Civiel recht overig
Kamerhuur. Ontruiming in kort geding. Geen spoedeisend belang bij toewijzing betwiste huurachterstand.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 augustus 2019
ECLI:NL:GHARL:2019:6719 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 20 augustus 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep-kort-geding/ecli-nl-gharl-2019-6719
Zaakgegevens
Op 20 augustus 2019 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 20 augustus 2019
- Datum publicatie
- 20 augustus 2019
- Zaaknummer
- 200.253.517/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroep kort gedingHoger beroep kort gedingHet gerechtshof beoordeelt opnieuw een spoedzaak waarin de voorzieningenrechter al een voorlopig oordeel gaf.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. P de Haan, mr. J.B.M Swart
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2019:6719
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kamerhuur. Ontruiming in kort geding. Geen spoedeisend belang bij toewijzing betwiste huurachterstand.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.253.517/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 7360006 MV EXPL 18-171)
arrest in kort geding van 20 augustus 2019
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [A] ,
appellant,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. P. de Haan, kantoorhoudend te Almere,
tegen
MKBGroup B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna: MKBGroup,
advocaat: mr. J.B.M. Swart, kantoorhoudend te Almere.
1 Het geding in eerste aanleg
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis in kort geding van 14 december 2018 dat de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, heeft gewezen.
2 Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 10 januari 2019;
- de memorie van grieven d.d. 2 april 2019;
- de memorie van antwoord d.d. 11 juni 2019.
Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.
3. De vaststaande feiten
Het hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende feiten:
Partijen hebben een huurovereenkomst onzelfstandige woonruimte gesloten voor een kamer in het pand [a-straat 1] te [A] , zulks voor de periode 1 november 2017 tot en met 31 oktober 2018 en tegen een huurprijs van € 375,- per maand plus een maandelijks voorschot van € 25,- voor servicekosten.
Op 6 september 2018 heeft MKBgroup bij deurwaardersexploot aangezegd dat de huur met ingang van 1 november 2018 tot een einde komt en niet zal worden verlengd.
In dit exploot is tevens aanspraak gemaakt op betaling van de huurachterstand over de periode vanaf december 2017 tot aan het einde van de huurovereenkomst.
Op 1 november 2018 had [appellant] het gehuurde niet ontruimd.
Ten tijde van het uitbrengen van de appeldagvaarding verbleef [appellant] bij het Leger des Heils aan de [b-straat 2] te [A] .
4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg
MKBgroup heeft in eerste aanleg, kort samengevat, gevorderd de ontruiming van het gehuurde, op straffe van verbeurte van een dwangsom en de betaling van de huurachterstand, te vermeerderen met buitengerechtelijke kosten, alsmede een gebruiksvergoeding voor de periode na 1 november 2018 tot de feitelijke ontruiming.
De kantonrechter heeft bij vonnis van 14 december 2018 het gevorderde toegewezen, met uitzondering van de gevorderde dwangsom en buitengerechtelijke kosten. [appellant] is in de proceskosten veroordeeld.
5 De beoordeling van de grieven en de vordering
Het spoedeisend belang
Het hof dient, zo nodig ambtshalve, vast te stellen of MKBgroup ten tijde van de beoordeling door het hof van het hoger beroep een voldoende spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen.
MKBgroup had ten tijde van de beoordeling in eerste aanleg een voldoende spoedeisend belang bij haar vordering tot ontruiming omdat [appellant] na de beëindiging van de huurovereenkomst zijn kamer niet had ontruimd. Deze ontruiming is inmiddels uitgevoerd en [appellant] stelt in zijn memorie van grieven dat hij niet wenst terug te keren en de huurovereenkomst als geëindigd beschouwd. Hieruit leidt het hof af dat MKBgroup bij dit onderdeel van haar vordering thans geen spoedeisend belang meer heeft.
De vordering tot betaling van de huurachterstand betreft een geldvordering. MKBgroup heeft noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep gesteld welk spoedeisend belang zij bij deze vordering heeft. Zij heeft volstaan met een efficiency-argument. [appellant] heeft deze vordering ook in eerste aanleg al betwist onder overlegging van een aangetekende brief van 10 juni 2018 waarin hij stelt dat hij vanwege een groot aantal, reeds eerder meegedeelde, gebreken aan het gehuurde de betaling van de huur heeft opgeschort. De vordering tot betaling van de huurachterstand kan ook niet worden aangemerkt als een nevenvordering (zoals bedoeld in HR 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1522) bij de vordering tot ontruiming. Bij gebrek aan spoedeisend belang kan deze geldvordering in kort geding niet worden toegewezen. De daartegen gerichte grieven II tot en met IV zijn dan ook terecht voorgedragen.
Op grond van het voorgaande kan het vonnis niet in stand blijven.
De proceskostenveroordeling in eerste aanleg
Voor de vraag welke partij al dan niet deels in de kosten van de eerste aanleg moet worden veroordeeld is van belang of de voorzieningenrechter terecht de ontruiming heeft gelast. In zijn grief I betoogt [appellant] dat hem huurbescherming toe komt omdat de aanzegging bedoeld onder 3.2 hem niet zou hebben bereikt omdat op het moment dat de deurwaarder het exploot in een gesloten enveloppe in het gehuurde achterliet, hij daar feitelijk niet meer verbleef. Het hof oordeelt dat [appellant] geen belang heeft bij zijn eerst in hoger beroep gedane beroep op huurbescherming aangezien hij zelf heeft aangegeven de huurovereenkomst als geëindigd te beschouwen. Voor zover in zijn beroep besloten ligt dat de kantonrechter had moeten onderzoeken of het deurwaardersexploot van 6 september 2018 hem wel feitelijk had bereikt en voldeed aan de eisen van artikel 7:271 BW verwerpt het hof dat betoog, nu een dergelijk verweer in eerste aanleg niet is gevoerd. Aangezien [appellant] ten tijde van de beoordeling in eerste aanleg het gehuurde niet had ontruimd, heeft de kantonrechter hem terecht veroordeeld om tot ontruiming over te gaan.
Dit betekent dat de kantonrechter de vorderingen van MKBgroup deels terecht heeft toegewezen en deels had moeten afwijzen. Bij die uitkomst acht het hof een compensatie van de kosten in eerste aanleg - in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt - passend.
De slotsom
Het hof zal het vonnis van 14 december 2018 vernietigen, behoudens de veroordeling onder 5.1 en opnieuw rechtdoende de overige vorderingen van MKBgroup afwijzen. Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij zal het hof MKBgroup in de kosten van het hoger beroep veroordelen, voor wat het salaris van de advocaat van [appellant] betreft te begroten op 1 procespunt naar tarief I. Het hof zal de proceskosten in eerste aanleg compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
6 De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
vernietigt het vonnis in kort geding van de kantonrechter te Almere van 14 december 2018, behoudens voor zover het de veroordeling onder 5.1 betreft, en wijst opnieuw rechtdoende
de overige vorderingen van MKBgroup af;
veroordeelt MKBgroup in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] vastgesteld op € 324,- voor verschotten en op € 759,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van de procedure in eerste aanleg draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. M.E.L. Fikkers en mr. O.E. Mulder en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2019.