Strafrecht overig

Bevestiging m.u.v. de straf. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Gerechtshof Amsterdam, 9 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 9 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
9 oktober 2026
Datum publicatie
19 oktober 2026
Zaaknummer
23-002126-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2962
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bevestiging m.u.v. de straf. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002126-24

datum uitspraak: 9 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 18 september 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-029628-24 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
25 september 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de gevangenisstraf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:

- de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring is gegrond na het eventueel instellen van beroep in cassatie in een aanvulling op dit arrest zal opnemen en aanvullen.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien dagen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De verdediging heeft het hof verzocht om bij een bewezenverklaring een taakstraf dan wel een voorwaardelijke gevangenisstraf of hechtenis op te leggen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van een volstrekt willekeurig persoon tijdens een vlucht van Istanbul naar Amsterdam. Door de bedreiging heeft de verdachte het slachtoffer en diens echtgenote gedurende vrijwel de gehele vlucht – die gemiddeld zo’n drie uur duurt – angst aangejaagd; het slachtoffer kon geen kant op. Het hof neemt dit de verdachte kwalijk.

Blijkens het strafblad van de verdachte is hij eerder onherroepelijk voor soortgelijke en andere feiten veroordeeld.

Hoewel de ernst van het feit in beginsel een gevangenisstraf rechtvaardigt, neemt het hof in overweging dat de raadsvrouw op de zitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht dat de verdachte een Wajong-uitkering ontvangt die hij kwijtraakt indien een gevangenisstraf wordt opgelegd en heeft de raadsvrouw verdachtes persoonlijke omstandigheden toegelicht. Daarnaast heeft de verdachte zelf verklaard dat hij op dit moment – ter uitvoering van een taakstraf – werkt in een kringloopwinkel en dat dit goed gaat. Het hof overweegt dat de verdachte meer baat heeft bij het ritme en de stabiliteit van een taakstraf dan bij een kortdurende gevangenisstraf. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte nog forse taakstraffen te verrichten heeft. Door wederom een taakstraf op te leggen zal de verdachte langer aan het werk zijn wat er – zo hoopt het hof – toe zal leiden dat het delict patroon van de verdachte wordt doorbroken en de kans op recidive vermindert.

Het hof heeft gelet op de omstandigheid dat de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is overschreden. Namens de verdachte is op 20 september 2024 hoger beroep ingesteld, waardoor de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn op die datum is aangevangen. Het hof doet op 9 oktober 2026 uitspraak, waardoor de redelijke termijn in hoger beroep met iets minder dan drie weken is overschreden. Gezien de beperkte overschrijding en de op te leggen straf volstaat het hof met de enkele constatering dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof acht, alles afwegende en mede gelet op de straffen die het hof vandaag ook in andere zaken aan de verdachte oplegt, een taakstraf voor de duur van veertig uren passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.E. Kwak, mr. B.A.A. Postma en mr. B. de Wilde, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Zoet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 oktober 2026.

mr. B. de Wilde is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.