Strafrecht overig
Artikel 12. Mishandeling. Afwijzing beklag.
Gerechtshof Amsterdam, 28 september 2021
ECLI:NL:GHAMS:2021:3994 · Gerechtshof Amsterdam · 28 september 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/raadkamer/ecli-nl-ghams-2021-3994
Zaakgegevens
Op 28 september 2021 heeft het Gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 28 september 2021
- Datum publicatie
- 21 december 2021
- Zaaknummer
- K20/230389
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- RaadkamerRaadkamerEen zitting die niet openbaar is, bijvoorbeeld over voorlopige hechtenis of een klacht over niet-vervolging.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2021:3994
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Artikel 12. Mishandeling. Afwijzing beklag.
Uitspraak
afdeling strafrecht
beklagkamer
rekestnummer K20/230389
Beschikking op het beklag van:
[klaagster] ,
klaagster,
woonplaats kiezende op het kantooradres van haar gemachtigde: mr. B.V. Rafaela, advocaat te Rotterdam.
1 Het beklag
Het hof heeft op 23 december 2020 het klaagschrift ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam om geen strafvervolging in te stellen tegen [beklaagde 1] en [beklaagde 2] (hierna: beklaagden) ter zake van mishandeling.
2 Het verslag van de advocaat-generaal
Bij verslag van 26 januari 2021 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag af te wijzen.
3 De voorhanden stukken
Het hof heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift met bijlagen;
- het verslag van de advocaat-generaal;
- het dossier van de politie;
- het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam van 30 december 2020.
4 De behandeling in raadkamer
Het hof heeft klaagster in de gelegenheid gesteld op 2 september 2021 het beklag toe te lichten. Klaagster is, bijgestaan door de gemachtigde, in raadkamer verschenen en heeft het beklag toegelicht en gehandhaafd.
Voorts heeft het hof beklaagden in de gelegenheid gesteld op 2 september 2021 te worden gehoord. Beklaagden zijn ieder afzonderlijk, daarbij bijgestaan door hun gemachtigde mr. L. Mannheims , advocaat te Amsterdam, in raadkamer verschenen en hebben het hof verzocht de klacht af te wijzen.
De advocaat-generaal is bij de behandelingen in raadkamer aanwezig geweest. In hetgeen in raadkamer naar voren is gekomen heeft deze geen aanleiding gevonden de conclusie in het verslag te herzien.
5 De beoordeling van het beklag
Klaagster heeft aangifte gedaan van mishandeling, gepleegd door twee politieambtenaren op 10 mei 2020 in Amsterdam.
Uit het dossier en hetgeen in raadkamer is besproken komt het volgende naar voren.
Verklaring klaagster
Klaagster liep metrostation Bullewijk in Amsterdam uit. Omdat ze veel spullen in haar handen had, besloot ze door een open poortje te lopen. Op dat moment kwam er politie aanrijden. Beklaagde [beklaagde 2] sprak klaagster aan en vroeg haar uit te checken. Klaagster liep terug en checkte alsnog uit. Daarna vroeg beklaagde [beklaagde 2] om haar legitimatie. Klaagster kwam er toen achter dat haar tas nog in de metro lag. Ze vroeg of ze snel door mocht naar Bijlmer station, zodat ze haar tas nog kon terugvinden. Beklaagde [beklaagde 2] zei toen dat ze een boete kreeg voor zwart rijden met de metro. Klaagster heeft hem hierop uitgescholden voor ‘klootzak’.
Beklaagden hielden klaagster vervolgens aan. Ze pakten haar vast en brachten haar naar de politieauto. Beklaagde [beklaagde 1] maakte haar mandje met bloemen kapot. Klaagster stribbelde tegen. Ze probeerde de situatie te filmen met haar mobiele telefoon. Beklaagde [beklaagde 2] probeerde haar telefoon af te pakken. Klaagster probeerde hem te bijten. Beklaagde [beklaagde 2] forceerde haar arm en deed klaagster pijn. Hij heeft ook een stoot gegeven tegen de rechter onderkant van de kin van klaagster. Hij schreeuwde dat hij pepperspray ging gebruiken. Klaagster heeft haar nagels in de arm van beklaagde [beklaagde 1] gedrukt zodat hij de handboei losser zou doen, maar dat deed hij niet. Hij bleef met de handboei in haar arm drukken.
Klaagster heeft ook verklaard dat ze één van de beklaagden heeft gekrabd.
Klaagster heeft pijn en letsel opgelopen door de handelingen van beklaagden. Volgens de huisarts was haar pols gekneusd. Ze heeft pijn in haar kaak gehad. Daarnaast had ze een dag lang een soort spierpijn in haar hele lijf.
Verklaringen beklaagden
Beklaagden zagen klaagster uit een (open) poortje lopen uit het metrostation. Ze hebben haar hierop aangesproken. Op verzoek van beklaagden heeft klaagster alsnog uitgecheckt. Beklaagden probeerden een gesprek met klaagster te voeren over het verkeerd gebruik van het metrostation, om tot gedragsverandering bij klaagster te komen. Klaagster probeerde door te lopen. Omdat beklaagde [beklaagde 2] de indruk kreeg dat een gesprek daarvoor niet afdoende zou zijn, heeft hij besloten om een proces-verbaal tegen klaagster op te maken in verband met overtreding van de Wet personenvervoer 2000.
Beklaagde [beklaagde 2] vorderde het identiteitsbewijs van klaagster. Klaagster kwam er toen achter dat zij haar tas in de metro had laten liggen. Beklaagden hebben haar de gelegenheid gegeven om naar de metro te lopen om haar tas te pakken, maar dat deed klaagster niet. Ze bleef staan en noemde de beklaagden klootzakken. Hierop besloten beklaagden haar aan te houden vanwege belediging.
Omdat klaagster geweld gebruikte, hebben de beklaagden zelf ook geweld moeten gebruiken om klaagster onder controle te krijgen. Klaagster heeft beklaagden gekrabd, gebeten en geschopt.
Beklaagden vinden dat zij professioneel en de-escalerend hebben opgetreden. Zij hebben zelf letsel opgelopen als gevolg van het handelen van klaagster. Beklaagden hebben ook aangifte gedaan tegen klaagster.
Het beoordelingskader
Het hof heeft te beoordelen of de strafrechter die over deze zaak zou moeten oordelen – al dan niet na nader onderzoek – zou kunnen komen tot een veroordeling voor enig strafbaar feit. Daarnaast moet het hof beoordelen of er, gelet op alle omstandigheden, voldoende belang is bij het alsnog instellen van strafrechtelijke vervolging. Indien het antwoord op beide vragen bevestigend luidt, zal een bevel tot vervolging worden gegeven.
Het beklag heeft betrekking op geweldstoepassing door politieagenten. Daarbij is het volgende van belang.
Politieambtenaren zijn in de rechtmatige uitoefening van hun bediening – indien noodzakelijk – bevoegd tot toepassing van – gepast – geweld. Buiten deze grenzen van subsidiariteit en proportionaliteit zou – afhankelijk van de omstandigheden van het geval – geweldstoepassing door overheidsdienaren als misdrijf gekwalificeerd kunnen worden en als zodanig strafbaarheid van de betrokken ambtenaar tot gevolg kunnen hebben.
Het (strafrechtelijk) onderzoek naar overheidsoptreden zal zich in die gevallen met name hebben te richten op de vraag of geweldstoepassing noodzakelijk, adequaat en proportioneel is geweest.
Het met betrekking tot de rechtmatigheid van belang zijnde toetsingskader wordt (buiten de verdere strafrechtelijke en mensenrechtelijke regels) gevonden in de Politiewet 2012 en de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren (in het bijzonder: artikel 1).
Het rapport “Verantwoord politiegeweld” van de Nationale Ombudsman bevat een aantal aanbevelingen voor de politiepraktijk in dit verband, onder andere:
Gedrag van de verdachte: de mate van verzet is van invloed op de mate waarop geweld is gerechtvaardigd:
b. Niet willen meewerken aan de aanhouding (zoals weglopen) ondanks bevel/vordering (indien aan de orde) en waarschuwing ? (licht) fysiek geweld, zoals vastpakken, duwen.
c. Fysiek verzet bij aanhouding (bijvoorbeeld door bewegende armen, losrukken) ? (licht) fysiek geweld, zoals vastpakken, duwen en eventueel naar de grond werken afhankelijk van de mate van verzet en als een minder ingrijpend midden niet mogelijk is.
d. Hevig fysiek verzet gericht tegen politieambtenaren (bijvoorbeeld duwen, slaan, schoppen) ? (zwaarder) fysiek geweld zoals een stomp in de maag, het gebruik van wapenstok of pepperspray, de inzet van de politiehond en eventueel vuurwapengebruik.
De overwegingen van het hof
In tegenstelling tot beklaagden is het hof van oordeel dat beklaagden zich – in de aanloop naar de aanhouding – niet professioneel gedragen hebben. Uit de verklaringen van klaagster en beklaagden volgt dat hun gedrag voorafgaand aan de aanhouding juist niet de-escalerend is geweest, waardoor een klein incident volledig en onnodig uit de hand is gelopen en heeft geleid tot letsel bij alle betrokkenen.
Dit neemt niet weg dat de aanhouding van klaagster wel rechtmatig is geweest, nu deze volgde op de belediging van beklaagden door klaagster.
Ten aanzien van het door beklaagden toegepaste geweld bij de aanhouding constateert het hof dat de lezingen van klaagster en beklaagden voor een groot deel overeenkomen. Beklaagden hebben klaagster boeien aangelegd en haar naar de grond moeten werken om haar aan te kunnen houden. De ervaring leert dat rode en gezwollen polsen na het aanleggen van handboeien kunnen ontstaan doordat de geboeide armbewegingen heeft gemaakt. Klaagster heeft zelf meerdere keren verklaard dat zij heeft tegengestribbeld.
Voor wat betreft het verwijt van klaagster dat één van de beklaagden tijdens de aanhouding tegen haar kaak zou hebben geslagen, bevat het dossier geen aanwijzingen die de aangifte ondersteunen.
Indien het handelen van beklaagden ter beoordeling aan de strafrechter zou worden voorgelegd, valt te verwachten dat deze op basis van de inhoud van het dossier aannemelijk zou vinden dat de geweldstoepassing door de politie nodig was om klaagster te kunnen aanhouden en haar insluiting en identiteitsvaststelling mogelijk te maken. Aanwijzingen dat het toegepaste geweld onnodig of disproportioneel was, ontbreken.
Bij deze stand van zaken verwacht het hof dan ook niet dat de strafrechter, die op grond van het dossier zou moeten beslissen, de toegepaste mate van geweld door beklaagden als een vorm van mishandeling zal aannemen. Het hof ziet ook geen aanknopingspunten voor verder onderzoek.
Het hof is dan ook van oordeel dat er goede redenen zijn om in deze zaak geen vervolging te gelasten. Het beklag is ongegrond.
Het hof zal daarom als volgt beslissen.
6 De beslissing
Het hof wijst het beklag af.
Deze beschikking, waartegen voor betrokkenen geen rechtsmiddel openstaat, is gegeven op 28 september 2021 door mrs. P.F.E. Geerlings, voorzitter, N.A. Schimmel en A.R.O. Mooy, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. K. van der Togt, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.