Strafrecht overig

Artikel 12. Afwijzing beklag.

Gerechtshof Amsterdam, 2 september 2021

Zaakgegevens

Op 2 september 2021 heeft het Gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
2 september 2021
Datum publicatie
21 december 2021
Zaaknummer
K20/230524
Procedure
Raadkamer
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2021:3993
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Artikel 12. Afwijzing beklag.

Uitspraak

afdeling strafrecht

beklagkamer

rekestnummer K20/230524

Beschikking op het beklag van:

[klaagster] B.V,

gevestigd te [vestigingsplaats],

klaagster,

gemachtigde: [gemachtigde].

1 Het beklag

Het hof heeft op 17 december 2020 het klaagschrift ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam om geen strafvervolging in te stellen tegen [beklaagde] (hierna: beklaagde) ter zake van diefstal van een personenauto.

2 Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 21 april 2021 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag af te wijzen.

3 De voorhanden stukken

Het hof heeft kennisgenomen van:

- het klaagschrift met producties van 15 december 2020, en de aanvullingen daarop van 29 januari 2021 en 12 mei 2021 (beide met producties);

- het verslag van de advocaat-generaal;

- het dossier van de politie;

- het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam van 13 januari 2021.

4 De behandeling in raadkamer

Het hof heeft de gemachtigde van klaagster in de gelegenheid gesteld op 2 september 2021 het beklag toe te lichten. De gemachtigde van klaagster is in raadkamer verschenen en heeft het beklag toegelicht en gehandhaafd.

De advocaat-generaal is bij de behandeling in raadkamer aanwezig geweest. In hetgeen in raadkamer naar voren is gekomen heeft deze geen aanleiding gevonden de conclusie in het verslag te herzien.

5 De beoordeling van het beklag

Namens klaagster is op 19 november 2020 aangifte gedaan ter zake diefstal van een personenauto door beklaagde. Klaagster is eigenaar van deze auto sinds 2018. Vanaf maart 2019 stond deze auto op naam van beklaagde.

De gemachtigde van klaagster had de auto op 11 november 2020 om 19.30 uur geparkeerd in Amstelveen. Toen hij de volgende dag terug kwam, stond de auto er niet meer.

Klaagster heeft daarna verschillende juridische procedures gevoerd om de auto weer onder zich te krijgen.

Op 11 december 2020 heeft de deurwaarder geprobeerd beslag te leggen op de auto bij beklaagde. Beklaagde heeft toen verklaard dat de auto te koop werd aangeboden op een voor haar onbekend adres.

Op 27 januari 2021 is beklaagde in kort geding veroordeeld tot afgifte van de kentekencard en de bijbehorende vrijwaringscode van de auto aan klaagster. Beklaagde heeft in die zaak ter zitting verklaard dat zij niet wist waar de auto was en dat de ex-vrouw van de gemachtigde van klaagster de auto heeft meegenomen.

Op 7 mei 2021 is de ex-vrouw van de gemachtigde van klaagster in kort geding veroordeeld tot afgifte van de auto aan klaagster.

Uit de aanvulling op het klaagschrift van 12 mei 2021 volgt dat klaagster de auto inmiddels terug heeft gekregen (met schade).

Het beoordelingskader

Het hof heeft te beoordelen of de strafrechter die over deze zaak zou moeten oordelen – al dan niet na nader onderzoek – zou kunnen komen tot een veroordeling voor enig strafbaar feit. Daarnaast moet het hof beoordelen of er, gelet op alle omstandigheden, voldoende belang is bij het alsnog instellen van strafrechtelijke vervolging. Indien het antwoord op beide vragen bevestigend luidt, zal een bevel tot vervolging worden gegeven.

De overwegingen van het hof

Uit de door de gemachtigde van klaagster aangeleverde producties volgt dat sprake is van een uitgebreide juridische strijd rondom de afwikkeling van de scheiding tussen de gemachtigde van klaagster en zijn ex-vrouw. Beklaagde lijkt onverhoopt in deze juridische strijd betrokken te zijn geraakt, omdat de auto in deze kwestie – op verzoek van klaagster – op de naam van beklaagde stond gesteld.

Het hof is van oordeel dat het in deze zaak om een civielrechtelijke aangelegenheid gaat. Nu klaagster al meermalen de weg naar de civiele rechter heeft gevonden, valt niet in te zien welk maatschappelijk belang er zou zijn om dit (gedeelte van het) conflict – nog afgezien van de vraag of het om een strafrechtelijk bewijsbaar feit zou gaan – binnen het bereik van het strafrecht te brengen.

Het hof is dan ook van oordeel dat er goede redenen zijn om in deze zaak geen vervolging te gelasten. Het beklag is ongegrond.

Het hof zal daarom als volgt beslissen.

6 De beslissing

Het hof wijst het beklag af.

Deze beschikking, waartegen voor betrokkenen geen rechtsmiddel openstaat, is gegeven op

2 september 2021 door mrs. P.F.E. Geerlings, voorzitter, N.A. Schimmel en A.R.O. Mooy, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. K. van der Togt, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.