Civiel recht overig
Vordering tot herroeping. Artikelen 382 en 383 Rv.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 oktober 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:6624 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 13 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/civiel-recht/civiel-recht-overig/herroeping/ecli-nl-gharl-2026-6624
Zaakgegevens
Op 13 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 13 oktober 2026
- Datum publicatie
- 15 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.363.832/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- HerroepingHerroepingEen definitief civiel vonnis wordt teruggedraaid, omdat het berust op bedrog, valse stukken of achtergehouden stukken.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. O.S.H. Horssius, mr. R.A.A. Maat
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:6624
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vordering tot herroeping. Artikelen 382 en 383 Rv.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.363.832/01
zaaknummer gerechtshof waarvan herroeping wordt gevraagd 200.329.674/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 554426
arrest van 13 oktober 2026
in de zaak tot herroeping van
Coöperatie Employee Benefits Competence Centre U.A.
die is gevestigd in Hilversum
eiseres in de herroepingsprocedure
advocaat: mr. O.S.H. Horssius, die zich heeft onttrokken
en
Laured B.V.
die is gevestigd in Bosch en Duin
gedaagde in de herroepingsprocedure
advocaat: mr. R.A.A. Maat
1 Het verloop van de procedure in hoger beroep
Cooperatie Employee Benefits Competence Centre U.A. (hierna: EBCC) heeft op 12 januari 2026 een dagvaarding aan Laured B.V. (hierna: Laured) laten uitbrengen. Daarin zegt zij aan dat zij herroeping vordert van het arrest dat dit hof op 9 januari 2024 onder zaaknummer 200.329.674/01 heeft gewezen in hoger beroep van het vonnis van 15 mei 2023 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de voorzieningenrechter).
Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de conclusie van antwoord (getiteld memorie van antwoord) met producties.
Op de rolzitting van 21 juli 2026 heeft mr. Horssius zich als advocaat van EBCC aan de zaak onttrokken. Ook na daartoe verleend uitstel heeft zich geen procesvertegenwoordiger voor EBCC gesteld. Laured heeft daarop arrest gevraagd.
2 Wat aan deze zaak vooraf ging
Laured heeft in 2023 EBCC gedagvaard en gevorderd dat EBCC het aan haar uitgeleende bedrag van € 250.000 terugbetaalt. Nadat de voorzieningenrechter de vordering van Laured heeft afgewezen, heeft Laured hoger beroep ingesteld bij dit hof.
Het hof heeft in zijn arrest van 9 januari 2024 het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en EBCC veroordeeld om aan Laured € 250.000, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 1 maart 2023, de buitengerechtelijke kosten van € 3.025 en de proceskosten in beide instanties te betalen.
In rov. 5.9 van het arrest is over het spoedeisend belang van Laured bij haar vordering in kort geding overwogen: “Het hof acht dit spoedeisend belang aanwezig, nu Laured een belang heeft om het door haar uitgeleende bedrag elders te kunnen inzetten.”
3 De vordering van EBCC
EBCC vordert dat het hof het arrest van 9 januari 2024 herroept en de vorderingen van Laured alsnog afwijst, met veroordeling van Laured in de proceskosten in beide instanties.
EBCC stelt dat Laured het hof met betrekking tot het spoedeisend belang op het verkeerde been heeft gezet, althans cruciale informatie heeft achtergehouden. Daarom moet het arrest worden herroepen. Zij heeft dat als volgt toegelicht. Volgens EBCC heeft Laured bij het hof het spoedeisend belang onderbouwd met de stelling dat zij het aan EBCC uitgeleende geld nodig had om te investeren in de startup Luggo B.V. Laured wist toen al dat zij het geld niet in Luggo zou investeren. Dit blijkt volgens EBCC uit het feit dat Luggo op 3 november 2023 extra financiering aan Laured heeft gevraagd. Uit het faillissementsverslag van de latere curator van Luggo blijkt dat Laured naar aanleiding van dit verzoek expliciet te kennen heeft gegeven niet langer bereid te zijn om nog financiële middelen te verstrekken. Tijdens de mondelinge behandeling die op 12 december 2023 heeft plaatsgevonden, wist Laured dat zij het uitgeleende geld niet nodig had om in Luggo te investeren en dus heeft zij het hof daarmee onjuist geïnformeerd, aldus nog steeds EBCC. Bovendien is Luggo op 2 januari 2024 failliet gegaan. Voor Laured moet al voor 2 januari 2024 duidelijk zijn geweest dat zij niet meer in Luggo zou investeren. In ieder geval had Laured aan het hof kunnen en moeten meedelen dat Luggo failliet was, aldus nog steeds EBCC.
Laured heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
Het hof zal oordelen dat er geen aanleiding bestaat zijn arrest te herroepen en de procedure te heropenen en licht dat oordeel hierna toe.
4 De toelichting op de beslissing van het hof
ontvankelijkheid
Artikel 383 lid 1 Rv bepaalt dat het rechtsmiddel van herroeping moet worden aangewend binnen drie maanden nadat de grond voor herroeping is ontstaan en de eiser daarmee bekend is geworden. De termijn vangt niet eerder aan dan nadat het vonnis (in dit geval het arrest) in kracht van gewijsde is gegaan. Laured voert allereerst aan dat EBCC haar vordering tot herroeping buiten die termijn heeft ingesteld, zodat zij al om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Volgens EBCC is de termijn van drie maanden pas gaan lopen op 13 oktober 2025, omdat de advocaat van Laured op die datum heeft erkend dat na 2 januari 2024, dus voordat het hof arrest wees, bij Laured bekend was dat de gestelde financieringsbehoefte van Luggo was vervallen vanwege het faillissement van Luggo op 2 januari 2024.
Volgens Laured wist EBCC al eerder van het faillissement van Luggo omdat uit haar brief van 12 oktober 2025 blijkt dat zij in staat is geweest het faillissementsdossier op te (laten) vragen en te beoordelen. Dat moet volgens Laured op een eerdere datum zijn gebeurd.
Het hof volgt Laured niet in dit betoog. De in artikel 383 Rv bedoelde termijn voor het uitbrengen van een herroepingsdagvaarding loopt vanaf de dag waarop aan de benadeelde partij alle feiten en omstandigheden bekend zijn die tot de conclusie kunnen leiden dat sprake is van bedrog en/of het achterhouden van stukken van beslissende aard, als bedoeld in artikel 382 Rv. Het gaat om een subjectief bekendheidscriterium. Het kan zo zijn dat EBCC al voor 12 oktober 2025 over het faillissementsdossier beschikte, maar wanneer dat dan zou zijn, vermeldt Laured niet. Bij gebrek aan een andere concrete datum gaat het hof er van uit dat EBCC pas op 13 oktober 2025 wist van (de datum van) het faillissement en het faillissementsdossier. Dat maakt dat de herroepingsdagvaarding van 12 januari 2026 op tijd is uitgebracht. Het beroep op niet-ontvankelijkheid van de vordering tot herroeping wordt daarom verworpen.
juridisch kader
Herroeping is een buitengewoon rechtsmiddel dat terughoudend wordt toegepast. Alleen die situaties waarin sprake is van een ernstige inbreuk op de rechtvaardigheid komen voor herroeping in aanmerking. Vanwege de rechtszekerheid en het uitgangspunt dat een rechtsstrijd tussen partijen binnen afzienbare tijd tot een einde moet komen, kan een uitspraak die men niet juist vindt in beginsel niet anders dan door het instellen van een normaal rechtsmiddel worden aangetast. Wanneer zo’n rechtsmiddel niet wordt ingesteld, is de uitspraak onherroepelijk en zijn partijen daaraan gebonden.
Alleen in de gevallen die in artikel 382 Rv zijn opgesomd, staat herroeping open. Bij de herroepingsgronden in artikel 382 lid 1 sub a en c Rv gaat het om gronden waaraan een verwijtbare gedraging van de wederpartij ten grondslag ligt. De eiser tot herroeping moet dan wel stellen en, bij betwisting, bewijzen (1) dat de aangewezen gedragingen of feiten gekwalificeerd kunnen worden als een grond voor herroeping en (2) dat deze tot een zodanige twijfel over de juistheid van de in de uitspraak aangenomen feiten en de daarop gebaseerde beslissing leiden dat de eisende partij via heropening van het geding een herkansing moet krijgen de uitkomst van het geding in zijn voordeel om te buigen. Hetgeen EBCC op dit punt naar voren heeft gebracht, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat een van de in artikel 382 Rv genoemde situaties zich in deze zaak heeft voorgedaan.
achterhouden stukken van beslissende aard
EBCC stelt weliswaar dat Laured “cruciale informatie” resp. stukken die voor het geschil van beslissende aard zou(den) zijn, heeft achtergehouden, maar om welke stukken het concreet zou gaan, vermeldt zij niet. Het faillissementsverslag van de curator kan het in ieder geval niet zijn, omdat dat gewoonlijk niet eerder dan een maand na het uitspreken van het faillissement wordt opgemaakt. De overige stukken die EBCC aanhaalt, zijn stukken die al in het oorspronkelijke geding zijn ingebracht, zoals de brief van 3 november 2023. EBCC heeft haar stelling dat Laured stukken van beslissende aard heeft achtergehouden verder niet onderbouwd, zodat dit geen grond kan zijn voor herroeping.
bedrog
Naar het hof begrijpt vindt EBCC ook dat sprake was van bedrog omdat Laured niet voor het arrest van 9 januari 2024 aan het hof heeft laten weten dat zij het geld van EBCC niet meer nodig had vanwege het feit dat Luggo op 2 januari 2024 failliet was gegaan. Laured heeft echter betwist dat zij voor de datum waarop het arrest is gewezen, wist van het faillissement van Luggo. Dat zij die wetenschap wel had blijkt verder ook nergens uit. Hetzelfde geldt voor EBCC’s door Laured gemotiveerd weersproken stelling dat Laured op 12 december 2023 al wist dat zij het geld niet meer nodig had. Volgens EBCC moet Laured als investeerder eerder hebben geweten van de financiële problemen bij Luggo, maar een enkel bij EBCC bestaan van vermoedens op dit punt is niet voldoende om te kunnen concluderen dat een van de gronden voor herroeping van art. 382 Rv zich in deze zaak heeft voorgedaan.
conclusie
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering van EBCC zal worden afgewezen. De overige verweren van Laured tegen de gevorderde herroeping behoeven daarmee geen bespreking.
Omdat EBCC in het ongelijk wordt gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.
De veroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
5 De beslissing
Het hof:
wijst de vordering tot herroeping af;
veroordeelt EBCC tot betaling van de volgende proceskosten van Laured:
-
€ 7.003 aan griffierecht
-
€ 4.707 aan salaris van de advocaat van Laured (1 procespunt x het toepasselijke tarief VI);
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.P. Lunter, W.F. Boele en P.S. Bakker en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
13 oktober 2026.