Strafrecht overig

Gegrondverklaring klacht art. 12 Sv. Hof gelast de vervolging van beklaagde wegens bedreiging van haar…

Zaakgegevens

Op 29 september 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
29 september 2026
Datum publicatie
1 oktober 2026
Zaaknummer
K25/220289
Procedure
Raadkamer
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:2987
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Gegrondverklaring klacht art. 12 Sv. Hof gelast de vervolging van beklaagde wegens bedreiging van haar buurvrouw (klager). Het hof gelast op grond van art. 12i lid 3 Sv dat de bevoegde officier van justitie op grond van art. 181 Sv vordert dat door de rechter-commissaris nader onderzoek zal worden verricht, te weten het voorafgaand aan de vervolging van beklaagde benoemen van een deskundige voor het verrichten van onderzoek naar de mate van toerekeningsvatbaarheid van beklaagde.

Uitspraak

Inhoudsopgave

GERECHTSHOF DEN HAAG

Raadkamer beklagzaken

Volgnummer: K25/220289

Beschikking gegeven op het beklag, op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

[klaagster] ,

klaagster.

1 Het beklag

Het klaagschrift (met bijlagen) is op 4 juni 2025 door het hof ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie te Den Haag om [beklaagde], beklaagde, niet te vervolgen voor bedreiging.

Voor het verloop van de procedure en hetgeen eerder in deze zaak is voorgevallen verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van 28 april 2026 met bijbehorend proces-verbaal van de behandeling in raadkamer op 7 april 2026, waar klaagster en haar gemachtigde zijn gehoord, en het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer op 15 juli 2026.

2 Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 26 januari 2026 heeft de advocaat-generaal het hof geadviseerd het beklag af te wijzen.

3 De stukken betreffende het beklag

Het hof heeft, behalve van de reeds genoemde stukken, onder meer kennisgenomen van de

in deze zaak opgemaakte processen-verbaal, van het reclasseringsadvies van 31 januari 2025 betreffende beklaagde en van het ambtsbericht van de officier van justitie te Den Haag van 23 juni 2025.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de brief van klaagster van 30 maart 2026,

inhoudende een aanvulling op het beklag, en van de ter zitting in raadkamer overgelegde

medische verklaring d.d. 3 april 2026 betreffende klaagster.

4 De feiten en standpunten

Klaagster heeft op 29 januari 2025 bij de politie tegen haar buurvrouw, beklaagde, aangifte gedaan van bedreiging, gepleegd op diezelfde dag.

Klaagster verklaart in de aangifte – kort weergegeven – dat beklaagde door de schutting in de Surinaamse taal meermalen naar haar schreeuwde: “Wacht maar tot ik je te pakken heb want ik schiet je tussen je ogen”. Beklaagde schold klaagster tevens uit voor hoer en dreigde dat zij haar neer zou steken. Klaagster had het vermoeden dat beklaagde in een psychose verkeerde.

Met betrekking tot de (overige) feiten verwijst het hof kortheidshalve naar het dossier, nu de feiten gelet op de behandelingen in raadkamer zowel bij klaagster als beklaagde genoegzaam bekend zijn.

De officier van justitie heeft de zaak geseponeerd. De officier van justitie stelt in dat verband dat beklaagde als dader niet strafbaar is.

Klaagster stelt zich in het klaagschrift op grond van de daarin genoemde feiten en omstandigheden op het standpunt dat de officier van justitie niet bevoegd is om de (on)toerekeningsvatbaarheid van beklaagde vast te stellen, nu dit is voorbehouden aan de strafrechter, na te zijn ingelicht door een deskundige. Voorts stelt klaagster dat beklaagde zich, ondanks dat zij vaak verward is, zeer bewust is van hetgeen zij aanricht.

Klaagster wenst dat beklaagde wordt vervolgd omdat zij verantwoording dient af te leggen bij de strafrechter en omdat klaagster zich als benadeelde partij in het strafproces wil voegen om een schadevergoeding en een contactverbod te vorderen. Voorts hoopt klaagster dat een veroordeling van beklaagde kan bijdragen aan de mogelijkheid tot verplaatsing van beklaagde naar een beter passende woonomgeving.

5 De behandeling in raadkamer

De meervoudige beklagkamer heeft op 9 september 2026 het klaagschrift in raadkamer (verder) behandeld, na de behandeling in raadkamer op 7 april 2026 en op 15 juli 2026.

Beklaagde en haar raadsvrouw mr. F. van den Berg, advocaat te Den Haag, zijn in raadkamer (telefonisch) gehoord. Beklaagde heeft in raadkamer stellig ontkend de bedreiging te hebben geuit.

De advocaat-generaal mr. F.P. Holthuis heeft in raadkamer – overeenkomstig het eerdere schriftelijke verslag – geadviseerd tot afwijzing van het beklag. Voorts heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld geen noodzaak te zien tot het aanvragen van een zorgmachtiging voor beklaagde.

6 De beoordeling van het beklag

Na bestudering van de stukken in het dossier en gehoord hetgeen ter zittingen in raadkamer naar voren is gebracht, is het hof van oordeel dat de beslissing van de officier van justitie om beklaagde niet te vervolgen niet in stand kan blijven.

Het hof is van oordeel dat er voldoende aanknopingspunten voorhanden zijn voor een succesvolle strafvervolging ter zake van bedreiging, nu de aangifte van klaagster voldoende wordt ondersteund door de zich in het dossier bevindende getuigenverklaringen.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat – mede gelet op de aanhoudende politiemutaties die over beklaagde zijn opgemaakt – strafvervolging ook aangewezen is. In dat verband zal het hof gelasten dat door de officier van justitie op grond van artikel 181 van het Wetboek van Strafvordering een vordering zal worden gedaan teneinde de rechter-commissaris bepaalde onderzoekshandelingen te laten verrichten, te weten het voorafgaand aan de vervolging van beklaagde benoemen van een deskundige voor het verrichten van onderzoek naar de mate van toerekeningsvatbaarheid van beklaagde.

Het hof komt tot dit oordeel, nu uit de stukken in het dossier blijkt dat meerdere malen zaken jegens beklaagde zijn geseponeerd vanwege haar psychische gesteldheid. In geen van deze zaken lijkt echter door een deskundige onderzoek te zijn gedaan naar de mate van toerekeningsvatbaarheid, noch is hier door een strafrechter een oordeel over geveld. Naar het oordeel van het hof kan daarom bij de huidige stand van zaken bij de beoordeling van de haalbaarheid van een strafvervolging (en de opportuniteit daarvan) niet vooruitgelopen worden op het oordeel van de strafrechter over de strafbaarheid van beklaagde.

Het beklag is dan ook terecht gedaan, zodat moet worden beslist als volgt.

7 De beslissing

Het hof:

Verklaart het beklag gegrond, beveelt dat de vervolging van [beklaagde]

zal worden ingesteld voor overtreding van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (bedreiging) en gelast de bevoegde officier van justitie te vorderen dat door de rechter-commissaris nader onderzoek zal worden verricht zoals hiervoor omschreven.

Verstaat dat de officier van justitie indien hij bij nader inzien voornemens is mededeling te

doen dat van verdere vervolging wordt afgezien, dit aan het hof ter bewilliging zal

voorleggen.

Deze beschikking, waartegen geen gewoon rechtsmiddel openstaat, is gegeven op 29 september 2026 door mr. R.K. Pijpers, voorzitter, mr. H.C. Plugge en mr. B.P. de Boer, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.J. Duyvis, griffier, en is ondertekend door de voorzitter en de griffier.