Strafrecht overig
Het hof bevestigt het vonnis waarvan beroep behalve ten aanzien van de kwalificatie, beslissing benadeelde…
ECLI:NL:GHAMS:2026:2741 · Gerechtshof Amsterdam · 23 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2741
Zaakgegevens
Op 23 september 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 23 september 2026
- Datum publicatie
- 25 september 2026
- Zaaknummer
- 23-000025-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2741
Samenvatting
Het hof bevestigt het vonnis waarvan beroep behalve ten aanzien van de kwalificatie, beslissing benadeelde partij en gevangenisstraf. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor 22 maanden (+ tbs met dwang) voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid tav een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige. Beslissing op de vordering van de benadeelde partij tav immateriele schade (Rotterdamse schaal).
Uitspraak
Inhoudsopgave
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000025-25
datum uitspraak: 23 september 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 december 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-270359-22 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,
thans gedetineerd in [detentieadres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
9 september 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar, met aftrek van voorarrest, en oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met dwangverpleging.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit daarom bevestigen, behalve ten aanzien van de kwalificatie, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde gevangenisstraf. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Het hof zal de bewijsoverweging en de bewijsmiddelen aanvullen.
Aanvullende bewijsoverweging
Het hof vult de bewijsoverweging van de rechtbank aan als volgt.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] als betrouwbaar moet worden beschouwd. Van beïnvloeding van de verklaring van [slachtoffer] door oma, zoals door de verdediging als mogelijkheid geopperd, is niet gebleken. Het hof stelt vast dat oma heeft verklaard dat zij [slachtoffer] meenam naar de orthopedagoog, omdat zij had gehoord dat hij getuige was geweest van huiselijk geweld in Bolivia en niet omdat zij gehoord had van het misbruik. Toen [slachtoffer] over het misbruik vertelde bij de orthopedagoog, was oma naar eigen zeggen in shock. Op de vraag van de orthopedagoog aan [slachtoffer] of hij het al eens aan iemand heeft verteld, heeft hij geantwoord dat hij het aan zijn moeder in Bolivia heeft verteld; niet aan zijn oma. Het hof heeft dan ook geen reden te twijfelen aan de verklaring van oma in de aangifte dat [slachtoffer] haar niets had verteld.
Het hof is ook met de rechtbank van oordeel dat de waargenomen emoties bij [slachtoffer] steunbewijs opleveren. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 18 oktober 2022 (dossierpagina 1-2) volgt dat de orthopedagoog een open vraag stelde aan [slachtoffer] waarin zij vroeg waar hij het over wilde hebben. [slachtoffer] begon direct met huilen en vertelde uit zichzelf dat hij het wilde hebben over [plaats] , over wat er met [verdachte] was gebeurd, waarna hij over het misbruik heeft verteld. De orthopedagoog heeft stilgestaan bij de emoties die het opriep bij [slachtoffer] . De oma van [slachtoffer] heeft verklaard dat de therapeut de behandeling toen heeft gestopt omdat zij het op dat moment teveel voor [slachtoffer] zou vinden en het gesprek te belastend voor hem zou kunnen worden. Zij heeft verklaard dat [slachtoffer] en zijzelf het op dat moment ook niet meer volhielden.
Als [slachtoffer] in het studioverhoor bij de politie wordt gevraagd uit te leggen wat [verdachte] dan bij hem deed, ziet de verbalisant tranen bij [slachtoffer] . [slachtoffer] zegt daarop dat hij het moeilijk vindt om dit uit te leggen.
Het hof acht de door de orthopedagoog en oma tijdens het gesprek bij de orthopedagoog, en de door de verbalisant tijdens het studioverhoor waargenomen emoties bij [slachtoffer] toen hij vertelde over de feiten van waardevolle betekenis als steunbewijs, ondanks het tijdsverloop tussen het plaatsvinden van het misbruik en die emoties. Het hof concludeert dat de emoties direct samenhingen met de feiten waar [slachtoffer] gedetailleerd over vertelde.
Ten tijde van het misbruik zelf zijn ook omstandigheden en emoties waargenomen die goed kunnen passen bij de door [slachtoffer] geschetste gang van zaken en die bovendien de verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep dat hij nooit alleen thuis was met [slachtoffer] weerspreken. [slachtoffer] heeft verklaard dat het misbruik vaak in de douche plaatsvond, op een strijkplank. Daarna moesten ze van de verdachte allebei douchen en aankleden, voordat zijn moeder weer thuiskwam. [slachtoffer] ’s moeder heeft verklaard dat zij een keer thuiskwam zonder sleutels en zowel aan de voorkant als achterkant aanklopte, maar dat er niet werd opengedaan gedurende enige tijd. Toen de verdachte alsnog opendeed, zag zij dat de verdachte en haar zoon uit de douche kwamen en dat haar zoon huilde.
Al deze omstandigheden – in onderlinge samenhang bezien – maken dat naar het oordeel van het hof sprake is van voldoende steunbewijs.
Aanvulling op de bewijsmiddelen
Het hof zal de bewijsmiddelen als volgt aanvullen:
1. Een proces-verbaal van bevindingen van 18 oktober, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [doorgenummerde pagina’s 1-2] (aanvulling op het eerste bewijsmiddel zoals opgenomen in de bewijsmiddelenbijlage van de rechtbank).
Erna moesten we allebei van hem douchen en aankleden voordat mama weer thuiskwam.
2. Een geschrift, zijnde een getuigenverklaring van [getuige] van 31 mei 2024, ongenummerd (aanvulling op het vierde bewijsmiddel zoals opgenomen in de bewijsmiddelenbijlage van de rechtbank).
Op een keer kwam ik vroeg thuis. Ik had de sleutels niet bij me. Ik klopte op de deur en ze deden niet open. Ik ging naar de achterkant van het huis en zag dat de auto geparkeerd stond en ik begreep dat [verdachte] thuis was. Ik ging terug naar de voorkant van het huis en klopte een paar keer op de deur en hij ging niet open. Ik ging terug om weer te kloppen en [verdachte] deed open en ik zag dat ze uit de douche kwamen en mijn zoon huilde.
Kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:
feitelijke aanranding van de eerbaarheid, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.
Oplegging van straf
Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank die leidden tot oplegging van een gevangenisstraf en TBS-maatregel met dwangverpleging over, maar zal gelet op de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep tot oplegging van een enigszins lagere gevangenisstraf komen.
Het hof stelt namelijk vast dat in hoger beroep sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Nu de verdachte in voorlopige hechtenis zit, gaat het hof uit van een redelijke termijn van 16 maanden. Namens de verdachte is op 3 januari 2025 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 23 september 2026 arrest wijst. De redelijke termijn is dus met ruim vier maanden overschreden. Het hof ziet aanleiding deze overschrijding van de redelijke termijn te verdisconteren in de strafoplegging, in die zin dat het hof de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee jaar zal verminderen met twee maanden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 10.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering in zijn geheel toe te wijzen.
De raadsvrouw heeft verzocht de vordering te matigen. Zij heeft daartoe naar voren gebracht dat er verschillende oorzaken zijn voor de psychische schade bij de benadeelde partij.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Aanspraak
De benadeelde partij is het slachtoffer geweest van de bewezenverklaarde aanranding. De benadeelde partij heeft de vordering gebaseerd op artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in haar eer of goede naam of 'op andere wijze' in haar persoon is aangetast.Van aantasting in de persoon 'op andere wijze' is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven zijn of kunnen worden vastgesteld.
Op basis van de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij stelt het hof vast dat de benadeelde partij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit (aanranding) geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit de brief van de orthopedagoog van oktober 2024 blijkt dat de benadeelde partij gevoelens van verdriet, somberheid en boosheid heeft opgelopen als gevolg van diverse nare gebeurtenissen uit zijn verleden waaronder het misbruik door zijn stiefvader. Hij heeft hiervoor cognitieve gedragstherapie en EMDR (traumabehandeling) gekregen.
Het gaat dus om naar objectieve maatstaven vastgesteld geestelijk letsel, dat hij als gevolg van het bewezenverklaarde heeft opgelopen. Daarmee heeft de benadeelde partij op grond van artikel 6:106
sub b BW recht op vergoeding van immateriële schade en komt het hof toe aan de begroting van die schade.
Begroting
De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Naast de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, heeft het hof bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal (RS), een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. Het hof heeft daarnaast acht geslagen op de Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW (rechtspraak.nl).
Het hof is van oordeel dat voor het geestelijk letsel als uitgangspunt moet worden genomen de RS-categorie Deel B, ‘(geobjectiveerd) geestelijk letsel algemeen, (c) middelzwaar’ met een bandbreedte van € 4.000,00 tot € 13.000,00 (RS paragraaf 14.1), omdat pas wordt toegekomen aan de categorie ‘seksuele misdrijven’ (Deel C, paragraaf 15) op het moment dat sprake is van ‘anders dan aangetoond letsel’. Hier is sprake van aangetoond geestelijk letsel. Het hof neemt voorts in ogenschouw de jonge leeftijd van de benadeelde partij en het feit dat hij acht maanden EMDR-therapie heeft gehad voor (onder meer) het seksueel misbruik.
Alles afwegend en in onderlinge samenhang beschouwd, acht het hof in de gegeven omstandigheden het gevorderde bedrag aan immateriële schade van € 10.000,00 billijk. De vordering zal dan ook voor het gehele bedrag worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente hierover is eveneens toewijsbaar. Daarbij wordt uitgegaan van de aanvangsdatum van 31 juli 2018, het einde van de bewezenverklaarde periode, tot aan de dag van algehele voldoening.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie, de opgelegde gevangenisstraf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en beslist als volgt.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 (tweeëntwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[slachtoffer] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 75 (vijfenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 31 juli 2018.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.J. van der Wilt, mr. V.J.M. Goldschmeding en mr. M.J.A. Colijn, in tegenwoordigheid van mr. I. Peetoom, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 september 2026.