Strafrecht overig

GHAMS BRR - art 530 Sv - kosten rechtsbijstand niet in het oog springend bovenmatig

Zaakgegevens

Op 15 september 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
15 september 2026
Datum publicatie
25 september 2026
Zaaknummer
000273-26
Procedure
Raadkamer
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2734
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

GHAMS BRR - art 530 Sv - kosten rechtsbijstand niet in het oog springend bovenmatig

Uitspraak

Inhoudsopgave

beschikking

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling strafrecht

rekestnummers: 000273-26 (530 Sv) en 000274-26 (533 Sv)

parketnummer in hoger beroep: 23-000225-25

Beschikking op het verzoekschrift op de voet van artikel 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,

domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. Y.R. Nielsen,

Nieuwstraat 23, 1621 EA Hoorn.

1 Procesverloop

Het verzoekschrift is op 23 april 2026 ingekomen.

De advocaat-generaal heeft haar standpunt vooraf aan de raadkamer aan het hof en de advocaat toegezonden.

Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 26 augustus 2026 de advocaat-generaal, de verzoeker en de advocaat van verzoeker ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord.

2 Inhoud van het verzoek

Het verzoek -na wijziging van het verzoek onder a in raadkamer- strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:

  1. schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 320,00;

  2. kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 8.728,53;

  3. kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van deze rekestenprocedure (opstellen en indienen alsmede het toelichten in raadkamer) ten bedrage van € 825,00.

3 Beoordeling van het verzoek

Bij arrest van dit hof van 2 februari 2026 is de strafzaak met voormeld parketnummer geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend.

Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

Ad a

Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van de door verzoeker ondergane verzekering tot een bedrag van € 320,00.

Ad b

De advocaat-generaal heeft geadviseerd de kosten van de raadsvrouw toe te wijzen, maar de vergoeding te matigen ten aanzien van het verzochte in hoger beroep.

De advocaat van verzoeker heeft gepersisteerd bij het verzoek.

Het hof overweegt als volgt.

Ten aanzien van die kosten van rechtsbijstand heeft het hof eerder overwogen dat wat betreft de hoogte van de toe te kennen vergoeding de rechter niet gebonden is aan de door de raadslieden opgestelde declaraties, ook niet indien deze zijn voorzien van een gedetailleerde urenspecificatie. De in de jurisprudentie daarvoor gebruikte formulering dat dergelijke declaraties niet meer zijn dan een uitgangspunt, brengt tot uitdrukking dat de rechter de ruimte heeft daarvan – in matigende zin – af te wijken indien en voor zover daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn. De schadevergoedings-rechter dient, gezien het recht op vrije advocatenkeuze, terughoudend te zijn bij de toetsing van tussen de cliënt en de raadslieden gemaakte afspraken. Een en ander heeft tot een min of meer bestendige lijn in de jurisprudentie van de gerechtshoven geleid, die erop neer komt dat van de declaraties van de betrokken rechtsbijstandverleners kan worden afgeweken indien deze, bijvoorbeeld wat betreft het aantal ingeschakelde rechtsbijstandverleners, de hoeveelheid in rekening gebrachte uren of de gehanteerde uurtarieven, alle omstandigheden en belangen in aanmerking genomen, ‘in het oog springend bovenmatig’ zijn (gerechtshof Leeuwarden 3 februari 2010, ECLI:NL:GHLEE:2010: BL8539; gerechtshof Amsterdam 28 mei 2014, ECLI:NLGHAMS:2014:2466).

Als kosten van de raadsvrouw in hoger beroep is verzocht om vergoeding van € 5.750,00 voor 23 uren à € 250,00 aan rechtsbijstand; 2:42 uur voor reistijd en 20:18 uur voor werkzaamheden als de zitting, dossierstudie en contact met verzoeker en anderen, nader gespecificeerd.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat slechts 16 uur aan rechtsbijstand vergoed moet worden, omdat de aard van de zaak veel voorkomend is en de zaak juridisch gezien niet complex is. De advocaat-generaal heeft niet specifiek aangegeven waar in de urenspecificatie in het oog springend bovenmatig is geschreven.

De advocaat van verzoeker heeft aangevoerd dat de zaak tijdrovend was omdat in de pleitaantekeningen steeds zeer specifiek op de feiten en omstandigheden moest worden ingegaan; dat met betrekking tot het aantal uren is gebleven binnen het aantal uren dat volgens de Raad voor Rechtsbijstand forfaitair wordt toegekend en dat het persoonlijk belang van verzoeker groot was omdat verzoeker werkt bij [werk].

Alle omstandigheden en belangen in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat niet in het oog springend bovenmatig is gedeclareerd.

Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van kosten rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak tot een bedrag van € 8.728,53.

Ad c

Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van kosten rechtsbijstand in deze verzoekschriftprocedure tot een bedrag van € 825,00.

4 Beslissing

Het hof :

Wijst het verzochte toe.

Kent aan verzoeker een vergoeding toe van € 9.873,53 (negenduizend achthonderddrieënzeventig euro en drieënvijftig cent).

Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoeker.

Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.W.T. Klappe, D.A.C Koster en R.A. Boon in aanwezigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is -bij afwezigheid van de griffier- ondertekend door de voorzitter en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 15 september 2026.

De voorzitter beveelt:

de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 9.873,53 (negenduizend achthonderddrieënzeventig euro en drieënvijftig cent) op bankrekeningnummer [iban] t.n.v. Stichting Derdengelden Hendriksen & Mühren o.v.v. Vergoeding [verzoeker] .

Amsterdam, 15 september 2026,

mr. A.W.T. Klappe, voorzitter.