Strafrecht overig

Bankhelpdeskfraude (diefstal door middel van een valse sleutel) in vereniging. Medeplegen van oplichting en…

Zaakgegevens

Op 17 september 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
17 september 2026
Datum publicatie
17 september 2026
Zaaknummer
23-000399-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2665
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bankhelpdeskfraude (diefstal door middel van een valse sleutel) in vereniging. Medeplegen van oplichting en witwassen. Slachtoffers op (hoge) leeftijd. Overschrijding van de redelijke termijn.

Procesgang

  1. Rechtbank Noord-Holland · 14 februari 2024

    ECLI:NL:RBNHO:2024:1407
  2. Gerechtshof Amsterdam · 17 september 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHAMS:2026:2665

    Overig

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000399-24

datum uitspraak: 17 september 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 14 februari 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-088296-21 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 september 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf maanden en vijftien dagen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden.

De raadsman heeft verzocht rekening te houden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Concluderend is verzocht een taakstraf en een voorwaardelijke straf op te leggen, waaraan als bijzondere voorwaarde wordt gekoppeld dat reclasseringstoezicht wordt gehouden op het verloop van de resocialisatie van de verdachte binnen de huidige gevangenisstraf.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting en het medeplegen van meerdere diefstallen door middel van een valse sleutel. Samen met de mededader(s) heeft hij pinpassen van ouderen op slinkse wijze afhandig gemaakt en daarmee geld opgenomen. Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van [winkel] cadeaukaarten die met afhandig gemaakte pinpassen zijn betaald. Het hof neemt het de verdachte kwalijk dat hij betrokken is geweest bij een schaamteloze vorm van oplichting van ouderen en ook willens en wetens met pinpassen grote geldbedragen heeft opgenomen zonder stil te staan bij de gevolgen voor deze ouderen. De ouderen die hiervan slachtoffer zijn geworden waren op (hoge) leeftijd. Voor hen bestaat de impact niet alleen uit financiële schade, maar met name ook uit gevoelens van onveiligheid en wantrouwen. De verdachte heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen financiële gewin.

Het hof acht, gelet op de ernst van de strafbare gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, met name dat de verdachte aan de deur is geweest bij een van de slachtoffers en persoonlijk contact met haar heeft gehad teneinde haar pinpas in handen te krijgen, de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf en de vordering van de advocaat-generaal in hoger beroep niet passend. Het hof acht in beginsel een gevangenisstraf van zestien maanden passend en geboden.

Gelet op het tijdsverloop vanaf de aanvang van deze strafzaak tot de huidige behandeling in hoger beroep dient bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf rekening te worden gehouden met het recht op berechting binnen een redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Naar het oordeel van het hof is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg met ongeveer vijf maanden en een overschrijding in hoger beroep met ongeveer zeven maanden, terwijl die overschrijdingen niet aan de verdachte te wijten zijn. Om die reden zal het hof de op te leggen gevangenisstraf matigen tot de duur van vijftien maanden.

Alhoewel de feiten geruime tijd geleden hebben plaatsgevonden, is het hof van oordeel dat gelet op de aard en de ernst van de onderhavige feiten en omstandigheden niet kan worden volstaan met een taakstraf, al dan niet in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de verdediging bepleit. Een andere modaliteit dan de hiervoor genoemde onvoorwaardelijke vrijheidsstraf acht het hof niet passend.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57, 311, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Plaisier, mr. L.F. Roseval en mr. D.A.G. van Toor, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 september 2026.

Mr. van Toor is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.