Strafrecht overig
Artikel 12. Mishandeling. Afwijzing beklag.
Gerechtshof Amsterdam, 28 september 2021
ECLI:NL:GHAMS:2021:3996 · Gerechtshof Amsterdam · 28 september 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/raadkamer/ecli-nl-ghams-2021-3996
Zaakgegevens
Op 28 september 2021 heeft het Gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 28 september 2021
- Datum publicatie
- 21 december 2021
- Zaaknummer
- K20/230318
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- RaadkamerRaadkamerEen zitting die niet openbaar is, bijvoorbeeld over voorlopige hechtenis of een klacht over niet-vervolging.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2021:3996
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Artikel 12. Mishandeling. Afwijzing beklag.
Uitspraak
afdeling strafrecht
beklagkamer
rekestnummer K20/230318
Beschikking op het beklag van:
[klaagster],
wonende te [woonplaats],
klaagster.
1 Het beklag
Voor het verloop van de procedure en het verhandelde in raadkamer verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van 18 februari 2021.
2 Het verdere verloop van de procedure
Bij nader verslag van 26 maart 2021 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag af te wijzen.
Het hof heeft naast de in de tussenbeschikking genoemde stukken kennisgenomen van de processen-verbaal van de politie van de verhoren van beklaagde en zijn vrouw van 6 en 18 maart 2021.
Het hof heeft de beklaagde in de gelegenheid gesteld op 2 september 2021 te worden gehoord. Beklaagde is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.
De advocaat-generaal is bij de behandeling in raadkamer aanwezig geweest. In hetgeen in raadkamer naar voren is gekomen heeft deze geen aanleiding gevonden de conclusie in het verslag te herzien.
3 De beoordeling van het beklag
Klaagster heeft op 14 mei 2020 aangifte gedaan ter zake van mishandeling tegen beklaagde.
Uit het dossier en het verhandelde in raadkamer komt het volgende naar voren.
Klaagster kwam in Den Helder haar nicht, tevens de vrouw van beklaagde, tegen. Klaagster kreeg met haar nicht een woordenwisseling. Plotseling voelde klaagster in haar rug dat ze werd aangevallen. Ze viel op de grond en had pijn. Toen ze opkeek zag ze haar nicht en beklaagde voor zich staan. Beklaagde schold haar vervolgens uit.
Beklaagde is door de politie als verdachte gehoord. Hij heeft verklaard dat klaagster op de bewuste dag ruzie kreeg met zijn vrouw. Beklaagde heeft ze uit elkaar gehaald door tussen hen in te gaan staan. Toen ging klaagster ineens op de grond liggen en zei tegen beklaagde: ‘nou heb ik je’. Beklaagde heeft ontkend dat hij klaagster van achteren zou hebben aangevallen.
De vrouw van beklaagde is als getuige gehoord. Zij heeft de verklaring van beklaagde grotendeels bevestigd. Beklaagde zou klaagster en zijn vrouw met beide handen uit elkaar hebben geduwd op een rustige manier, waarna klaagster zelf op de grond is gaan zitten.
Het beoordelingskader
Het hof heeft te beoordelen of de strafrechter die over deze zaak zou moeten oordelen – al dan niet na nader onderzoek – zou kunnen komen tot een veroordeling voor enig strafbaar feit. Daarnaast moet het hof beoordelen of er, gelet op alle omstandigheden, voldoende belang is bij het alsnog instellen van strafrechtelijke vervolging. Indien het antwoord op beide vragen bevestigend luidt, zal een bevel tot vervolging worden gegeven.
De overwegingen van het hof
Het hof moet constateren dat de verklaringen van klaagster enerzijds en van beklaagde en zijn vrouw anderzijds over hetgeen er is gebeurd en hoe de confrontatie precies is verlopen van elkaar verschillen. Er zijn geen bewijsmiddelen aan de hand waarvan vastgesteld zou kunnen worden welke van beide lezingen de juiste is. De strafrechter aan wie de zaak zou moeten worden voorgelegd heeft daarom te weinig aanknopingspunten om tot een veroordeling van beklaagde ter zake van mishandeling te komen.
Het hof is dan ook van oordeel dat er goede redenen zijn om in deze zaak geen vervolging te gelasten. Het beklag is ongegrond.
Het hof zal daarom als volgt beslissen.
4 De beslissing
Het hof wijst het beklag af.
Deze beschikking, waartegen voor betrokkenen geen rechtsmiddel openstaat, is gegeven op 28 september 2021 door mrs. P.F.E. Geerlings, voorzitter, N.A. Schimmel en A.R.O. Mooy, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. K. van der Togt, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.