Civiel recht overig
Kort geding. Opheffing executoriaal beslag. Inning van beweerdelijk verbeurde dwangsommen in verband met…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 oktober 2018
ECLI:NL:GHARL:2018:8859 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 9 oktober 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/civiel-recht/civiel-recht-overig/kort-geding/ecli-nl-gharl-2018-8859
Zaakgegevens
Op 9 oktober 2018 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 9 oktober 2018
- Datum publicatie
- 9 oktober 2018
- Zaaknummer
- 200.234.942/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. V.C van der Velde, mr. N Brands
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2018:8859
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kort geding. Opheffing executoriaal beslag. Inning van beweerdelijk verbeurde dwangsommen in verband met verhuizing van moeder met haar zoons naar het buitenland. Vordering toegewezen, nu de stellingen van hun vader omtrent de verhuizing onvoldoende aannemelijk zijn geworden.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.234.942/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/454052 / KL ZA 18-28)
arrest in kort geding van 9 oktober 2018
in de zaak van
[appellante] ,
wonende te [A] , Zwitserland,
appellante,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna: [appellante],
advocaat: mr. V.C. van der Velde, kantoorhoudend te Almere,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [B] ,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. N. Brands, kantoorhoudend te Enschede.
1 Het verdere verloop van geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure tot 1 mei 2018 blijkt uit het arrest van die datum. Vervolgens heeft een comparitie van partijen plaatsgehad waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Hierna hebben partijen opnieuw arrest gevraagd op basis van de naar aanleiding van de zitting aangevulde stukken.
2 De verdere beoordeling van het geschil
Het hof herhaalt dat het bij de beoordeling van het hoger beroep gaat om het antwoord op de vraag of [geïntimeerde] aannemelijk heeft gemaakt dat [appellante] vanaf
6 september 2017 buiten overeengekomen vakanties met de minderjarigen in Zwitserland heeft verbleven.
Tijdens het uitgebreide verhoor bij gelegenheid van de comparitie heeft [appellante] toegelicht dat zij en haar huidige partner, [C] , alternerend de opvoedingstaken ten aanzien van [D] en [E] uitoefenen. Het is volgens haar juist dat de jongens in Nederland geen vaste woon- of verblijfplaats meer hebben. Sinds augustus vorig jaar hebben zij op diverse Landalparken verbleven (zie de daaromtrent overgelegde afschrijvingen) of bij kennissen in [F] (de verklaring van [G] ) dan wel in de woning van derden ( [H] ). De kinderen staan nog wel in [F] ingeschreven, maar gaan niet naar een reguliere school - noch daar, noch op een andere plaats -, ondanks het feit dat daarvoor geen vrijstelling is gegeven; zij volgen nog steeds onderwijs aan de Wereldschool, wat feitelijk neerkomt op thuisonderwijs. Volgens [appellante] zijn hun schoolresultaten goed. [D] , die nu in de vierde klas van de Havo zit, heeft al twee eindexamenvakken gehaald. Zijn broer haalt goede cijfers.
Deze gang van zaken is naar zeggen van [appellante] enerzijds het gevolg van het verhuisverbod en communicatieproblemen met [geïntimeerde] over een mogelijk geschikte school, anderzijds van de vrijheid die zijzelf en [C] hebben om hun werk in te richten: dat van haar is niet plaatsgebonden, en [C] kan de periodes waarin hij in [F] werkt (hij draait nachtdiensten) zelf bepalen. Daardoor is het mogelijk ervoor te zorgen dat steeds een van hen bij de jongens in Nederland verblijft.
Deze lezing is in overeenstemming met de verklaringen die van de hand van [D] , [E] en de al genoemde [G] en [H] zijn overgelegd. Tegelijkertijd moet worden geconstateerd dat de onderbouwing met uitsluitend deze stukken en berichten over bij de Wereldschool behaalde resultaten erg summier is gebleven en ruimte laat voor twijfel. Twijfel wordt ook veroorzaakt door de verklaring van de gemeenteambtenaren [I] en [J] , die erop neerkomt dat [C] hun heeft verteld dat hij en zijn kinderen naar Zwitserland zijn verhuisd. Dat lijkt met de lezing van [appellante] in tegenspraak. Deze verklaring (althans de uitleg die [geïntimeerde] eraan geeft) kan echter het gevolg zijn van een misverstand. [C] en [appellante] vormen namelijk een samengesteld gezin dat bestaat uit kinderen van [C] ( [K] van 26 en [L] van 24), van [appellante] ( [M] , 21), van [C] en [appellante] samen ( [N] , 20), van [geïntimeerde] en [appellante] samen ( [D] van 17 en [E] van 15) en - opnieuw - van [C] en [appellante] samen ( [O] van 7). Als [C] heeft gesproken over zijn in Zwitserland wonende kinderen, hoeft hij dan ook niet te hebben gedoeld op [D] en [E] ; waar hij zegt dat 'we' naar Zwitserland zijn verhuisd, kan hij hebben gedoeld op enkel zichzelf en zijn vrouw, en mogelijk ook op andere kinderen dan [E] en [D] . De locatiebepaling die van de telefoon van [E] is overgelegd, heeft geen betrekking op een voor de beoordeling relevante periode (na 6 september 2017) en vormt ook geen aanwijzing voor een vertrek metterwoon. Deze gegevens dateren immers van maart 2017 en beslaan slechts enkele dagen.
Ook voor het overige zijn er geen directe en concrete aanwijzingen die het standpunt ondersteunen dat [E] en [D] daadwerkelijk naar Zwitserland zijn verhuisd of daar in strijd met het vonnis van 13 maart 2017 hebben verbleven. Het bericht van de Zwitserse Centrale Autoriteiten omtrent vergunningaanvragen en de mededeling over het vertrek van [D] en [E] in een e-mail van de gemeente Lelystad van 4 oktober 2017 zijn wat dat aangaat onvoldoende specifiek.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat - hoewel daarvoor wel enige aanwijzingen bestaan - de stellingen van [geïntimeerde] onvoldoende aannemelijk zijn geworden. Dat betekent dat het bestreden vonnis zal moeten worden vernietigd. De vordering zal als volgt worden toegewezen (met matiging en maximering van de gevorderde dwangsom). Het hof zal de proceskosten compenseren.
3 De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
vernietigt het bestreden vonnis van 6 februari 2018 van de voorzieningsrechter van de rechtbank Midden-Nederland en grieven rechtdoende;
veroordeelt [geïntimeerde] binnen zeven dagen na betekening van dit arrest het executoriaal beslag op te heffen dat hij heeft laten leggen op de woning aan de [a-straat 1] te [F] en [b-straat 2] te [F] ;
veroordeelt [geïntimeerde] binnen zeven dagen na betekening van dit arrest het executoriaal derdenbeslag op te heffen dat hij heeft laten leggen op alle gelden, geldswaarden en/of roerende zaken die geen registergoederen zijn;
veroordeelt [geïntimeerde] tot het doen van een mededeling van de opheffing van het beslag;
bepaalt dat [geïntimeerde] een dwangsom van € 100,- zal verbeuren voor iedere dag dat hij met enige van deze verplichtingen in gebreke mocht blijven, tot een maximum van € 5.000,-;
compenseert de proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mr. M.W. Zandbergen, mr. J.D.S.L. Bosch en mr. I. Tubben en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
9 oktober 2018.