Strafrecht overig
Vernietiging vonnis. Veroordeling voor belaging ex-partner. GVS 5 maanden m.a. Daarnaast oplegging maatregel…
Gerechtshof Amsterdam, 29 september 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2804 · Gerechtshof Amsterdam · 29 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2804
Zaakgegevens
Op 29 september 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 29 september 2026
- Datum publicatie
- 30 september 2026
- Zaaknummer
- 23-001500-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2804
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vernietiging vonnis. Veroordeling voor belaging ex-partner. GVS 5 maanden m.a. Daarnaast oplegging maatregel TBS met dwangverpleging (gemaximeerd) in verband met doorwerkende stoornis. Verdachte heeft medewerking aan dubbelrapportage geweigerd. Hof is van oordeel dat de in 2019 bij de verdachte vastgestelde stoornis nog immer bij hem aanwezig is en dit ook was ten tijde van het tenlastegelegde feit. Daarnaast oplegging 38v maatregel (contact-en gebiedsverbod). Vordering benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen. Overweging over immateriële schade en de "aantasting in persoon op andere wijze". Vordering tenuitvoerlegging afgewezen (niet opportuun gelet op TBS maatregel). Verbeurdverklaring telefoon.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001500-23
datum uitspraak: 29 september 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 15 mei 2023 in de strafzaak onder de parketnummers 15-033664-23 en 22-002574-20 (TUL) tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1988,
adres: [adres 1] ,
thans gedetineerd in [detentieadres] .
1 Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 september 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
2 Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij in of omstreeks 27 mei 2022 tot en met 02 februari 2023 te Haarlem, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door
- die [slachtoffer] veelvuldig te bellen en/of sms-berichten, berichten via What's app, Instagram en e-mails te sturen en/of
- meerdere malen aan de deur te komen, bloemen te sturen en/of kaarten te sturen en/of door de brievenbus te gooien met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
3 Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, wegens proceseconomische redenen en omdat het hof tot een andere strafoplegging komt dan de rechtbank.
4 Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in de periode 30 mei 2022 tot en met 2 februari 2023 te Haarlem, althans in Nederland,
wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op een anders persoonlijke
levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door
- die [slachtoffer] veelvuldig te bellen en sms-berichten, berichten via What's app en e-mails te
sturen en
- meerdere malen aan de deur te komen, bloemen te sturen en kaarten te sturen en door de
brievenbus te gooien
met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
5 Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
belaging.
6 Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
7 Oplegging van straf en maatregelen
De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van drie jaar. Daarnaast heeft de politierechter aan de verdachte een dadelijk uitvoerbare vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd in de vorm van een contactverbod met de aangeefster en gebiedsverbod voor de omgeving van haar woning, eveneens voor de duur van drie jaar.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging (hierna: TBS-maatregel met dwangverpleging) zal worden opgelegd, omdat de veiligheid van anderen oplegging van deze maatregel eist. Met betrekking tot de duur van de maatregel heeft de advocaat-generaal gevorderd deze niet te maximeren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht dezelfde straf op te leggen als de politierechter heeft gedaan maar de proeftijd te verkorten tot één jaar. Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de noodzaak van een vrijheidsbeperkende maatregel niet (meer) aan de orde is en het hof verzocht om van de oplegging van deze maatregel af te zien. De raadsman heeft verder bepleit dat geen bijzondere voorwaarden moeten worden opgelegd omdat de verdachte geen medicatie wil.
De raadsman heeft het hof voorts verzocht geen TBS-maatregel met dwangverpleging op te leggen. Hij heeft hiertoe primair aangevoerd dat niet is voldaan aan het stoorniscriterium van artikel 37a lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De psychiater en de psycholoog hebben in hun Pro-Justitia rapportages van respectievelijk 14 mei 2025 en 3 juni 2025 geen diagnose kunnen stellen. Het rapport dat de advocaat-generaal ten grondslag heeft gelegd aan haar vordering dateert van juli 2019. Een op een ander delict en een andere periode betrekking hebbende diagnose is geen vaststelling dat de destijds geconstateerde stoornis nog bestond tijdens het huidige feit, aldus de raadsman.
De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de proceshouding van de verdachte niet als “weigerend” kan worden aangemerkt. De deskundigen hebben immers in beide gevallen op eigen initiatief het contact met de verdachte verbroken en maken in hun rapporten geen gebruik van de term “weigering”. Het voorgaande betekent dat het instemmingsvereiste uit artikel 37a lid 3 Sr voor het gebruik van rapportage ouder dan één jaar onverkort van toepassing blijft. De verdediging verleent geen instemming voor het gebruik van het Pro-Justitia rapport uit 2019, waarop de advocaat-generaal haar vordering heeft gebaseerd.
De raadsman heeft het hof subsidiair verzocht de zaak aan te houden ten einde de reclassering te verzoeken TBS met voorwaarden te onderzoeken.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregelen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Ernst van het feit en oplegging van straf
De verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim acht maanden schuldig gemaakt aan de belaging van zijn ex-partner door haar veelvuldig te bellen, berichten te sturen via verschillende kanalen, bij haar aan de deur te komen en bloemen en kaarten te (laten) bezorgen op het adres waar zij met haar jonge dochter woonachtig was. Het slachtoffer heeft als het gevolg van het gedrag van de verdachte intensieve gevoelens van onveiligheid ervaren. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het slachtoffer gebruik gemaakt van haar spreekrecht. Zij heeft op indringende wijze naar voren gebracht hoeveel indruk het feit heeft gemaakt op haar leven en dat van haar familie. Zij ervaart tot op heden gevoelens van angst en onzekerheid. Gedurende de tenlastegelegde periode en na afloop hiervan heeft het slachtoffer gebruik gemaakt van professionele ondersteuning vanwege haar angstklachten, die gedurende de ten laste gelegde periode en daarna zijn verergerd. Het hof rekent dit de verdachte aan. Uit de Justitiële Documentatie van de verdachte volgt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor belaging en partnermishandeling.
Gelet hierop en op de ernst van het bewezenverklaarde feit is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf straf passend en geboden is.
Zoals hierna onder het kopje “7.2 Oplegging van de maatregel TBS-met dwangverpleging” nader uiteen wordt gezet, acht het hof de verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar voor het bewezenverklaarde feit.
Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft het hof verder acht geslagen op de straffen die voor belaging plegen te worden opgelegd. Daarnaast heeft het hof in aanmerking genomen dat aan de verdachte tevens de TBS-maatregel met dwangverpleging zal worden opgelegd, zoals hieronder nader zal worden toegelicht.
Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden.
Oplegging van de maatregel TBS- met dwangverpleging
Juridisch kader
De TBS-maatregel kan door de rechter worden opgelegd indien is voldaan aan de in artikel 37a Sr gestelde voorwaarden. Eén van die voorwaarden houdt in dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Daarnaast dient het door de verdachte begane feit een misdrijf te zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, dan wel is genoemd in artikel 37a lid 1 sub 2 Sr – zoals in deze zaak het geval – en dient de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen.
Als de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat eisen, kan tevens worden bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd (artikel 37b lid 1 Sr). Voor oplegging van de maatregel is voorts vereist dat de rechter beschikt over een advies van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, onder wie een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht (artikel 37a lid 3 Sr). Indien de verdachte zijn medewerking aan een onderzoek door gedragsdeskundigen heeft geweigerd, vervalt voor het opleggen van TBS de eis van een (volwaardig) multidisciplinair onderzoek (artikel 37a lid 4 Sr). Dit neemt niet weg dat vereist blijft dat vastgesteld moet worden dat sprake is van een psychische stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte ten tijde van het plegen van het feit.
Gedragsdeskundige rapportages, Justitiële Documentatie en proceshouding van de verdachte.
De verdachte is op verzoek van de advocaat-generaal onderzocht door psychiater [deskundige 1] en psycholoog [deskundige 2] . Deze deskundigen hebben daaromtrent op respectievelijk 14 mei 2025 en
3 juni 2025 rapporten uitgebracht. Beide deskundigen hebben zich in hun rapporten onthouden van advies omdat zij als gevolg van de houding van de verdachte niet tot een diagnostische conclusie konden komen.
Anders dan de raadsman, is het hof van oordeel dat de verdachte heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan de beide onderzoeken. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat niet alleen de verdachte die elke medewerking weigert, maar ook de verdachte die slechts beperkt meewerkt of eisen stelt aan de wijze waarop hij wordt onderzocht, kan worden aangemerkt als een weigerende observandus. Zowel de psycholoog als de psychiater hebben gerapporteerd dat de verdachte voor verschillende onderdelen van hun onderzoek – bijvoorbeeld het spreken van persoonlijke referenten – geen toestemming heeft verleend. Voorts heeft de verdachte geweigerd inhoudelijk antwoord te geven op vragen en stelde hij de relevantie hiervan veelvuldig ter discussie. Gelet op het voorgaande hebben beide deskundigen gerapporteerd dat de verdachte daarom feitelijk niet dan wel onvoldoende onderzoekbaar was.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte moet worden aangemerkt als een weigerende observandus, zodat het instemmingsvereiste van artikel 37a lid 3 Sr niet van toepassing is.
In het licht van de weigering van de verdachte om mee te werken aan gedragskundig onderzoek in deze zaak, heeft het hof tevens acht geslagen op oudere Pro-Justitia rapportages, te weten het Pro-Justitia psychiatrisch onderzoek door drs. [deskundige 3] van 22 juli 2019 en het Pro-Justitia psychologisch onderzoek door drs. [deskundige 4] van 23 juli 2019.
De deskundigen in de hiervoor genoemde rapporten uit 2019 hebben – samengevat en voor zover hier van belang – het volgende gerapporteerd:
( i) Bij betrokkene is sprake van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met narcistische en borderline trekken.
( ii) Vanuit zijn persoonlijkheidsproblematiek is betrokkene meer dan een gemiddeld
persoon gevoelig voor afwijzing. Door zijn chronisch gebrek aan vertrouwen, ervaart hij snel angst om in de steek te worden gelaten. Deze angst en zijn wantrouwen zorgen er voor dat hij uit alle macht probeert te voorkomen dat de ander hem zal verlaten, of als de ander hem reeds gezegd heeft de relatie te willen beëindigen, meer dan gemiddeld te proberen de relatie te herstellen. Hij heeft daarbij moeite om met zijn emoties om te gaan en richt zijn woede op de ander.
In de zaak waarop bovengenoemde rapporten betrekking hebben werd de verdachte eveneens verdacht van het belagen van een ex-partner. Hij is voor dit feit ook veroordeeld. Het behandeltraject bij De Waag dat naar aanleiding van deze veroordeling werd gestart is door de verdachte niet afgerond.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 1 september 2026 is de verdachte in 2018 en 2022 eerder onherroepelijk veroordeeld voor belaging.
Ontwikkelingen sinds de behandeling in eerste aanleg
In de periode na het onderzoek uit 2019 en tevens na de veroordeling van de verdachte door de politierechter in deze zaak hebben zich (nieuwe) ontwikkelingen voorgedaan waarover is gerapporteerd of proces-verbaal is opgemaakt. Het hof heeft in dit verband onder andere acht geslagen op de volgende stukken:
- het proces-verbaal van bevindingen van 10 september 2026 met nummer
PL1500-2026274722-12;
-
het proces-verbaal van bevindingen van 19 augustus 2026 met nummer PL500-2026274722-8;
-
het proces-verbaal van bevindingen overtreden justitiële voorwaarden van 10 april 2026 met nummer PL1 100-2026081477-1;
-
reclasseringsadvies van 25 augustus 2026.
Uit bovengenoemde stukken volgt dat de verdachte na voornoemde eerdere veroordelingen voor belaging en de veroordeling van de politierechter in deze zaak niet is gestopt met het belagen van vrouwen, integendeel. In de periode vanaf september 2021 tot 19 augustus 2026 hebben – naast de aangeefster – nog zes vrouwen melding gedaan van belaging door de verdachte. De meldingen houden onder andere in dat de verdachte na afloop van een aantal dates dan wel een korte relatieperiode veelvuldig contact heeft gezocht met deze vrouwen terwijl dit uitdrukkelijk niet werd gewenst. De berichten die door de verdachte zijn verstuurd, hadden in meerdere gevallen een dreigende toon.
Op 19 augustus 2026 heeft met de verdachte nog een stopgesprek plaatsgevonden naar aanleiding van een melding en aangifte van zijn meest recente ex-partner. De berichten die de verdachte haar stuurde waren (deels) bedreigend van aard en gedurende het contact met de politie heeft de verdachte zich eveneens bedreigend uitgelaten.
Voorts is gebleken dat de verdachte zich niet heeft onthouden van het zoeken van contact met de aangeefster in deze zaak. Uit het proces-verbaal van bevindingen overtreden justitiële voorwaarden van 10 april 2026 volgt dat de aangeefster [slachtoffer] meerdere meldingen heeft gemaakt van het overtreden van het contactverbod door de verdachte.
De reclassering schat het recidiverisico in haar meest recente advies van 26 augustus 2026 tot slot in als gemiddeld tot hoog indien de verdachte zich in een relatie bevindt. Dit omdat er binnen eerdere relaties sprake is geweest van belaging in combinatie met aanwezige persoonlijkheidsproblematiek. De reclassering heeft twijfels over de responsiviteit van de verdachte en schat de motivatie voor gedragsverandering en hulpverlening in als laag-gemiddeld. De verdachte stelt weliswaar open te staan voor hulp, maar hoopt ook op enige vrijblijvendheid en vindt het moeilijk als hem iets wordt opgelegd. De reclassering merkte in het rapport op dat de verdachte meende dat de reclassering als doel had hem in detentie te brengen. Het meest recente reclasseringstoezicht is voortijdig negatief retour gezonden.
Conclusie: doorwerkende stoornis en oplegging van de maatregel TBS met dwangverpleging.
Het hof komt gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en in onderlinge samenhang bezien, tot de conclusie dat het ziektebeeld waarmee de verdachte is gediagnostiseerd in juli 2019 nog immer bij hem aanwezig is en dit ook het geval was ten tijde van het bewezenverklaarde feit.
Het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de ontwikkelingen die zich sinds het onderzoek uit 2019 hebben voorgedaan laten naar het oordeel van het hof een patroon zien waaruit kan worden afgeleid dat de ziekelijke stoornis waarmee de verdachte destijds is gediagnostiseerd niet, dan wel onvoldoende, is genezen. In dit verband wijst het hof op de omstandigheid dat het behandeltraject bij De Waag dat naar aanleiding van voornoemd rapport is gestart voortijdig door toedoen van de verdachte is afgebroken.
Het hof is verder van oordeel dat de verdachte afgestraft en onbehandeld een te groot gevaar vormt voor de samenleving. Daarvoor is vooral redengevend hetgeen in de paragrafen 7.2.2 en 7.2.3. is opgenomen.
Daarbij merkt het hof nog op dat de verdachte zich ter terechtzitting in hoger beroep zeer wantrouwend heeft opgesteld en geen enkel ziektebesef heeft getoond. Het hof kan zich voorts niet aan de indruk onttrekken dat de verdachte het laakbare van zijn handelen nauwelijks lijkt in te zien. Het hof is gelet op al het voorgaande van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, eist dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd.
Concluderend stelt het hof vast dat aan de wettelijke eisen als genoemd in de artikelen 37a en 37b, eerste lid, Sr is voldaan. Bij de verdachte was ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde sprake van een gebrekkige ontwikkeling en/of van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, de verdachte wordt veroordeeld voor een feit waarvoor de TBS-maatregel kan worden opgelegd en naar het oordeel van het hof eist de algemene veiligheid van personen en goederen oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling en het bevel dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd.
Anders dan de raadsman ziet het hof tot slot geen aanleiding het onderzoek ter terechtzitting te heropenen ten einde de reclassering een maatregelenrapport te laten opmaken. Voor de oplegging van de maatregel van TBS met voorwaarden is namelijk bij wet vereist dat de verdachte zich bereid heeft verklaard tot naleving van de voorwaarden. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is het hof niet gebleken dat de verdachte een betrouwbare bereidheid tot medewerking heeft getoond, waarmee een TBS met voorwaarden niet tot de mogelijkheden behoort.
Duur tbs-maatregel: gemaximeerd.
Ingevolge artikel 38e, eerste lid, Sr gaat de totale duur van de TBS-maatregel met bevel tot verpleging van overheidswege een periode van vier jaar niet te boven, tenzij de maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, kort gezegd: een geweldsmisdrijf. In het onderhavige geval wordt de maatregel opgelegd ter zake van belaging die niet gepaard is gegaan met daadwerkelijk (fysiek) geweld tegen de belaagde persoon. Het hof is, anders dan de advocaat-generaal, van oordeel dat – indachtig de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt – niet, althans onvoldoende, is gebleken van bijkomende omstandigheden die maken dat sprake is van een geweldsmisdrijf. De TBS-maatregel kan daarom de totale duur van een periode van vier jaar niet te boven gaan.
8 Vrijheidsbeperkende maatregel: contact- en locatie verbod aangeefster
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of, gelet op het bewezenverklaarde feit, het noodzakelijk is om vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen. De reclassering schat het recidiverisico in als gemiddeld tot hoog. Gelet hierop en gelet op de hardnekkigheid van de persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte, is het hof van oordeel dat de reële kans aanwezig is dat het recidiverisico gedurende en (mogelijk) na afloop van de TBS-maatregel nog niet tot een aanvaardbaar niveau is teruggedrongen.
Het hof is daarom van oordeel dat het toekomstig recidiverisico als zodanig hoog moet worden ingeschat dat het ambtshalve aanleiding ziet om de verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen in de vorm van een contactverbod met de aangeefster en gebiedsverbod voor haar woning voor de duur van vijf jaren.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens het slachtoffer beveelt het hof, gelet op artikel 38v, vierde lid Sr, dat de opgelegde maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn.
9 Beslag
De politierechter heeft de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggeven telefoon verbeurd verklaard.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de telefoon verbeurd zal worden verklaard.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het hof overweegt dat de belaging is begaan met behulp van de onder verdachte in beslaggenomen telefoon. Het voorwerp behoort de verdachte toe. Het zal daarom verbeurd worden verklaard.
10 Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt in totaal € 5.554,85, bestaande uit € 2904,85 aan materiële schade en
€ 2650,00 aan immateriële schade.
De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.644,85, bestaande uit
€ 144,85 euro aan materiële schade en € 1500,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Materiële schade
De gevorderde materiële schade bedraagt € 2904,85 en bestaat uit de volgende posten:
-
Beveiligingskosten (camera’s) €144,85
-
Reparatiekosten schutting €2760,00
Standpunt van de partijen
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de beslissing van de politierechter zal overnemen.
De raadsman heeft met betrekking tot de reparatiekosten van de schutting aangevoerd dat deze
niet-ontvankelijk moeten worden verklaard overeenkomstig de redenering van de politierechter. Ten aanzien van de beveiligingskosten heeft de raadsman zich voorts op het standpunt gesteld dat deze niet in rechtstreekst verband staan met het bewezenverklaarde feit. De verdachte heeft de aangeefster slechts éénmaal bezocht. De kosten voor de aanschaf van beveiligingscamera’s zijn alleen als rechtstreekse schade aan te merken indien zij zijn gericht op het verminderen van onveiligheidsgevoelens die daadwerkelijk door het bewezenverklaarde feit zijn veroorzaakt. Bij een eenmalig bezoek ontbreekt die directe relatie. Daarnaast zijn de kosten voor de beveiligingscamera’s niet genoegzaam aangetoond, nu uit de vordering blijkt dat prijzen van vergelijkbare camera’s zijn bijgevoegd en niet de betaalbewijzen van de daadwerkelijk geplaatste camera’s.
Oordeel van het hof
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot na te melden bedrag.
Het hof acht het – gelet op het bewezenverklaarde feitencomplex – aannemelijk dat de aangeefster de beveiligingscamera’s heeft aangeschaft om gevoelens van onveiligheid te verminderen en merkt de gemaakte kosten voor de beveiligscamera’s aan als rechtstreekse schade. Anders dan door de raadsman is betoogd is de frequentie van de bezoeken aan het huis van de aangeefster hiervoor niet van doorslaggevend belang.
Het hof zal, nu een aankoopbon ontbreekt, gebruik maken van zijn schattingsbevoegdheid en de geleden schade ter zake van de beveiligscamera’s schatten op €144,85. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Met de politierechter en overeenkomstig het standpunt van de verdediging en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de reparatiekosten van de schutting niet voor toewijzing vatbaar zijn, nu de vernieling van deze schutting niet aan de verdachte ten laste is gelegd, zodat de kosten niet zijn aan te merken als rechtstreekse schade. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Immateriële schade
De gevorderde immateriële schade bedraagt € 2650,00.
Standpunt van de partijen
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de beslissing van de politierechter zal overnemen.
De raadsman heeft verzocht de immateriële schade te matigen tot € 500,00. De uitspraken waarnaar in de vordering wordt verwezen zijn qua intensiteit en pleegperiode niet vergelijkbaar met de onderhavige zaak, aldus de raadsman.
Oordeel van het hof
Aanspraak
Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft een limitatieve opsomming van de gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten - onder meer - onder b: aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo’n geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
De verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim 8 maanden schuldig gemaakt aan belaging van de benadeelde partij door haar veelvuldig te bellen en berichten te sturen via verschillende kanalen. Tevens heeft hij bloemen en kaarten laten bezorgen bij haar woning – waar ook haar minderjarige dochter verbleef – en heeft hij deze woning fysiek bezocht. De benadeelde partij heeft bij de politierechter en ter terechtzitting in hoger beroep verklaard intense gevoelens van angst te hebben ervaren. Uit de bij de vordering tot schadevergoeding gevoegde brief van haar behandelaar volgt dat de angstklachten van de benadeelde partij gedurende de tenlastegelegde periode – waarin zij onder behandeling stond – zijn toegenomen. De benadeelde partij is naar aanleiding van het bewezenverklaarde feit tevens aangemeld voor een hulpverleningstraject bij een opvangcentrum voor mensen die te maken hebben met huiselijk geweld. Blijkens een verslag van het intakegesprek van 24 april 2023 maakten angstklachten deel uit van de hulpvraag.
Gelet op de aard en ernst van de normschending en de door de benadeelde partij beschreven en onderbouwde – en door de verdediging niet betwiste – nadelige gevolge voor haar mentale gezondheid, is het hof van oordeel dat genoegzaam is onderbouwd dat de benadeelde partij op “andere wijze in haar persoon is aangetast” zoals bedoeld in zoals bedoeld in art. 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek.
Begroting
Het hof sluit voor de vaststelling van de omvang van de immateriële schade aan bij de Rotterdamse Schaal (RS) paragraaf 17 ‘Belaging (art. 285b Sr)’, categorie c) ‘ tamelijk ernstig’, bandbreedte maximaal 2000,00. Daarbij betrekt het hof tevens de aard en ernst van het bewezenverklaarde zoals volgt uit de voorgaande bewijs- en strafmaatoverwegingen en heeft het hof acht geslagen op bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend. Alles afwegende acht het hof een bedrag van € 1500,00 aan immateriële schade billijk.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
Resumerend is de verdachte tot vergoeding van € 1644,85 aan materiële en immateriële schade gehouden. Het toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
11 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 37a, 37b, 38v, 38w en 285b van het Wetboek van Strafrecht.
12 Vordering tenuitvoerlegging 22-002574-20
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het hof te
's-Gravenhage van 7 juli 2022 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 28 dagen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering tenuitvoerlegging zal worden toegewezen.
De raadsman heeft het hof verzocht de vordering af te wijzen.
In het licht van de op te leggen TBS-maatregel met dwangverpleging acht het hof het niet opportuun de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf te gelasten. De vordering zal daarom worden afgewezen.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld voor de duur van maximaal 4 (vier) jaren en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat: de veroordeelde
-
voor de duur van 5 jaren zich niet zal ophouden in het navolgende gebied [adres 2] .
-
voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1987.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Beveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.
Beveelt daarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1. STK telefoontoestel.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.644,85 (duizend zeshonderdvierenveertig euro en vijfentachtig cent) bestaande uit € 144,85 (honderdvierenveertig euro en vijfentachtig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.644,85 (duizend zeshonderdvierenveertig euro en vijfentachtig cent) bestaande uit € 144,85 (honderdvierenveertig euro en vijfentachtig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 16 (zestien) dagen.
Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op
2 februari 2023.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het parket Noord-Holland van 6 maart 2023, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het hof te 's-Gravenhage van 7 juli 2022, parketnummer 22-002574-20, voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 28 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.R.O. Mooy, mr. J.W.P. van Heusden en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van mr. L.C. de Groot, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
29 september 2026.
Mr. Mooy is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]