Strafrecht overig

Gerechtshof Amsterdam · Hoger beroep · Strafrecht overig

Zaakgegevens

Op 31 maart 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
31 maart 2026
Datum publicatie
1 april 2026
Zaaknummer
23-000857-23
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:880
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Uitkeringsfraude.

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000857-23

datum uitspraak: 31 maart 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 9 maart 2023 in de strafzaak onder parketnummer 81-193208-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1976,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan haar ten aanzien van de WIA-uitkering is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is daarom ook gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Hiertegen is geen hoger beroep mogelijk. Het hof zal de verdachte niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat ziet op deze vrijspraak.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof:

- hetgeen in het vonnis onder ‘2. Voorvragen’ ten aanzien van het verweer over de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging is overwogen, niet overneemt. Dit verweer is in hoger beroep niet gevoerd;

- ten aanzien van hetgeen de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd, overweegt dat dit het hof niet tot een ander oordeel brengt;

- de strafmotivering van de rechtbank onder ‘6. Motivering van de sanctie’ vervangt met onderstaande strafmotivering.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis.

De raadsman heeft het hof in geval van bewezenverklaring, verzocht er rekening mee te houden dat de verdachte geen strafblad heeft. Zij is ziek, is alleenstaande ouder en heeft psychische druk ervaren. Hij heeft het hof verzocht het bedrag van € 26.549,45 in mindering te brengen op het benadelingsbedrag. Hij heeft het hof verzocht een taakstraf, met een voorwaardelijk deel op te leggen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan uitkeringsfraude door opzettelijk niet te melden dat zij werkzaamheden verrichtte. Daardoor kon het UWV niet op juiste wijze vaststellen of, en zo ja, in hoeverre zij recht had op een uitkering. Daardoor is ten onrechte gemeenschapsgeld uitgekeerd. Sociale voorzieningen zijn uitsluitend bedoeld voor degenen die er recht op hebben en daarvan afhankelijk zijn.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 maart 2026 is zij niet eerder veroordeeld.

Het hof acht in beginsel oplegging van een gevangenisstraf passend en geboden. Het hof heeft geconstateerd dat de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim 25 maanden en in hoger beroep met ruim 12 maanden is overschreden. Gelet op deze overschrijdingen zal het hof de op te leggen straf, in die zin matigen, dat in plaats van een gevangenisstraf een taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis wordt opgelegd. Het hof komt, gelet op de ernst van de feiten, tot een hogere straf dan door de advocaat-generaal is gevorderd. In hetgeen door de raadsman is aangevoerd en ook overigens, ziet het hof geen reden een deel van de taakstraf voorwaardelijk op te leggen.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraak van hetgeen aan de verdachte ten aanzien van de WIA-uitkering ten laste is gelegd.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C. Beuze, mr. A.P.M. van Rijn en mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, in tegenwoordigheid van mr. S. Egidi, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 31 maart 2026.

Mr. C. Beuze en mr. A.P.M. van Rijn zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.