Insolventierecht

Artikel 1 Fw. Door rechtbank uitgesproken faillissement in hoger beroep bekrachtigd. Voldaan aan alle…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 2 april 2024

Zaakgegevens

Op 2 april 2024 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
2 april 2024
Datum publicatie
18 april 2024
Zaaknummer
200.338.855
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. P.K de Blieck-Willemsen, mr. A.E.M. Bierens
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2024:2660
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Artikel 1 Fw.

Door rechtbank uitgesproken faillissement in hoger beroep bekrachtigd. Voldaan aan alle vereisten voor faillietverklaring.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel

zaaknummer gerechtshof: 200.338.855

(insolventienummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: C05/24/93 F)

arrest van 29 maart 2024

in de zaak van

[appellant]

die woont in [woonplaats1]

die hoger beroep heeft ingesteld

en bij de rechtbank optrad als verweerder

hierna: [appellant]

advocaat: mr. P.K. de Blieck-Willemsen

tegen

Verdouw Gouda Bouwprodukten B.V.

die is gevestigd in Gouda

die optreedt als verweerster

en bij de rechtbank optrad als verzoekster

hierna: Verdouw

advocaat: mr. A.E.M. Bierens.

1 De procedure bij de rechtbank

Bij vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 5 maart 2024 is [appellant] op verzoek van Verdouw in staat van faillissement verklaard. Hierbij is tot curator benoemd [de curator] (hierna: de curator). Het hof verwijst naar dat vonnis.

2 De procedure bij het hof

2.1.

Bij op 13 maart 2024 bij het hof binnengekomen beroepschrift heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 5 maart 2024. [appellant] verzoekt het hof dat vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, het verzoek tot faillietverklaring van hem af te wijzen.

2.2.

Het hof heeft kennisgenomen van:

  • het beroepschrift met bijlagen;

  • de op 20 maart 2024 ontvangen e-mail van 19 maart 2024 met bijlagen van de curator.

2.3.

De zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2024. Hierbij is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. De Blieck-Willemsen. Verder is namens Verdouw verschenen mr. D. Madrawski, kantoorgenoot van mr. Bierens. Ook de curator is verschenen.

3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1.

De rechtbank heeft [appellant] in staat van faillissement verklaard, omdat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van Verdouw en omdat [appellant] in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen.

3.2.

[appellant] voert als gronden voor zijn hoger beroep aan dat de motivering van de rechtbank onvoldoende is om hem failliet te verklaren en dat een derde een groot gedeelte van zijn schuld aan hem wil voorschieten zodat hij zijn schulden kan aflossen.

3.3.

Het hof oordeelt als volgt.
Een faillietverklaring kan worden uitgesproken als summierlijk is gebleken van een ten tijde van de faillietverklaring bestaand vorderingsrecht van de aanvrager en ook van het (op dat moment) bestaan van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de schuldenaar verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen.

Dat de schuldenaar meer schuldeisers heeft is een noodzakelijke, maar niet een voldoende voorwaarde voor het aannemen van de hiervoor bedoelde toestand (het pluraliteitsvereiste). Ook als aan het pluraliteitsvereiste is voldaan, moet worden onderzocht of de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen.

3.4.

In hoger beroep staat (tussen partijen) vast dat Verdouw een opeisbare vordering op [appellant] heeft. Het hof stelt vast dat ook aan het pluraliteitsvereiste is voldaan. Naast de vordering van Verdouw (€ 25.040,49) en enkele kleinere vorderingen staat volgens de opgave van de curator in zijn openbaar faillissementsverslag van 19 maart 2024 een aanzienlijke vordering van de Belastingdienst (€ 16.777,-) open. [appellant] heeft ter zitting in hoger beroep niet weersproken dat de Belastingdienst een vordering op hem heeft; hij weet niet om welk bedrag het gaat.

3.5.

Ook de vraag of [appellant] in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, beantwoordt het hof bevestigend om de volgende redenen.
Voorop staat dat [appellant] op dit moment zelf nagenoeg geen middelen heeft. Ter zitting heeft [appellant] aangevoerd dat een of meer derden hem in totaal € 5.000,- willen voorschieten zodat hij Verdouw een regeling kan aanbieden, waarbij hij een bedrag van € 5.000,- ineens zal afbetalen op de vordering van ruim € 25.000,-. [appellant] heeft in aansluiting daarop Verdouw voorgesteld om daarna het restantbedrag in termijnen af te betalen, waarbij hij denkt aan een bedrag van € 800,- per maand. Verdouw heeft niet met dit voorstel ingestemd. Daarmee staat vast dat de vordering van Verdouw op dit moment onbetaald blijft. Dit geldt ook voor de andere bij de curator aangemelde vorderingen, nog daargelaten dat gesteld noch gebleken is dat [appellant] op dit moment over de middelen beschikt om de faillissementskosten, waaronder het salaris van de curator, te betalen.

3.6.

De slotsom is dat is voldaan aan alle vereisten voor faillietverklaring. Het hof zal dan ook het vonnis van de rechtbank van 5 maart 2024 bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 5 maart 2024.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.J. van der Korst, H.L. Wattel en S.J.O. de Vries, en is op
29 maart 2024 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.