Strafrecht overig

GHAMS BRR - art. 530 Sv - kosten rechtsbijstand niet in het oog springend bovenmatig

Zaakgegevens

Op 9 september 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
9 september 2026
Datum publicatie
25 september 2026
Zaaknummer
000307-26
Procedure
Raadkamer
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2733
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

GHAMS BRR - art. 530 Sv - kosten rechtsbijstand niet in het oog springend bovenmatig

Uitspraak

Inhoudsopgave

beschikking

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling strafrecht

rekestnummer: 000307-26 (530 Sv jo 67 OLW)

parketnummer in eerste aanleg: 13-063419-25

Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 7 oktober 2025 op het verzoekschrift op de voet van de artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) jo artikel 67 van de Overleveringswet (OLW) van:

[verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1989,

domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. D. Bektesevic,

Sarphatistraat 600, 1018 AV Amsterdam

1 Procesverloop

Het hoger beroep is op 27 oktober 2025 ingesteld door verzoeker (hierna appellant).

Op 8 juli 2026 is het standpunt van de advocaat-generaal kenbaar gemaakt.

Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 29 juli 2026 de advocaat-generaal en de advocaat van appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant is niet in raadkamer verschenen.

2 Inhoud van het verzoek

Het verzoekschrift strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:

  1. kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de overleveringszaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 19.513,43;

  2. kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 680,00,

en is in hoger beroep aangevuld met het verzoek tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van

kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in hoger beroep ten bedrage van € 420,00.

3 Beoordeling

Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 28 mei 2025 is de overlevering van verzoeker geweigerd.

Bij beschikking van diezelfde rechtbank is het verzoek onder a toegewezen tot een bedrag van € 11.437,50 en het verzoek onder b toegewezen zoals verzocht.

De rechtbank heeft hiertoe als volgt overwogen:

“De rechtbank acht, alle omstandigheden in aanmerking genomen, weliswaar gronden van billijkheid aanwezig een vergoeding toe te kennen voor de kosten van rechtsbijstand, maar zal deze in aanzienlijke mate matigen omdat zij van oordeel is dat de gedeclareerde tijd (70 uur) bovenmatig is. De rechtbank ziet de complexiteit van de overleveringszaak in en begrijpt dat de raadsman expertise van een andere collega heeft ingeroepen om bepaalde onderwerpen nader uit te laten zoeken. De raadsman heeft echter onvoldoende gemotiveerd waarom de aanwezigheid van beide raadslieden ter zitting vereist was en waarom het nodig was dat beide raadslieden de verzoeker in de gevangenis hebben bezocht.

De rechtbank zal de gedeclareerde tijd daarom matigen naar 50 uren. De rechtbank zal de kosten voor 50 uren toekennen en gaat hierbij uit van het gemiddelde uurtarief zoals door de raadsman voorgehouden, te weten € 228,75 per uur.”

De advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen dat het hoger beroep moet worden afgewezen.

De advocaat van verzoeker heeft het standpunt ingenomen dat de beschikking waarvan beroep moet worden vernietigd en heeft voorts gepersisteerd bij toewijzing van het verzochte.

Ten aanzien van de kosten van rechtsbijstand heeft het hof eerder overwogen dat wat betreft de hoogte van de toe te kennen vergoeding de rechter niet gebonden is aan de door de raadslieden opgestelde declaraties, ook niet indien deze zijn voorzien van een gedetailleerde urenspecificatie. De in de jurisprudentie daarvoor gebruikte formulering dat dergelijke declaraties niet meer zijn dan een uitgangspunt, brengt tot uitdrukking dat de rechter de ruimte heeft daarvan – in matigende zin – af te wijken indien en voor zover daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn. De schadevergoedings-rechter dient, gezien het recht op vrije advocatenkeuze, terughoudend te zijn bij de toetsing van tussen de cliënt en de raadslieden gemaakte afspraken. Een en ander heeft tot een min of meer bestendige lijn in de jurisprudentie van de gerechtshoven geleid, die erop neer komt dat van de declaraties van de betrokken rechtsbijstandverleners kan worden afgeweken indien deze, bijvoorbeeld wat betreft het aantal ingeschakelde rechtsbijstandverleners, de hoeveelheid in rekening gebrachte uren of de gehanteerde uurtarieven, alle omstandigheden en belangen in aanmerking genomen, ‘in het oog springend bovenmatig’ zijn.

Naar het oordeel van het hof is het aantal in rekening gebrachte uren, alle omstandigheden en belangen in aanmerking genomen, niet in het oog springend bovenmatig.

Het hof zal daarom de beschikking waarvan beroep vernietigen en opnieuw recht doen.

Het hof acht gronden van billijkheid aanwezig voor toewijzing van het verzoek zoals verzocht, maar niet voor wat betreft de verzochte vergoeding onder c. Binnen het Landelijk overleg vakinhoud strafrecht (LOVS) is afgesproken dat de forfaitaire vergoeding voor het door de advocaat in raadkamer toelichten van een verzoek, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, wordt verhoogd van € 340,00 naar € 405,00, bij verzoeken ingekomen vanaf 1 januari 2026. Het hof pleegt deze afspraken te volgen. Het onderhavige verzoek is van 25 juli 2025 en daarom zal ten aanzien van het verzochte onder c een bedrag van € 340,00 worden toegewezen.

4 Beslissing

Het hof:

Vernietigt de beschikking waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Kent aan appellant een vergoeding toe van € 20.533,43 (twintigduizend vijfhonderddrieëndertig euro en drieënveertig cent).

Wijst het meer of anders verzochte af.

Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.

Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.W.T. Klappe, M.F.J.M. de Werd en P.J. van Eekeren in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 9 september 2026.

De voorzitter beveelt:

de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 20.533,43 (twintigduizend vijfhonderddrieëndertig euro en drieënveertig cent) op bankrekeningnummer [iban] t.n.v. Stichting Derdengelden Bektesevic Ter Steeg Advocaten o.v.v. [verzoeker] / overlevering ( [nummer] Sv).

Amsterdam, 9 september 2026,

mr. A.W.T. Klappe, voorzitter.

vgl. Gerechtshof Leeuwarden, 3 februari 2010, ECLI:NL:GHLEE:2010: BL8539; Gerechtshof Amsterdam, 28 mei 2014, ECLI:NLGHAMS:2014:2466