Strafrecht overig
Bevestiging vonnis m.u.v. strafmaat. Veroordeling voor opzettelijk aanwezig hebben van grote hoeveelheid…
ECLI:NL:GHAMS:2026:2666 · Gerechtshof Amsterdam · 3 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2666
Zaakgegevens
Op 3 september 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 3 september 2026
- Datum publicatie
- 17 september 2026
- Zaaknummer
- 23-004404-19
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2666
Samenvatting
Bevestiging vonnis m.u.v. strafmaat. Veroordeling voor opzettelijk aanwezig hebben van grote hoeveelheid harddrugs. Vanwege zeer bijzondere omstandigheden, te weten een zeer forse overschrijding van de redelijke termijn en ernstige gezondheidsklachten van de verdachte, wordt een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 20 maanden opgelegd. Teruggave van geld.
Uitspraak
Inhoudsopgave
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-004404-19
datum uitspraak: 3 september 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 november 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-728178-17 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1956,
adres: [adres].
1 Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
3 september 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
2 Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:
-
de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zal vervangen in het geval dat (eventueel) cassatie wordt ingesteld;
-
een voorwaardelijk verzoek van de raadsman zal bespreken.
3 Oplegging van straf
Inleiding
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren.
De advocaat generaal heeft gevorderd het vonnis van de rechtbank Amsterdam te bevestigen behoudens ten aanzien van de opgelegde straf. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van het voorarrest. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte vanwege de forse overschrijding van de redelijke termijn, zijn hoge leeftijd, zijn bijzondere medische situatie en de omstandigheid dat hij niet opnieuw soortgelijke strafbare feiten heeft begaan, niet opnieuw gedetineerd hoeft te raken. Het uitvoeren van een taakstraf is gelet op de medische situatie van de verdachte niet mogelijk, waardoor een voorwaardelijke gevangenisstraf de enige gepaste optie is.
De raadsman heeft verzocht om de vordering van de advocaat-generaal te volgen.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft op 6 december 2017 opzettelijk een grote hoeveelheid harddrugs aanwezig gehad, te weten 43.458 xtc-pillen, 50,81 gram cocaïne en 20,46 gram MDMA. Gezien de grote hoeveelheid verdovende middelen moet dit – in ieder geval wat betreft de xtc – bedoeld zijn om verder te worden verspreid en verhandeld. Met zijn handelen heeft de verdachte aldus een bijdrage geleverd aan de (internationale) drugshandel, die wereldwijd gepaard gaat met overlast en andere vormen van (niet zelden gewelddadige) criminaliteit. Bovendien is het gebruik van harddrugs schadelijk voor de volksgezondheid.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op straffen die gewoonlijk in soortgelijke zaken worden opgelegd en die hun weerslag vinden in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Hierin wordt voor het aanwezig hebben van dergelijke hoeveelheden harddrugs een gevangenisstraf van ten minste 36 maanden genoemd. Gelet hierop is de door de rechtbank opgelegde straf alleszins passend.
Het hof ziet evenwel aanleiding om in het voordeel van de verdachte van voornoemde onvoorwaardelijke gevangenisstraf af te wijken.
Ten eerste is sprake van een zeer forse overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van deze zaak in hoger beroep, waardoor artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is geschonden. De verdachte heeft namelijk op 3 december 2019 hoger beroep ingesteld en onderhavig arrest is ruim 6 jaren en 9 maanden later gewezen, waardoor de redelijke termijn met ruim 4 jaren en 9 maanden is overschreden.
Ten tweede zijn er, gelet op de door de raadsman ingezonden stukken, sterke aanwijzingen dat de verdachte lijdt aan ernstige gezondheidsklachten, waaronder slechtziendheid en diverse klachten die volgens de neuroloog kunnen wijzen op dementie; de verdachte zal dan ook binnenkort worden onderzocht op de aanwezigheid van Alzheimer.
Gezien de hiervoor genoemde zeer bijzondere omstandigheden komt het hof tot de conclusie dat de verdachte niet gedetineerd hoeft te raken en dat kan worden volstaan met de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur, zodat enerzijds recht wordt gedaan aan de ernst van het feit en de verdachte er anderzijds van wordt weerhouden nogmaals een strafbaar feit te plegen.
Het hof acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van
20 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.
4 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c van het Wetboek van Strafrecht.
5 Voorwaardelijk verzoek
De raadsman heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan om de zaak aan te houden zodat de verdediging in de gelegenheid wordt gesteld om opnieuw onderzoekswensen te doen en inhoudelijke verweren te voeren, in het geval dat het hof de vordering van de advocaat-generaal niet zou volgen.
Het hof komt niet toe aan een beoordeling van dit verzoek, aangezien het hof de vordering van de advocaat-generaal volgt en de in het verzoek geformuleerde voorwaarde aldus niet wordt vervuld.
6 BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep enkel ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in
artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.M.H.P. Houben, mr. R.A.J. Hübel en mr. H. Sytema, in tegenwoordigheid van
mr. C.H. Sillen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
3 september 2026.
Mr. H. Sytema is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.