vastgehouden en (vervolgens) zijn penis in de mond van voornoemde [slachtoffer 2] gebracht en
- zijn vingers in de vagina van voornoemde [slachtoffer 2] gebracht.
Hetgeen in zaak A onder 1 en in zaak B meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het om zaak A onder 1 en in zaak B bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het in zaak A onder 1 en in zaak B bewezenverklaarde levert op:
telkens:
verkrachting.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak A onder 1 en in zaak B bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder 1 en in zaak B bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren, waarvan een jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich twee keer schuldig gemaakt aan verkrachting. De slachtoffers waren
bekenden van hem: zij woonden of verbleven in het kader van het maatschappelijke project ‘ [project] ’ in hetzelfde wooncomplex en spraken in goed vertrouwen met hem af. Hoewel beide slachtoffers duidelijk hebben aangegeven geen seks te willen, heeft de verdachte ervoor gekozen om de grenzen van de slachtoffers te overschrijden en zijn eigen behoeften voorop te stellen. Steeds vertoonde hij daarbij dominant, mentaal manipulatief en dwingend gedrag en ook fysiek dwingend gedrag. Hij heeft hiermee op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en seksuele integriteit van de slachtoffers. Dat de gebeurtenissen grote impact op hen beiden hebben gehad, blijkt onder meer uit wat zij ter zitting in hoger beroep naar voren hebben gebracht. Ook in hoger beroep heeft de verdachte geen inzicht gegeven in of verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. In e-mailberichten aan zijn raadsman, gericht aan het hof, noemt hij zichzelf slachtoffer in deze zaak, omdat hij een trauma heeft overgehouden aan de tijd die hij doorbracht in detentie.
Persoon van de verdachte
Het hof heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 7 februari 2023, waarin wordt geadviseerd om bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Hoewel behandeling wel noodzakelijk wordt geacht om het recidiverisico te verlagen, is een voorwaardelijk kader niet uitvoerbaar, omdat de verdachte duidelijk heeft gemaakt dat hij niet wil meewerken aan begeleiding. Ook heeft het hof kennisgenomen van de Pro Justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum van 18 april 2024. De verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek, waardoor het onderzoek zeer beperkt is gebleven. De deskundigen hebben niet kunnen komen tot vaststellingen over de geestesvermogens van de verdachte en geen advies gegeven met betrekking tot eventuele gedragskundige interventies en het benodigde juridische kader daarvoor.
De strafoplegging
Gezien de ernst van de feiten is het hof van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. Het hof kijkt bij het bepalen van de hoogte van die straf naar straffen die rechters in soortgelijke zaken opleggen, zoals die ook zijn opgenomen in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het hof acht de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van drie jaren (waarbij al rekening is gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg) passend en geboden. Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof geen aanleiding om daar nog een jaar gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm aan toe te voegen. De verdachte heeft de gevangenisstraf van drie jaar inmiddels uitgezeten en is vertrokken naar Duitsland.
De redelijke termijn
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot
bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden ook in hoger beroep is geschonden. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld op 12 augustus 2024. Het hof wijst arrest op 14 juli 2026. De verdachte heeft in voorlopige hechtenis gezeten tot 21 november 2025. Het hof gaat uit van een redelijke termijn van zestien maanden in hoger beroep. De overschrijding van de redelijke termijn van berechting bedraagt daarom 7 maanden. Deze termijnoverschrijding houdt echter mede verband met het volgende. Op 28 januari 2025 stond er een regiebehandeling van deze zaak gepland, omdat de verdediging onderzoekswensen kenbaar had gemaakt, te weten het horen van vijf getuigen. Op de pro forma zitting van 17 september 2024 heeft de verdediging kenbaar gemaakt dat er een mogelijkheid zou zijn dat de verdachte afstand zou doen van zijn ondervragingsrecht als de inhoudelijke behandeling op 28 januari 2025 zou kunnen plaatsvinden. Hierop terugkomend heeft de raadsvrouw bij e-mail van 19 september 2024 de getuigenverzoeken ingetrokken “teneinde op de kortst mogelijke termijn een inhoudelijke behandeling te krijgen”, waarop de inhoudelijke behandeling voor de zitting van 28 januari 2025 is bepaald. Op 28 januari 2025 is deze zaak inhoudelijk behandeld en bij pleidooi heeft de verdediging alsnog de vijf getuigenverzoeken, in voorwaardelijke vorm, gedaan. Het onderzoek is bij tussenarrest van 11 februari 2025 heropend om de vijf getuigen te doen horen door de raadsheer-commissaris. Gelet op deze gang van zaken volstaat het hof met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en verbindt het aan deze overschrijding geen gevolgen.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 33.400,00, bestaande uit € 21.400,00 aan materiële schade in de vorm van studievertraging en € 12.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, gelet op het tot vrijspraak strekkende verweer. Subsidiair is aangevoerd dat het causale verband tussen de vermeende handelingen van de verdachte en de opgelopen studievertraging onvoldoende is onderbouwd en dat onduidelijk is gebleven waarom het normbedrag van 2020 wordt gehanteerd. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman matiging bepleit.
De advocaat van de benadeelde partij heeft verzocht de gehele vordering toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof oordeelt als volgt.
Materiële schade
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de benadeelde partij met de bijgevoegde van gele markeringen voorziene cijferlijst van haar studie voldoende heeft onderbouwd dat zij studievertraging heeft opgelopen, nu hierop te zien is dat zij in het studiejaar 2019-2020 meerdere vakken niet heeft afgerond. Gelet op de periode waarin de benadeelde partij vakken heeft laten vallen en vertraging opliep met het schrijven van haar masterscriptie – periodes waarin onder meer de artikel 12 Sv-procedure over deze zaak liep en de eerste pro forma-zittingen plaatsvonden – en de verklaring van de scriptiebegeleider hierover, is het hof ook van oordeel dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen het strafbare feit en de studievertraging.
Daarmee staat vast dat aan de benadeelde partij door het in zaak B bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De benadeelde heeft het normbedrag gevorderd van het jaar 2020 voor wetenschappelijk onderwijs (uit: De Letselschade Richtlijn Studievertraging 2019/2020). De advocaat van de benadeelde partij heeft ter zitting toegelicht dat de benadeelde partij ook in 2020-2021 vakken heeft laten vallen en dat uit de verklaring van de scriptiebegeleider eveneens volgt dat de vertraging ook in 2021 heeft plaatsgehad. Het jaar 2020 is dus het gemiddelde van de studievertraging waar de scriptiebegeleider over heeft geschreven, vandaar dat het normbedrag van 2020 wordt gevorderd.
Het gevorderde bedrag, met de keuze voor het normbedrag, is naar het oordeel van het hof aldus genoegzaam onderbouwd en komt het hof ook niet ongegrond of onrechtmatig voor. Daarom zal het hof het gehele gevorderde bedrag aan materiële schade integraal toewijzen tot een bedrag van € 21.400,00.
De wettelijke rente over het toegewezen bedrag zal het hof toewijzen vanaf 1 september 2019, zijnde het begin van het schooljaar 2019-2020, tot aan de dag der algehele voldoening.
Immateriële schade
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat van de benadeelde partij bepleit dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze en dat een bedrag van € 12.000,00 redelijk is.
Het gevraagde bedrag is betwist. De raadsman heeft aangevoerd dat het bedrag moet worden gematigd. De reden daarvoor is volgens de raadsman dat de gestelde psychische klachten niet noodzakelijkerwijs te herleiden zijn tot het ten laste gelegde, want de benadeelde partij ‘bevond zich in een kwetsbare positie als jonge vrouw in een integratiewoningcomplex met meerdere spanningsbronnen’.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte in haar persoon is aangetast. Op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade.
De schade is aan te merken als ‘aantasting in de persoon op andere wijze’. Naar het oordeel van het hof zijn de aard en de ernst van de normschending zoals die hiervoor door het hof is vastgesteld van zodanig groot gewicht dat – ook daargelaten dat de benadeelde de gevolgen in haar slachtofferverklaring en in de toelichting op de vordering concreet heeft omschreven – een aantasting van de persoon zonder meer kan worden aangenomen. De raadsman van de verdachte heeft overigens de gestelde psychische klachten als zodanig niet betwist, maar slechts het causale verband met het bewezenverklaarde aangevochten, omdat er ook andere oorzaken zouden zijn voor de gestelde psychische klachten. Dergelijke oorzaken zijn geenszins aannemelijk geworden.
Het gevorderde bedrag van € 12.000,00 acht het hof passend mede gelet op hetgeen is aangevoerd omtrent aard en ernst van de gevolgen van de verkrachting.
De wettelijke rente over het toegewezen bedrag zal het hof toewijzen vanaf 28 februari 2019, zijnde de pleegdatum, tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 57 en 242 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-070262-22 onder 2, 3 primair en 3 subsidiair tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 13-070262-22 onder 1 en in de zaak met parketnummer 13-188538-20 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 13-070262-22 onder 1 en in de zaak met parketnummer 13-188538-20 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-188538-20 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 33.400,00 (drieëndertigduizend vierhonderd euro) bestaande uit € 21.400,00 (eenentwintigduizend vierhonderd euro) materiële schade en € 12.000,00 (twaalfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-188538-20 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 33.400,00 (drieëndertigduizend vierhonderd euro) bestaande uit € 21.400,00 (eenentwintigduizend vierhonderd euro) materiële schade en € 12.000,00 (twaalfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 169 (honderdnegenenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
1 september 2019
en van de immateriële schade op
28 februari 2019.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.J. van der Wilt, mr. M.J.A. Duker en mr. F.C.W. de Graaf, in tegenwoordigheid van mr. D. Damman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 juli 2026.
mr. C.J. van der Wilt en mr. F.C.W. de Graaf zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.