Strafrecht overig

GHAMS BRR - artikel 533 Sv - gronden van billijkheid na toepassing van art 9a Sr in de strafzaak

Zaakgegevens

Op 9 september 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
9 september 2026
Datum publicatie
25 september 2026
Zaaknummer
000339-26
Procedure
Raadkamer
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2732
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

GHAMS BRR - artikel 533 Sv - gronden van billijkheid na toepassing van art 9a Sr in de strafzaak

Uitspraak

Inhoudsopgave

beschikking

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling strafrecht

rekestnummer 000339-26 (533 Sv)

parketnummer in hoger beroep: 23-000462-24

Beschikking op het verzoekschrift op de voet van artikel 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,

domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. S. Drent,

Verrijn Stuartweg 1, 1112 AW Diemen.

1 Procesverloop

Het verzoekschrift is op 18 mei 2026 ingekomen.

De advocaat-generaal heeft zijn standpunt, alsmede het gewijzigde standpunt, vooraf aan de raadkamer aan het hof en de advocaat toegezonden.

Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 29 juli 2026 de advocaat-generaal en de waarnemend advocaat van verzoeker, mr. D.R. Zoon, ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Verzoeker is niet in raadkamer verschenen.

2. Inhoud van het verzoek

Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 7.680,00.

3 Beoordeling van het verzoek

Bij arrest van dit hof van 28 april 2026 is de strafzaak met voormeld parketnummer geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel.

Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend.

Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

Verzoeker is in de strafzaak veroordeeld voor een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en waarbij het hof toepassing heeft gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Eerder heeft het hof geoordeeld dat deze omstandigheden niet automatisch tot gevolg hebben dat het verzoek moet worden afgewezen. De toepassing van artikel 9a Sr heeft het hof als volgt gemotiveerd in het arrest:

“De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling door een hulpofficier van justitie in het gezicht te spugen. Dergelijk bedreigend en ondermijnend gedrag is in een periode waarin de samenleving zwaar onder druk staat door een heersende coronapandemie volstrekt onacceptabel. De maatschappij als geheel, en met name beroepsgroepen werkzaam in de zorg, in de handhaving van de openbare orde en belast met de zorg voor ingeslotenen, verdienen bescherming tegen dergelijk gedrag.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 maart 2026 is hij vele malen eerder veroordeeld. Het voorgaande, in combinatie met de ernst van het feit, rechtvaardigt in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op de hierna te bespreken omstandigheden zal het hof hiertoe echter niet overgaan.

Ter terechtzitting in hoger beroep en blijkens de Justitiële Documentatie van de verdachte is gebleken dat hij op 11 november 2024 opnieuw een ISD-maatregel voor de duur van 2 jaren opgelegd heeft gekregen. Het hof acht het —net als de rechtbank in eerste aanleg —onwaarschijnlijk dat een hogere straf of maatregel zou zijn opgelegd dan de duur van de ISD-maatregel indien ook onderhavige zaak bij de oplegging van die maatregel zou zijn betrokken.

Het hof is derhalve van oordeel dat toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht aangewezen is.”

Onder die omstandigheden acht het hof geen gronden van billijkheid aanwezig voor toewijzing van het verzochte.

Ook voor toewijzing van het subsidiaire verzoek, tot matiging van het de gevraagde vergoeding, ziet het hof gelet op het voorgaande geen ruimte. Ook dit verzoek wordt afgewezen.

4 Beslissing

Het hof:

Wijst het verzochte af.

Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoeker.

Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.W.T. Klappe, M.F.J.M. de Werd en P.J. van Eekeren in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 9 september 2026.

vgl. Gerechtshof Amsterdam, 29 oktober 2024, ECLI:GHAMS:2024:3026 vgl. Gerechtshof Amsterdam, 24 februari 2018, ECLI:GHAMS:2018:747