Strafrecht overig

Veoordeling voor langdurige afpersing, wederspannigheid en vuurwapenbezit. Lange gevangenisstraf lig in de…

Zaakgegevens

Op 17 september 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
17 september 2026
Datum publicatie
17 september 2026
Zaaknummer
23-002330-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2668
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Veoordeling voor langdurige afpersing, wederspannigheid en vuurwapenbezit. Lange gevangenisstraf lig in de rede, maar om positieve ontwikkelingen in leven verdachte niet te doorkruisen wordt een zeer lange taakstraf (360 uren) en lange deels voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Vordering BP toegewezen.

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002330-24

datum uitspraak: 17 september 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 1 oktober 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-094903-23 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,

adres: [adres] .

1 Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
3 september 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, zijn raadsman, de benadeelde partij en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

feit 1.
hij in of omstreeks de periode van 26 januari 2022 tot en met 7 april 2023 te Zaandijk en/of Krommenie en/of Wormerveer, althans gemeente Zaanstad, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij] heeft gedwongen tot de afgifte van 4400 euro, in elk geval enig goed en/of enig geldbedrag, dat/die geheel of ten dele aan die [benadeelde partij] toebehoorde, door die [benadeelde partij] te zeggen dat hij een conflict had met verdachte en/of had gelogen tegen verdachte en daarom verdachte en/of een of meer andere personen, een of meer geldbedragen moest betalen en/of die [benadeelde partij] , meermalen, althans eenmaal, te vragen of hij sneller kon rennen dan kogels en/of die [benadeelde partij] te zeggen dat hij, verdachte, ‘6 boys hier in de buurt’ wilde activeren (althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking) en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan voornoemde [benadeelde partij] te tonen en/of voor te houden;

feit 2.
hij op of omstreeks 7 april 2023 te Krommenie, gemeente Zaanstad, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [slachtoffer] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter aanhouding van verdachte door zich (met kracht) te verzetten tegen zijn aanhouding en/of zich (meermalen) los te rukken en/of met die verbalisant op de grond te vallen, terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten schaafwonden aan de (linker)hand van die [slachtoffer] , ten gevolge heeft gehad;

feit 3.
hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2022 tot en met 11 april 2023 te Krommenie en/of Zaandijk en/of Haarlem en/of Leeuwarden, in elk geval in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwd gas/alarmpistool, van het merk Blow, type mini, kaliber 9 mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, en bijbehorende munitie, als bedoeld in artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten munitie in de zin van 1 onder 4 van die wet, te weten 5 kogelpatronen van het kaliber 9 mm (van het merk Umarex) voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

3 Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring en tot een andere strafoplegging komt dan de rechtbank.

4 Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1.
hij in de periode van 26 januari 2022 tot en met 7 april 2023 te Zaandijk en Krommenie en Wormerveer, gemeente Zaanstad, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde partij] heeft gedwongen tot de afgifte van 4400 euro, die aan die [benadeelde partij] toebehoorde, door die [benadeelde partij] te zeggen dat hij een conflict had met verdachte en had gelogen tegen verdachte en daarom verdachte en een of meer andere personen een of meer geldbedragen moest betalen en die [benadeelde partij] meermalen te vragen of hij sneller kon rennen dan kogels en die [benadeelde partij] te zeggen dat hij, verdachte, ‘6 boys hier in de buurt’ wilde activeren en een vuurwapen aan voornoemde [benadeelde partij] te tonen;

feit 2.
hij omstreeks 7 april 2023 te Krommenie, gemeente Zaanstad, zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar, [slachtoffer] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, door zich met kracht te verzetten tegen zijn aanhouding en zich meermalen los te rukken en met die verbalisant op de grond te vallen, terwijl dit misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten schaafwonden aan de linkerhand van die [slachtoffer] , ten gevolge heeft gehad;

feit 3.
hij op 11 april 2023 te Leeuwarden een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwd gas/alarmpistool, van het merk Blow, type mini, kaliber 9 mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, en bijbehorende munitie, als bedoeld in artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten munitie in de zin van 1 onder 4 van die wet, te weten 5 kogelpatronen van het kaliber 9 mm van het merk Umarex, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

5 Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

afpersing, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

6 Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit.

7 Oplegging van straffen

7.1.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Daarbij zijn dadelijk uitvoerbare bijzondere voorwaarden gesteld, te weten een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting en de verplichting zich in te spannen om dagbesteding te vinden.

7.2.

Standpunten van partijen

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren en een gevangenisstraf voor de duur van 420 dagen, waarvan 323 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij heeft zij gevorderd dat een bijzondere voorwaarde wordt gesteld, te weten een meldplicht bij de reclassering.

De verdediging heeft het hof verzocht om een straf op te leggen die gelijk is aan de vordering van de advocaat-generaal en de verdachte in ieder geval niet terug te sturen naar de gevangenis. Daartoe is verzocht om in strafmatigende zin rekening te houden met een aantal omstandigheden: ten eerste de omstandigheid dat de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten jong was, hetgeen betekent dat zijn hersenen nog niet volledig waren ontwikkeld; ten tweede het advies in het psychologisch rapport om de feiten verminderd aan de verdachte toe te rekenen; en ten derde de veranderde persoonlijke omstandigheden van de verdachte, te weten dat hij aan het werk is, een woning heeft gekocht en samen met zijn vriendin een kind verwacht.

7.3.

Oordeel van het hof

7.3.1.

Inleiding

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

7.3.2.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing, door het jonge slachtoffer gedurende een periode van meer dan een jaar verbaal te bedreigen en hem een vuurwapen te tonen, waarmee hij het slachtoffer zodanig onder druk heeft gezet dat hij hem geldbedragen van in totaal € 4.400,00 afhandig kon maken. Feiten zoals deze, waarbij een vuurwapen wordt gebruikt, schokken de rechtsorde en veroorzaken gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke feiten nog voor lange tijd en soms voor altijd een grote indruk maken op de betrokkenen en psychische problemen kunnen veroorzaken. Dat dit feit nog altijd een grote indruk maakt op het slachtoffer en ook gevolgen voor hem heeft gehad, blijkt uit de indringende verklaring die hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd. De verdachte heeft geen oog gehad voor de gevolgen die zijn handelingen voor het slachtoffer hadden, maar enkel gehandeld vanuit eigen financieel gewin.

De verdachte heeft zich vervolgens met geweld verzet tegen zijn aanhouding, waardoor een politieambtenaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dergelijk handelen tegen een ambtenaar in functie is gezagsondermijnend en getuigt van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag. Bovendien heeft het (tweede) slachtoffer hierdoor pijn geleden en letsel opgelopen.

Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen (een omgebouwd gas/alarmpistool) dat was geladen met munitie. Het voorhanden hebben van een geladen

vuurwapen vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen, des te meer nu de verdachte het in detentie bij zich droeg. De ernst van dit feit vindt zijn weerslag in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, waarin voor het bezit van een pistool een gevangenisstraf van 4 maanden (in een woning) tot 8 maanden (in de openbare ruimte) wordt genoemd.

Aangezien sprake is van ernstige feiten waarbij (voor een deel) een vuurwapen is gebruikt, overweegt het hof dat de oplegging van een langdurige, onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend is en neemt dat dan ook als uitgangspunt.

7.3.3.

Persoonlijke omstandigheden

Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, die onder meer zijn beschreven in het psychologisch onderzoek Pro Justitia van 19 oktober 2023, het reclasseringsadvies van 23 augustus 2024, het strafblad van de verdachte, de e-mail van reclasseringsmedewerker [deskundige] van 1 september 2026, de e-mail met bijlagen van de raadsman van 2 september 2026 en hetgeen [deskundige] als deskundige ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard.

Uit voornoemd psychologisch onderzoek is gebleken dat bij de verdachte sprake is van een psychische stoornis in de vorm van een periodiek explosieve stoornis, een specifieke leerstoornis en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale en narcistische trekken. Deze pathologie was ten tijde van de tenlastegelegde feiten aanwezig en beïnvloedde toen ook de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte. Er wordt geadviseerd om het tenlastegelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Het hof neemt dit advies over en bepaalt dat de feiten in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend, hetgeen in strafmatigende zin wordt meegewogen.

Anders dan de verdediging ziet het hof geen aanleiding om de leeftijd van de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten bij de strafoplegging in strafmatigende zin mee te wegen. Hierbij speelt een rol dat er voor het hof, in lijn met eerdergenoemd rapport, ook onvoldoende indicaties zijn voor het toepassen van het adolescentenstrafrecht.

Uit het reclasseringsadvies van 23 augustus 2024 is gebleken dat – destijds – risico’s werden gezien ten aanzien van onder andere de leefgebieden huisvesting, dagbesteding, sociaal netwerk en psychosociaal functioneren. Uit de e-mail en de verklaring van de reclasseringsmedewerker en hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht, is gebleken dat de verdachte aan deze leefgebieden heeft gewerkt en heeft voldaan aan (dadelijk uitvoerbaar) gestelde bijzondere voorwaarden die de rechtbank heeft opgelegd. Nadat de verdachte 97 dagen had vastgezeten, is de voorlopige hechtenis geschorst en heeft hij ruim
9 maanden onder elektronisch toezicht gestaan (door middel van een enkelband) waardoor hij aanzienlijk in zijn vrijheid was beperkt. Inmiddels heeft de verdachte een structurele dagbesteding gevonden (een betaalde baan en vrijwilligerswerk), een woning gekocht, een relatie opgebouwd waarin hij een kind verwacht en een behandeling op het gebied van emotieregulatie en delictpreventie positief afgerond bij De Waag. Het vrijwilligerswerk bestaat er onder meer in dat de verdachte, als ervaringsdeskundige, samen met een politieambtenaar voorlichting op scholen geeft.

Door die positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte ziet het hof zich gesteld voor een dilemma. Aan de ene kant rechtvaardigen de aard en ernst van de feiten en in het bijzonder de gevolgen voor het slachtoffer van feit 1 een gevangenisstraf van forse duur. Dat zou betekenen dat de verdachte opnieuw komt vast te zitten. Aan de andere kant is uit het voorgaande is gebleken dat de verdachte een stijgende lijn heeft ingezet in zijn leven en het risico op herhaling lager is geworden. Als de verdachte opnieuw gedetineerd raakt wordt die lijn doorbroken en ontstaat er een (te) groot risico dat de verdachte, thans 24 jaar oud, alles wat hij heeft opgebouwd zal kwijtraken en opnieuw zal vervallen in strafbaar gedrag. Dit is niet in het belang van de verdachte én vooral niet in het belang van de samenleving. Alles afwegende heeft het hof ervoor gekozen om aan de verdachte straffen op te leggen die niet als gevolg hebben dat hij (zonder meer) opnieuw naar de gevangenis moet. De verdachte krijgt dus de kans om op de positieve weg door te gaan en een constructieve bijdrage aan de samenleving te blijven leveren.

7.3.4.

Oplegging van straffen

Om toch in voldoende mate recht te doen aan de ernst van de drie bewezenverklaarde feiten, is het naar het oordeel van het hof de oplegging van een zeer lange taakstraf van 360 uren passend en geboden. Daarnaast zal het hof de verdachte een lange, deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen (waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht), om hem ervan te weerhouden nogmaals strafbare feiten te begaan.

7.3.5.

Bijzondere voorwaarden

In het eerder genoemde reclasseringsadvies van 23 augustus 2024 is geadviseerd om een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting en een verplichting dagbesteding te vinden als bijzondere voorwaarden te stellen. Nu de verdachte reeds aan de twee laatstgenoemde bijzondere voorwaarden heeft voldaan en door zowel de verdachte als de reclasseringsmedewerker de wens is geuit om de meldplicht door te zetten, zal het hof alleen de meldplicht als bijzondere voorwaarde stellen.

8 Beslag

Onder de verdachte, dan wel bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane feiten zijn vijf voorwerpen aangetroffen en in beslag genomen, die aan de verdachte toebehoren en niet zijn teruggeven. Dit betreffen, samengevat:

  1. een pistool (Blow mini 7);

  2. een patroonhouder;

  3. vijf patronen;

  4. een pistool (Umarex Walther P22);

  5. een doosje met knalpatronen.

Met behulp van de onder nummer 1, 2 en 3 genoemde voorwerpen is het onder 3 bewezenverklaarde begaan. Zij zullen aan het verkeer worden onttrokken, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

De onder 4 en 5 genoemde voorwerpen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het door de verdachte onder 1 begane feit aangetroffen. Zij behoren aan de verdachte toe en kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten. Zij zullen worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

9 Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

9.1.

Omvang van de vordering

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 6.900,00, bestaand uit € 4.400,00 materiële schade en € 2.500,00 immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen. De benadeelde partij heeft zijn vordering in het hoger beroep gehandhaafd.

De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering gerefereerd aan het oordeel van het hof.

9.2.

Materiële schade

Ten aanzien van de gevorderde vergoeding van materiële schade overweegt het hof dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij deze schade als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks heeft geleden, gelet op de gemotiveerde en onderbouwde vordering van de benadeelde partij, die door de verdachte niet is betwist. Dit deel van de vordering, dat het hof niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, ligt dan ook voor toewijzing gereed, zodat de vordering tot vergoeding van de materiële schade geheel wordt toegewezen.

9.3.

Immateriële schade

9.3.1.

De vordering

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 2.500,00 gevorderd tot vergoeding van immateriële schade en heeft daartoe aangevoerd dat sprake is van geestelijk letsel in de vorm van een psychiatrisch erkend ziektebeeld, te weten een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Daarnaast is aangevoerd dat de aard en ernst van de normschending eveneens een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) met zich brengen.

9.3.2.

Overwegingen van het hof

Artikel 6:106, aanhef en onder b, BW brengt mee dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien sprake is van een aantasting in de persoon op ‘andere wijze’. Ook als het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo’n geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

Het hof overweegt dat op basis van de door de benadeelde partij overgelegde stukken en hetgeen de benadeelde partij ter terechtzitting heeft verklaard (net aan) onvoldoende is onderbouwd dat bij hem geestelijk letsel, in de vorm van PTSS of een anderszins psychiatrisch erkend ziektebeeld, naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld, zodat de vordering niet op deze grondslag kan worden toegewezen.

Het hof is evenwel van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde – die door de verdediging niet zijn betwist – meebrengen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, zodat de benadeelde op die voet aanspraak kan maken op vergoeding van immateriële schade. Daartoe overweegt het hof – in aanvulling op hetgeen in de strafmotivering is opgenomen – het volgende. De (destijds jeugdige) benadeelde partij is gedurende een periode van meer dan een jaar meerdere malen onder bedreiging gedwongen om geld af te geven. Hem is gevraagd of hij ‘sneller kan rennen dan kogels’ en de verdachte heeft hem een vuurwapen getoond dat hij had meegenomen naar een afspraak met de benadeelde. Deze zeer ernstige normschendingen hebben een zeer forse inbreuk op de persoonlijke vrijheid en het dagelijks leven van de benadeelde opgeleverd. De nadelige gevolgen voor de benadeelde zijn erg groot geweest. De benadeelde kampt met herbelevingen, vermijdt plekken als treinstations en pinautomaten omdat die hem doen denken aan de afpersing en heeft vanwege ‘PTSS-klachten’ contact opgenomen met zijn huisarts. Hij is doorverwezen naar een psycholoog en heeft daarmee een eerste gesprek gevoerd. De benadeelde is door de afpersing wantrouwender geworden, heeft veel last van stress en moeheid gehad en kampte met slaapproblemen en gevoelens van angst en onzekerheid. De benadeelde heeft door dit alles een slecht schooljaar gehad en heeft dit over moeten doen, zo blijkt uit de verklaringen die hij ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep heeft afgelegd. Verder is hij gestopt met zijn bijbaan, uit angst dat hij vanwege zijn werkzaamheden aan de deur zou staan bij de verdachte. Gelet op het voorgaande is het hof dan ook van oordeel dat de aantasting in de persoon kan worden aangenomen en dat hij op grond van artikel 6:106 BW recht heeft op een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding. Het hof acht het door de benadeelde partij gevorderde bedrag billijk en zal dat dan ook geheel toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

9.4.

Schadevergoedingsmaatregel

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c, 36d, 36f, 57, 181 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11 BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Heft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank gestelde bijzondere voorwaarden.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 420 (vierhonderdtwintig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 323 (driehonderddrieëntwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd:

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich binnen 5 werkdagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij zijn toezichthouder van Reclassering Nederland te [plaats 1] of [plaats 2] en dat hij zich gedurende de proeftijd zal blijven melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

- van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:

o meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

o meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.

Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in
artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 360 (driehonderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 180 (honderdtachtig) dagen hechtenis.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • 1. Wapen (Omschrijving: PL0100-2023091738-1593292, Blow Mini 9);

  • 2. Patroonhouder (Omschrijving: PL0100-2023091738-1593294, Patroonhouder met 5 patronen);

  • 3. 5 stuks munitie (Omschrijving: PL0100-2023091738-1594866, Patronen afkomstig uit magazijn, Uma);

  • 4. Wapen (Omschrijving: PL1100-2023070213-1473838 Wme 23 halfgeladen aangetroffen in kast, Zwart, merk: Umarex Walther P22);

  • 5. Munitie (Omschrijving: PL1100-2023070213-1473840 Wme 23 doosje knalpatr. aangetroffen bij pistool, Umarex Titan).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.900,00 (zesduizend negenhonderd euro) bestaande uit
€ 4.400,00 (vierduizend vierhonderd euro) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[benadeelde partij] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.900,00 (zesduizend negenhonderd euro) bestaande uit € 4.400,00 (vierduizend vierhonderd euro) materiële schade en
€ 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 59 (negenenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op
1 september 2022.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H. Sytema, mr. T. de Bont en mr. R.A.J. Hübel, in tegenwoordigheid van mr. C.H. Sillen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 september 2026.

Mr. Sytema is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

=========================================================================

[…]